Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/9.3.4.c.iii
9.3.4.c.iii De reikwijdte van het bod
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS601119:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 30 juli 2013 (ro. 3.11), ARO 2013/140 (LBi International); OK 21 december 2010 (ro. 3.10-11), ARO 2011/16 (Smit Internationale).
OK 28 oktober 2008 (ro. 3.13); JOR 2008/335 (Numico); OK 24 februari 2009 (ro. 3.13); JOR 2009/ 130 (Hagemeyer); OK 22 september 2009 (ro. 3.4); JOR 2009/288 (Grolsch); OK 8 juni 2010 (ro. 3.11-3.12); JOR 2010/265 (Econosto); OK 20 december 2011, JOR 2012/43 (Draka); OK 21 februari 2012 (ro. 3.12-3.16), JOR 2012/144 (Crucell); OK 30 juli 2013, ARO 2013/140 (LBi International).
OK 21 december 2010 (ro. 3.13), ARO 2011/16 (Smit Internationale).
OK 21 februari 2012 (ro. 3.15-3.16), JOR 2012/144 (Crucell); OK 24 februari 2009, JOR 2009/130 (Hagemeyer). In de procedure inzake Crucell verkrijgt de uitkoper gedurende de aanmeldingstermijn ook aandelen door de aankoop en uitoefening van optierechten. Het bod heeft echter geen betrekking op deze aandelen. De OK telt deze dan ook niet mee voor de berekening van het wettelijk prijsvermoeden.
S. 974(5)(a) CA 2006. Hierover Chivers/Shaw (2008), 2.36.
Voor de vraag op hoeveel aandelen het openbaar bod betrekking heeft, is onder meer de reikwijdte van het bod van belang. De aandelen die de uitkoper voordien heeft verkregen, blijven buiten beschouwing.
Het openbaar bod vangt, volgens de OK, aan met het uitbrengen van het bod en niet pas vanaf het moment waarop de aanmeldingstermijn aanvangt.1 Dit uitgangspunt is mijns inziens enigszins ongelukkig. Ik geef een voorbeeld ter illustratie.
Stel het geplaatste kapitaal van de doelvennootschap bestaat uit 100 aandelen. De bieder houdt op het moment dat hij het bod uitbrengt al twintig aandelen. De aanmeldingstermijn vangt niet eerder aan dan op de eerste werkdag volgend op het uitbrengen van het bod. In de tussenliggende periode verkrijgt de bieder tien aandelen via aankopen in de gereglementeerde markt.
Als peildatum voor het aantal aandelen waarop het bod ziet, geldt het moment waarop de bieder het bod uitbrengt. In mijn voorbeeld ziet het bod dus op (100 minus 20) 80 aandelen. Voor de toepassing van het wettelijk prijsvermoeden moet de bieder minimaal (90% van 80) 72 aandelen verwerven. Dit aantal moet hij verkrijgen door aanvaarding van het bod (zie hiervoor onder ii). Dat betekent dat de reeds voor aanvang van de aanmeldingstermijn verkregen tien aandelen niet meetellen. Deze aandelen behoren echter wel tot de aandelen waarop het bod betrekking heeft. Het gevolg is dat de bieder niet aan het wettelijk prijsvermoeden kan voldoen. Hij moet namelijk minimaal 72 aandelen verkrijgen, terwijl er nog slechts 70 aandelen onder het bod aangemeld kunnen worden.
Het door mij gekozen voorbeeld is enigszins gechargeerd, maar geeft wel het probleem aan. De OK kan dit verhelpen door de verwervingen anders dan door het openbaar bod mee te tellen voor het wettelijk prijsvermoeden (hiervoor onder ii) of door de aanvang van de reikwijdte van het bod te verschuiven naar het moment waarop de aanmeldingstermijn begint. Mijn voorkeur gaat uit naar de eerste oplossing.
De OK telt voorts zowel de aandelen mee die zijn aangemeld gedurende de (verlengde) aanmeldingstermijn, als de aandelen die de uitkoper tijdens de na-aanmeldingstermijn heeft verworven.2 Zij beschouwt de aanmeldingstermijn en de na-aanmeldingstermijn dus materieel als hetzelfde bod (§ 5.4.2 sub b). Onduidelijk is wel of de aandelen die de uitkoper verkrijgt na afloop van de aanmeldingstermijn en voor de opening van de na-aanmeldingstermijn ook meetellen voor het wettelijk prijsvermoeden. De OK laat deze vraag vooralsnog onbeantwoord.3 Strikt genomen is het antwoord hierop ontkennend, omdat de uitkoper de aandelen niet verkrijgt door aanvaarding van het bod. Deze verwervingen moeten naar mijn mening echter wel meetellen voor het wettelijk prijsvermoeden. Zij geschieden immers tegen dezelfde voorwaarden als onder het openbaar bod (zie hiervoor onder ii).
Tot slot is het interessant of de aandelen die gedurende de looptijd van het bod zijn uitgegeven, voor toepassing van het wettelijk prijsvermoeden behoren tot de aandelen waarop het bod zag. In de uitkoopprocedures inzake Hagemeyer en Crucell overweegt de OK mijns inziens terecht dat het biedingsbericht hiervoor doorslaggevend is.4 Hieruit volgt namelijk op hoeveel aandelen het bod betrekking heeft. Voor de uitkoopregeling in het Verenigd Koninkrijk geldt hetzelfde.5