Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.5.3:9.3.5.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.5.3
9.3.5.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS610235:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Loonbelasting / Artiesten, beroepssporters en buitenlandse gezelschappen
Loonbelasting / Inhoudingsplichtige
Loonbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3, p. 167.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de toepassing van art. 19a lid 2 Wet LB 1964 tellen alleen de aandelen die een natuurlijk persoon zelf bezit mee bij de beoordeling of is voldaan aan de 10%-norm. Aandelenbelangen van ‘verbonden personen’ tellen niet mee. Hierdoor is een vergelijking met de sociaal-maatschappelijke werkelijkheid en het personen- en familierecht niet mogelijk, en eigenlijk kan ook de neutraliteit ten aanzien van de samenlevingsvorm niet worden beoordeeld.
Er kan echter nog wel een opmerking worden gemaakt over het door echtgenoten of geregistreerde partners gekozen huwelijksgoederenregime. In de wetsgeschiedenis is namelijk opgemerkt dat in de PW wordt gesproken van ‘persoonlijk houder’ en ‘indirect persoonlijk houder’ om te benadrukken dat iemand die in gemeenschap van goederen is gehuwd met een grootaandeelhouder, door dit enkele feit zelf geen grootaandeelhouder is in de zin van dit wetsvoorstel.1 Op dit punt is er een verschil in behandeling met het dga-begrip van art. 4 onderdeel d Wet LB 1964 en art. 2h Uitv.besl. LB 1965. Zoals in paragraaf 9.3.1 is beschreven, wordt een echtgenoot of geregistreerde partner die zelf geen aandelen bezit maar in gemeenschap van goederen is gehuwd met een aanmerkelijkbelanghouder, wel als dga behandeld voor de toepassing van de fictieve dienstbetrekking en de gebruikelijkloonregeling. Dit neutraliteitverstorende effect is dus niet aan de orde ten aanzien van het dga-begrip in art. 19a lid 2 Wet LB 1964.
Overigens blijkt uit het gebruik van de term ‘vennootschap’ in art. 19a lid 2 Wet LB 1964 dat met name is gedacht aan een aandelenvennootschap van een ‘dga’. Anders dan in het dga-begrip van art. 4 onderdeel d Wet LB 1964 en art. 2h Uitv.besl. LB 1965, is niet gekozen voor de term ‘lichaam’. Hierdoor geldt de uitsluiting van de in-houdingsplicht bijvoorbeeld niet voor dga’s met een belang in een coöperatie of een open CV. De regeling is hierdoor niet rechtsvormneutraal.