Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.5.4.2
2.5.4.2 Beperkte beschikkingsbevoegd
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS589246:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 3 juni 2016, JOR 2016/287, NJ 2016/290(Rabobank/Reuser).
Aldus ook Wibier 2016, p. 214 (ten aanzien van registergoederen).
Van Straaten 2016, sub 6.
De vervulling van de voorwaarde heeft geen terugwerkende kracht, wel goederenrechtelijke werking. Art. 3:38 lid 2 BW.Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/242 en 243.
Stolz 2015, § 11.1.2, 11.1.3 en 11.2.3.5.
Koppenol-Laforce 2009; Hijma & Olthof 2014/114.
HR 5 september 1997, JOR 1997/102, NJ 1998/437(Ontvanger/Hamm q.q.).
Bartels & Milo 2000, p. 7/8; Verstijlen 2004, p. 24 en 29; Kortmann 2006, p. 161.
Ook Van der Sangen 2005, p. 171 brengt dit arrest in verband met vermogensscheiding.
Vriesendorp 2007.
HR 28 juni 1889, W 5735 (De Beaumont/Tielens); en HR 26 november 1897, W 7047 (Boeschoten/Besier).
De vestiging van een beperkt recht wordt opgevat als een overdracht van bepaalde bevoegdheden die behoren bij het hoofdrecht.1 Door een dergelijke overdracht wordt de bevoegdheid om over een goed te beschikken op bepaalde wijze verdeeld: bij vruchtgebruik op een zaak kan de eigenaar de blote eigendom vervreemden en kan de vruchtgebruiker het vruchtgebruik vervreemden. Een vergelijkbare bevoegdheidsverdeling (met telkens een eigen invulling van de verdeling) tussen hoofdgerechtigde en beperkt gerechtigde is aan de orde bij de andere beperkte rechten, pandrecht, hypotheek en opstalrecht.
Een enigszins vergelijkbaar geval doet zich voor bij voorwaardelijke eigendom. Bij overdracht onder eigendomsvoorbehoud van roerende zaken (niet registergoederen) blijft de vervreemder eigenaar onder ontbindende voorwaarde en wordt de verkrijger eigenaar onder opschortende voorwaarde. De voorwaarde is in beide gevallen: voldoening van de vorderingen waarvoor het eigendomsvoorbehoud is gemaakt (de koopsom). In het arrest Rabo/Reuser heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat het eigendomsrecht van de verkrijger als voorwaardelijk recht ontstaat op het moment van de voorwaardelijke verkrijging. Hij is vanaf dat moment bevoegd om over dat voorwaardelijke recht te beschikken, bijvoorbeeld in de vorm van de vestiging van een pandrecht. Failleert degene die onder eigendomsvoorbehoud heeft verkregen en wordt de koopsom nadien door de pandhouder voldaan, dan groeit het voorwaardelijke eigendomsrecht van de failliet, en daarmee het object van het pandrecht, alsnog aan tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht. Artikel 35 Fw staat hier niet aan in de weg, omdat het eigendomsrecht van de failliet, zij het voorwaardelijk, al voorafgaand aan het faillisseement is ontstaan en het pandrecht al voor het faillissement is gevestigd.2 Of de betekenis van dit arrest beperkt is tot de overdracht onder opschortende voorwaarde (eigendomsvoorbehoud) van roerende zaken, kan niet met zekerheid worden gezegd.3 Van Straaten meent dat onroerende zaken en andere registergoederen, evenals aandelen in kapitaalvennootschappen, vorderingen, etc. ook op dergelijke wijze kunnen worden geleverd.4
In het geval van beperkte rechten en voorwaardelijke eigendom kan men denken in termen van een vol eigendomsrecht dat gesplitst is, maar volgens mij is dat onnodig beperkend. Deze benadering laat geen ruimte voor de beperking van een goederenrechtelijke aanspraak zonder dat daar een complementair recht tegenover staat.
Dit laatste speelt in de leer, die in het arrest Rabo/Reuser is verlaten. Volgens die nu verlaten leer werd de verkrijger onder eigendomsvoorbehoud pas beschikkingsbevoegd, indien en zodra de voorwaarde werd vervuld.5 Tegelijkertijd werd, net als nu, aangenomen dat de vervreemder onder eigendomsvoorbehoud zijn eigen beschikkingsbevoegdheid zodanig beperkte, dat hij het goed niet meer onvoorwaardelijk op een derde kon doen overgaan. Zo werd in deze leer de aanspraak van de vervreemder beperkt tot een eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde, zonder dat op hetzelfde moment voor de verkrijger een complementaire goederenrechtelijke aanspraak onder opschortende voorwaarde ontstond. Stolz heeft deze nu verlaten leer bekritiseerd met het argument dat een beperkte beschikkingsbevoegdheid noodzakelijkerwijs gepaard moet gaan met, zoals hij het uitdrukt, een goederenrechtelijke wijziging van het goed zelf. In zijn aanname brengt de goederenrechtelijke werking van voorwaarden noodzakelijkerwijs mee dat het goed wordt gesplitst in twee door de voorwaarde beperkte rechten.6 Deze aanname berust m.i. op een misvatting. Het goed wordt niet gesplitst. In het arrest Rabo/Reuser beroept de Hoge Raad zich niet op een theorie van gesplitste eigendomsrechten of complementaire beschikkingsbevoegdheden, maar op de wens van de wetgever om de aanspraak van de verkrijger onder eigendomsvoorbehoud als een goederenrechtelijke op te vatten.
Dit idee, dat een beperkte goederenrechtelijke aanspraak niet op een splitsing van een ‘vol’ eigendomsrecht hoeft te berusten, sluit goed aan bij het gegeven dat het begrip beschikkingsbevoegdheid niet iets zegt over een goed, zoals het begrip overdraagbaarheid, maar over de verhouding van een persoon tot een goed.7 Bij beschikkingsbevoegdheid, en eventuele beperkingen daarvan, gaat het om de wijze waarop de betrokkene tot het goed gerechtigd is (als bloot eigenaar, als deelgenoot in een bepaald type gemeenschap, als faillissementscurator, als lasthebber, als trustee etc.).
Het arrest Ontvanger/Hamm is met verbazing ontvangen.8 Hoe kan iemand die per vergissing aan een failliet betaalt, recht hebben op onmiddellijke terugbetaling van het volle bedrag door de curator? Betreft het een goederenrechtelijke vordering (als het ware een revindicatie) of een verfijning van het preferentiestelsel van titel 10, Boek 3 BW, of is het arrest onverenigbaar met het (gesloten) wettelijk stelsel van voorrang?9 Volgens mij is het niets van dit al en kan het arrest worden bezien in de sleutel van een zo vergaande beperking van de beschikkingsbevoegdheid dat zij vermogensscheiding meebrengt.10 Het ontvangen van de onbedoelde betaling op de bankrekening van de failliet, waarover de curator de beheers- en beschikkingsbevoegdheid heeft (art. 23 Fw), brengt voor de curator mee dat hij slechts door terugbetaling over het bedrag kan beschikken. Noem het een constructive trust.11 Zo bezien, vanuit beschikkingsgebondenheid, ligt de systematische inpasbaarheid binnen handbereik. Dat daarvoor niet per se een uitdrukkelijke wettelijke grondslag hoeft te bestaan, is al duidelijk sinds de Hoge Raad eind 19de eeuw het afgescheiden karakter van een VOF-vermogen erkende.12