Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/8.5.2:8.5.2 Arnold v. Phillips (1941): bestemming middelen doorslaggevend?
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/8.5.2
8.5.2 Arnold v. Phillips (1941): bestemming middelen doorslaggevend?
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS406889:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een van de eerste uitspraken waarin het belang van onderkapitalisatie nader werd uitgewerkt, betrof de uitspraak van het Court of Appeals (5th Cir.) inzake Arnold v. Phillips.1 Deze zaak zag op het faillissement van een bierbrouwerij die bij oprichting was gefinancierd met 50.000 dollar kapitaal en 70.000 dollar aan leningen, verstrekt door de (nagenoeg) enig aandeelhouder. De eerste twee jaar na oprichting maakte de brouwerij winst en betaalde zij rente over de aandeelhoudersleningen. Daarna begon de brouwerij verlies te lijden en verstrekte haar aandeelhouder aanvullend krediet tegen zekerheden. De curator trachtte in het faillissement de aandeelhoudersleningen achter te stellen en de vestiging van de zekerheidsrechten ongedaan te maken. Het Court of Appeals overwoog dat het bij oprichting verstrekte krediet diende te worden aangemerkt als kapitaalstorting. Het Court of Appeals achtte daarbij van belang dat de aangewende middelen direct waren aangewend voor de financiering van vaste activa (de brouwerij). Omdat de investering noodzakelijk was om met de onderneming te kunnen aanvangen en een permanent karakter droeg, kwalificeerde deze volgens het Court als een de facto kapitaalstorting. Ook het gegeven dat de vennootschap geen zekerheden had gevestigd in verband met de lening, droeg bij aan het oordeel van het Court of Appeals dat er in werkelijkheid sprake was van een kapitaalstorting:
“[The advances] made before the enterprise was launched were […] really capital. Although the charter provided for no more capital than $50,000, what it took to build the plant and equip it was a permanent investment, in its nature capital. […] Arnold saw that he could not proceed with his enterprise unless he enlarged the capital. There can be little doubt that what he contributed to the plant was actually intended to be capital, notwithstanding the charter was not amended and demand notes were taken.”2
De leningen die de aandeelhouder had verstrekt toen de vennootschap twee jaar na oprichting verlies begon te lijden, konden volgens het Court of Appeals\ echter niet worden aangemerkt als kapitaalstortingen. Het overwoog daartoe dat indien de leningen verstrekt waren door een bank, deze in faillissement ook niet achtergesteld zouden worden:
“The money went to relieve the needs of the business exactly as it would have done if a bank had advanced it. No other creditor was prejudiced or misled. There are no circumstances which discredit the testimony. They were truly loans and not new capital.”
Bij het door het Court of Appeals gemaakte onderscheid tussen enerzijds de leningen verstrekt bij oprichting en anderzijds de kredietverstrekking bij financieel zwaar weer, kunnen naar mijn idee kanttekingen worden geplaatst. De leningen die bij oprichting van de vennootschap waren aangewend om de aanschaf van de brouwerij te financieren, hadden immers ook door een bank kunnen worden verstrekt. Sterker nog, een bank had daarvoor waarschijnlijk zekerheden bedongen zodat in faillissement nog minder voor de ongesecureerde crediteuren had geresteerd. Daarnaast rijst de vraag of de bestemming van het verstrekte vermogen (financiering van vaste activa of werkkapitaal) doorslaggevend zou moeten zijn bij het bepalen of er sprake is van kapitaalstorting of kredietverstrekking.