Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/3.3.4:3.3.4 Beslissingen over beklag tegen niet-vervolging
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/3.3.4
3.3.4 Beslissingen over beklag tegen niet-vervolging
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Corstens & Tak 1982, p. 102.
Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 265.
Hof Amsterdam 21 januari 2009, NJ 2009, 191 m.nt. Y. Buruma.
Hof ‘s-Gravenhage 4 maart 2008, LJN BC5641.
Hof ‘s-Hertogenbosch 22 februari 2000, NJ 2000, 322.
Zie bijvoorbeeld ook Hof Amsterdam 17 oktober 2007, NbSr 2007, 423 en Hof ’s-Hertogenbosch 4 augustus 2009, LJN BJ7520.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een andere manier waarop het algemeen belang in de praktijk wordt toegepast, is in de rechtspraak van de gerechtshoven in zaken waarin belanghebbenden beklag hebben ingediend tegen niet-vervolging. Volgens sommigen is dit één van de belangrijkste kenbronnen van de inhoud van het algemeen belang.1 Uit deze beklagzaken kan, door de aard van de procedure, vooral naar voren komen hoe de standpunten van slachtoffers of andere belanghebbenden meewegen bij de bepaling van het algemeen belang. Maar waarschijnlijk worden ook andere redenen die voor of tegen vervolging pleiten betrokken in de beoordeling. Daarom is het interessant om te zien welke inhoud er in deze procedures door de gerechtshoven aan het algemeen belang wordt gegeven. Ook bij het beklag geldt, dat de haalbaarheid van de strafzaak een component van de beslissing vormt. Veel beklagzaken worden afgewezen vanwege het, naar het oordeel van het Gerechtshof, ontbreken van strafrechtelijke aansprakelijkheid. Wellicht is het in het algemeen belang om van de strafrechter een uitspraak te verkrijgen over aansprakelijkheid, maar zonder aanwijzingen daarvan zal het Hof toch geen bevel tot vervolging geven, of zoals Jörg, Kelk en Klip het verwoorden onder verwijzing naar de Herculesramp: ‘Zo kan opportuun zijn dat de onafhankelijke strafrechter zich zou buigen over de vraag of bij de hulpverlening bij een neergestort luchtmachtvliegtuig onzorgvuldig was opgetreden. Het publieke belang dat zo’n punt in een openbare terechtzitting besproken kan worden concurreert dan wel met het belang van individuen om niet daaraan opgeofferd te worden. M.a.w.: er moet een zekere mate van individuele verwijtbaarheid (dus bewijs van schuld) zijn voordat een vervolging zal kunnen worden bevolen.’2
Wanneer het Gerechtshof niet tot het oordeel komt dat het beklag moet worden afgewezen vanwege het niet haalbaar zijn van een veroordeling, kan het toekomen aan een inschatting van het algemeen belang. Vanwege de aard van de procedure kan het zijn dat de beoordeling daarvan tot op grote hoogte gericht is op de belangen van de rechtstreeks belanghebbende die beklag tegen niet-vervolging heeft ingesteld. Daardoor kan spanning optreden met de grondslag voor de beslissing, omdat de wettelijke voorwaarde van het algemeen belang veel meer kan omvatten dan het concrete belang van de belanghebbende. Deze spanning zal zich uiteraard sterker voordoen bij de belanghebbende die de procedure vooral vanuit zijn eigen perspectief bekijkt, maar kan zich ook bij het Gerechtshof voordoen wanneer de beslissing te zeer wordt gezien als een afweging tussen de belangen van de belanghebbende bij vervolging en de belangen van de verdachte bij niet-vervolging. In dat verband moet wel worden opgemerkt dat door rechtspersonen die als rechtstreeks belanghebbende kunnen optreden omdat zij een bepaald maatschappelijk doel nastreven dat relevant is in het licht van het betreffende feit waarvan vervolging wordt verlangd, veel sterker een algemeen belang wordt nagestreefd en de vernauwing van de belangentegenstelling zich minder duidelijk zal voordoen.
Soms gaat het bij een procedure inzake beklag tegen niet-vervolging om spraakmakende zaken die veel publiciteit genereren. Een treffend voorbeeld uit de laatste jaren betreft de procedure waarin de vervolging van Geert Wilders werd bevolen.3 Uiteindelijk beval het Hof de vervolging vanwege het algemeen belang van rechtszekerheid dat gediend zou zijn met een uitspraak van de strafrechter over de strafbaarheid van de uitlatingen die het onderwerp waren van het beklag (overweging 13). Het overwoog echter ook dat het maatschappelijk ontoelaatbaar is dat in het publieke debat door een politicus wordt aangezet tot haat en discriminatie, waardoor de ene bevolkingsgroep tegen de andere kan worden opgezet. Daartegen zou de overheid duidelijk stelling moeten nemen, vooral wanneer daarbij vergelijkingen met het nazisme zijn gebruikt.
In sommige uitspraken van de Gerechtshoven in beklagzaken wordt uitdrukkelijk gerefereerd aan bepaalde strafdoelen die al dan niet gediend kunnen zijn met het instellen van een vervolging en het eventueel verkrijgen van een veroordeling. Dat was bijvoorbeeld het geval bij een beklag tegen de niet-vervolging van Diergaarde Blijdorp na de ontsnapping van gorilla Bokito. 4 Daarbij zou er geen noodzaak zijn tot vergelding en de generale en speciale preventie zouden niet zijn gediend met een vervolging. Soms wordt het juist voorgesteld alsof er geen opportuniteitskeuze mag worden gemaakt, maar altijd moet worden vervolgd wanneer een bepaald delict bewezen kan worden. Dat was bijvoorbeeld het geval bij een opmerkelijke uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch naar aanleiding van een beklag tegen het niet vervolgen van meineed.5 Een dergelijke uitspraak is wel uitzonderlijk. In veel gevallen strandt een beklag op de haalbaarheid van de strafzaak, maar wanneer het Hof toekomt aan een beoordeling van de opportuniteit is daarin vaak wel te herkennen welke inhoudelijke gezichtspunten tot de beslissing hebben geleid. Deze geven vaak blijk van een oriëntatie op de doelen en rechtvaardiging van het straffen.6