Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.6.1:10.4.6.1 De kern van het misbruikvermoeden
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.6.1
10.4.6.1 De kern van het misbruikvermoeden
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491681:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Kamerstukken I 1999/00, 26 727 en 26 728, nr. 202a, p. 30.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De splitsingsfaciliteiten voor de splitsingspartners en voor de aandeelhouders, leden, schuldeisers, winstbewijs- en optiehouders zijn niet van toepassing indien de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing (misbruik). De bewijslast dat de splitsing een misbruikachtergrond heeft, ligt in eerste instantie bij de inspecteur. Dat bewijs zal echter niet altijd eenvoudig te leveren zijn. Om die reden is aan de antimisbruikbepalingen van art. 14a, lid 6, Wet VPB 1969 en art. 3.56, lid 4, Wet IB 2001 een bewijsvermoeden gekoppeld. Indien de inspecteur aannemelijk maakt dat voor de splitsing een zakelijk motief ontbreekt, geldt het vermoeden dat sprake is van misbruik. De belanghebbende kan vervolgens tegenbewijs leveren door aannemelijk te maken dat de splitsing niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.1