Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/11.1
11.1 Gewichtige redenen
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS454002:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De rechter kan dan in zo'n geval dus terecht de imagevordering afwijzen. Dit kan een Pyrrusoverwinning opleveren. De vertrouwelijkheid van de informatie, aldus de minister, doet immers niet af aan het feit dat als de betreffende partij het bewijs moet leveren doch de betreffende stukken gelet op het vertrouwelijk karakter niet inbrengt, bij gebrek aan voldoende bewijs de procedure wel eens kan verliezen. Zie ook HR 26 maart 2004, RvdW 2004, 54.
Zie p. 154-160 Pari. Gesch. burgerlijk procesrecht.
P.J. van der Korst, Bedrijfsgeheimen en transparantieplichten, Deel 92 van de serie vanwege het Van der Heijden instituut, Kluwer, Deventer 2007, p. 107.
Ekelmans, p. 37-38.
P. 157 Pad. Gesch. burgerlijk procesrecht: 'Bij het criterium gewichtige redenen moet dus in de eerste plaats gedacht worden aan vertrouwelijke gegevens, zoals, bijvoorbeeld, gegevens betreffende de sexuele geaardheid, de medische status of financiële positie. Ook kan het gaan om vertrouwelijke bedrijfsgegevens. Een nadere invulling van dit criterium kan het best worden overgelaten aan de rechtspraak.'
De HR overweegt nog dat de artsen niet hebben gesteld dat de maatschappij het dossier op onrechtmatige wijze in bezit heeft gekregen.
1-11( 20 december 2002, NJ 2004, 4, m.nt. Vranken.
Ook Lindijer geeft in nr 229 in feite niet meer dan een beschrijving van dit arrest.
Rb Zutphen 7 mei 2003, JBPR 2003, 66, m.nt. Linssen.
Zie echter ook het slot van hoofdstuk 6.
Zo reeds Linssen in zijn noot bij het vonnis van de rechtbank Zutphen in JBPR 2003, 66.
Zie ook Van den Reek op p. 247 e.v. die over de heersende opvatting stelt dat die tot het merkwaardige resultaat leidt dat de advocaat-getuige een beroep op zijn verschoningsrecht kan doen, terwijl zijn cliënt, als partij gehoord, dit beroep niet heeft. Uiteindelijk dient het verschoningsrecht toch de betreffende cliënt.
Linssen onder Rb Zutphen 7 mei 2003, JBPR 2003, 66.
Hof Den Haag 20 mei 2003, S&S 2004, 59.
Zie ook Rb Rotterdam 19 mei 2004, AR3382, JBPR 2004, 77 m.nt. Linssen: Hanjin Shipping heeft in China een lading grondnoten, eigendom van een derde, in ontvangst genomen voor vervoer naar Rotterdam. De noten, door de derde verzekerd bij Fortis, raken beschadigd door brand en explosie aan boord van de boot waarmee zij werden vervoerd. Fortis acht Hanjin Shipping aansprakelijk en start een bodemprocedure en vordert in het met die bodemprocedure gestarte incident onder meer afgifte van de expertiserapporten omtrent de oorzaak van de brand die zijn opgemaakt door de expert van Hanjin Shipping. De rechtbank wijst deze vordering af omdat het maatschappelijk belang dat een partijexpert vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking zijn opdrachtgever van advies dient, een weigering van de verplichting tot afgifte rechtvaardigt. Hanjin Shipping is derhalve niet gehouden adviserende (delen van) stukken van haar expert aan Fortis c.s. te verstrekken. Voor zover deze stukken echter een feitelijk/vaststellend deel bevatten met de bevindingen en waarnemingen van de expert, dient Hanjin Shipping deze feitelijke/vaststellende (delen van) stukken aan Fortis c.s. af te geven.'In de bijdrage 'Het recht van expertise' in de 'Bundel Capita Zeerecht', Kluwer 2004, p. 329-335 plaatst R.C.A. van 't Zelfde deze zaak (waarvan ten tijde van het schrijven van de bijdrage de uitspraak nog niet bekend was) in de brede context van de artikelen 8:494 en 495 BW.
Hof Den Bosch 14 oktober 2003, LIN AM7927. Hof Den Bosch 14 oktober 2003, AM7927 en Rb Breda 15 februari 2006, NJF 2006, 217 oordelen dat de verstrekking van privéadressen van werknemers misschien wel een inbreuk vormt op de privacy van die werknemers, maar die inbreuk is niet zwaar genoeg om een zwaarwichtige reden in de zin van lid 4 van art. 843a Rv op te leveren.
Zie wat de due diligencerapporten betreft par. 7.1.3 en par. 8.1.
Rb Den Haag 19 mei 2005, LIN AY5824. In diezelfde uitspraak oordeelt de rechtbank eveneens dat de vraag of de omstandigheid dat partijen in een conflictsituatie verkeren, evenmin aanleiding kan geven om te weigeren gegevens te verstrekken. Rb Arnhem 26 maart 2008, BC8823 De stelling van gedaagde dat de partij die inzage eist, Ballast Nedam, de informatie misbruikt om insinuerende opmerkingen in processtukken en naar de pers te maken, vormt geen gewichtige reden omdat de rechtbank 'uit ervaring' weet dat dit niet ongebruikelijk is.
Rb Utrecht 12 september 2007, BB3722, NJF 2007, 544. Hof Arnhem 25 maart 2008, BC9246 oordeelt waar het recherchebureau Gawain stelt dat hij aan het onderzoeksobject X niet de namen hoeft af te geven van de personen die hij heeft gehoord in het kader van zijn opdracht die hem is gegeven door de werkgever van X, omdat het bureau met die werkgever een contractuele geheimhoudingsplicht is overeengekomen, dat Gawain niet heeft gezegd dat zijn opdrachtgever bezwaar tegen de inzage heeft. Rb Amsterdam 11 september 2008, BF0587 oordeelt ook dat het feit dat partij A en partij B hebben afgesproken dat bepaalde informatie geheim moet blijven, geen gewichtige reden oplevert indien partij C inzage vordert. Ook zo Rb Rotterdam 3 juni 2009, B19158. Rb Leeuwarden 24 juni 2009, B19925 is van oordeel dat toewijzing van een vordering tot inzage dan wel afschrift in de financiële en administratieve boekhouding van v.o.f. A, haar vennoten X en de besloten vennootschap Yen Z, handelend over de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2007, er toe zal leiden dat eiser, concurrent van gedaagden, kennis zal kunnen nemen van vertrouwelijke bedrijfsgegevens. Ook als sprake is van onrechtmatige concurrentie, zo overweegt de rechtbank verder, geeft art. 843a Rv nog geen praktisch onbegrensde bevoegdheid tot kennisneming van de financiële en commerciële administratie van de tegenpartij. Rb Zutphen 4 maart 2009, BH7615, NJF 2009, 168: A vordert van B inzage in twee tussen B en C gesloten vaststellingsovereenkomsten. B voert aan dat hij met C in het kader van de mediabon geheimhouding is overeengekomen met betrekking tot al hetgeen in het kader van de mediation is besproken en overeengekomen en dat hij van C geen toestemming heeft gekregen om aan A afschriften van de vaststellingsovereenkomsten te verstrekken. B heeft gesteld zelf geen bezwaar te hebben om bedoelde stukken in het geding te brengen, maar wil daar toch vanaf zien ter voorkoming van een nader juridisch geschil met C. Naar het oordeel van de rechtbank is met dit betoog van B geen gewichtige reden gegeven om de vordering af te wijzen. Het belang van een behoorlijke rechtspleging weegt in dit geval zwaarder dan het belang van C bij niet openbaarmaking. Zie over de bewijsovereenkomst en mediation ook HR 10 april 2009, BG9470.
HR 11 juli 2008, BC8421, NI 2009, 451, m.nt. E.J. Dommering (De Telegraaf-BVD/AIVD).
HR 20 december 2002, NI 2004, 4 respectievelijk HR 11 juli 2008, BC8421, NI 2009, 451, m.nt. E.J. Dommering. Rb Zutphen 4 januari 2006, AV1712 oordeelt overeenkomstig HR 20 december 2002, NI 2004, 4 dat het feit dat de bestuursrechter op grond van de Wet Openbaarheid Bestuur heeft geoordeeld dat een overheidsorgaan de naam van een bepaalde ambtenaar niet hoeft te verstrekken, niet zonder meer een gewichtige reden oplevert. In de procedure op voet van art. 843a Rv gaat het immers om de toegang van een partij tot voor, naar haar mening, in die procedure relevante informatie, terwijl het in de WOB-procedure gaat om de aan ieder toekomende aanspraak op publieke openbaarheid.
Lindijer schrijft in nr 229 dat de Hoge Raad in dit arrest een regeling heeft gegeven ... die de rechter in staat moet stellen om — buiten gevallen als bedoeld in art. 843a en 843b Rv- te beoordelen of een partij mag weigeren te voldoen aan haar verplichting als procespartij om bepaalde stukken ... te verstrekken' .1k zie niet waarom dit arrest niet van toepassing kan zijn op de gevallen van art. 843a en b Rv. Ook Vranken lijkt in zijn noot onder dit arrest in de NJ van mening te zijn dat de regels zoals de Hoge Raad deze formuleert in dit arrest ook van toepassing kunnen zijn in 'art. 843a Rv-gevallen'. Zie ook CvBB 22 januari 2009, BH6932.
Rb Zwolle-Lelystad 20 december 2007, BC1286, JA 2008, 24.
De HR gaf in dit arrest een maatstaf die gebruikt moet worden bij het antwoord op de vraag wat een vertrouwensarts van een Bureau Vertrouwensartsen wel en niet moet vertellen ter zake van hetgeen hem uit hoofde van zijn beroep door niet-professionele melders is toevertrouwd.
Hof Leeuwarden 9 december 2008, BG6616, NJ 2009, 200, m.nt. J. Legemaate. Dezelfde casus was aan de orde in de uitspraak van het Hof Leeuwarden 28 februari 2007, NJ 2009, 199, maar dan niet op de voet van art. 843a Rv, maar op grond van de stelling dat de gedaagde artsen in onvoldoende mate hadden voldaan aan hun plicht om voldoende feitelijke gegevens te verstrekken omdat zij onder meer de MIP-melding niet hadden overgelegd. Het hof overweegt dat de MIPmelding een intern vertrouwelijk document betreft en dat openbaarmaking naar mag worden aangenomen de bereidheid van ziekenhuispersoneel om incidenten te melden, bepaald niet zal bevorderen, zodat de melding niet hoeft te worden overgelegd.
Hof van Justitie van de EG 14 februari 2008, NJ 2008, 271. M.R. Mok schrijft in zijn noot onder dit arrest dat art. 10 lid laanhef en onder c Wob, waarin een absolute grond tot weigering is opgenomen van bedrijfs- en fabricagegegevens, niet met dit arrest spoort en dat dit onderdeel van lid 1 moet worden overgebracht naar lid 2, het lid dat wel een belangenafweging voorschrijft. Zie ook Rb Den Haag 6 augustus 2009 die als uitgangspunt formuleert dat een aanbestedende dienst gegevens betreffende de gunning van de opdracht niet meedeelt aan derden indien openbaarmaking van die gegevens de toepassing van de Raamwet EEG-voorschriften aanbestedingen in de weg zou staan, in strijd zou zijn met het openbaar belang, de rechtmatige commerciële belangen van ondernemers zou kunnen schaden of afbreuk zou kunnen doen aan de eerlijke mededinging tussen de deelnemers, aldus art. 41 lid 5 van het tussen partijen geldende Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten. Dit uitgangspunt geldt niet indien verzoeker voldoende aannemelijk maakt dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de beoordeling van de aanbestedende dienst onjuist is. Rb Leeuwarden 14 september 2009, BJ8523 oordeelt in een zaak waarin aannemer Dijkstra-Koudum bv van Wetterskip Fryslán inzage vordert in afschriften van financiële bescheiden van DJV, een andere aannemer die net als Dijkstra-Koudum op een aanbestedingsproject had ingeschreven en aan wie het project was gegund, dat de vordering moet worden afgewezen, onder meer omdat Wetterskip Frylán als aanbestedende dienst op grond van art. 2.29.9 ARW 2005 geen informatie openbaar dient te maken die de rechtmatige commerciële belangen van een inschrijver zou kunnen schaden. De informatie waarvan inzage wordt gevorderd is zeer concurrentiegevoelig en bekendmaking daarvan zou afbreuk doen aan de commerciële belangen van DJV. Verder is de eerlijke mededinging erbij gebaat dat inschrijvers niet op de hoogte zijn van het marktgedrag van hun concurrenten.
Rb Zutphen 20 augustus 2008, JAR 2008, 255.
H.A. Dragstra, de exhibitieplicht in het arbeidsrecht, Tijdschrift Recht en Arbeid 2009, afl. mei 2009, p. 17. Ik wijs verder op HR 10 april 2009, BG9470 waaruit kan worden afgeleid dat een enkele overeengekomen geheimhoudingsplicht nog niet de conclusie wettigt dat er een bewijsuitsluitingsovereenkomst is gesloten.
De parlementaire geschiedenis maakt niet veel woorden vuil aan de vraag wat er wordt bedoeld met 'gewichtige redenen'. De minister verwijst slechts naar art. 22 Rv waar deze woorden ook zijn vermeld. In de Memorie van Toelichting bij dat artikel verwijst de minister ter zake de woorden 'gewichtige redenen' naar art. 8:29 Awb. Hij vermeldt verder dat een weigering door de rechter om zo'n bevel te geven bijvoorbeeld kan zijn gegrond op het feit dat inzage wordt verzocht in vertrouwelijke medische informatie.1 Bij Nota stelt de minister dat bij het criterium gewichtige redenen in de eerste plaats gedacht moet worden aan vertrouwelijke gegevens zoals gegevens betreffende seksuele geaardheid, medische status of financiële positie. Ook kan het gaan om vertrouwelijke bedrijfsgegevens.2 Meer wordt over deze woorden niet vermeld. Ook de literatuur heeft weinig aandacht aan dit lid besteed en volstaat eigenlijk met het noemen van dit rijtje. Ik begin maar met de door de minister genoemde 'financiële positie'. Ik vind dat geen reden van groot gewicht, vooral omdat art. 475g Rv een schuldenaar de verplichting oplegt om aan een deurwaarder, die gerechtigd is tegen hem beslag te leggen, desgevraagd zijn bronnen van inkomsten (dus niet hoeveel hij verdient, maar waar hij inkomen verdient) op te geven. Gelet op dit artikel lijkt de opmerking van de minister dat een financiële positie een gewichtige reden kan opleveren om inzage te verhinderen, wat lichtvaardig gemaakt.
Van der Korst schrijft dat de wetgever met deze gewichtige redenen oog heeft gehad voor bedrijfsgeheimen.3 Het moet een partij zijn toegestaan om haar bezwaren tegen inzage aan een ander gemotiveerd ter kennis van de rechter te brengen. Bedrijfsgeheimen behoren geheim te blijven.
Volgens Ekelmans is uitgangspunt bij de vraag of iets een gewichtige reden is, dat een procespartij niet zonder meer kan weigeren informatie te verstrekken. Ook het grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer staat niet zonder meer aan het geven van informatie in de weg. Bij de beantwoording van de vraag of een inbreuk op die levenssfeer mag worden gemaakt, moet een belangenafweging worden gemaakt, waarbij soms het privacybelang het onderspit delft.4
Jansen is van mening dat de belangenafweging die de Hoge Raad toepast bij de vraag of iemand een verschoningsrecht heeft, en wel of het belang van de waarheidsvinding moet wijken voor het belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking tot deze bepaalde adviseur moet kunnen wenden, ook hier moet worden toegepast.5 Ik vind dat te zwaar. Het professioneel verschoningsrecht dient een beperkt recht te blijven voor enkele beroepsgroepen die bij voorkeur door de wetgever uitputtend zijn opgesomd. Die door Jansen verdedigde belangenafweging past ook niet goed in een voorbeeld dat de minister heeft gegeven. Zo is de minister van mening dat de financiële positie van iemand een zwaarwichtige reden kan zijn,6 hetgeen, waar wij geen bankgeheim kennen, toch geen vanzelfsprekende opmerking is.
In de jurisprudentie zijn enige uitspraken te vinden die via analogie bruikbaar kunnen zijn. In HIR 11 september 1998, NJ 1999, 664 had een ziektekostenverzekeraar die de door haar betaalde kosten wilde verhalen op twee aansprakelijke artsen waartegen een strafrechtelijk onderzoek was ingesteld, het strafdossier overgelegd. De twee artsen verzetten zich tegen die overlegging omdat door deze overlegging hun recht op privacy was geschonden. De artsen hadden geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd om die stelling te staven en de Hoge Raad is van oordeel dat, voor zover de overlegging van het dossier al als een inbreuk op hun privacy is te beschouwen, het belang van de artsen bij bescherming van hun privacy moet wijken voor het belang van de verzekeringsmaatschappij dat in de procedure de waarheid van de door haar gestelde feiten komt vast te staan.7
In het arrest Lightning Casino-Nederlandse Antillen8 heeft de Hoge Raad geen antwoord gegeven op de vraag wat onder gewichtige redenen valt. De Hoge Raad heeft wel geoordeeld dat het enkele feit dat de rechter in het kader van een procedure tot openbaarmaking van stukken heeft geoordeeld dat het stuk niet openbaar gemaakt hoeft te worden, niet voldoende is om al tot de conclusie te komen dat er sprake is van een zwaarwichtige reden. Vranken breekt in zijn noot onder dit arrest een lans voor wetgeving waarin duidelijk wordt geregeld in welke gevallen bepaalde bescheiden niet ter inzage verstrekt hoeven te worden. Hij is van mening dat niet kan worden volstaan met een dergelijke materiële norm voor het recht op geheimhouding, maar dat er ook een procedure moet komen waarin uiteindelijk de rechter de gegrondheid van het beroep beoordeelt. Dat laatste is (nog steeds) niet door de wetgever verzorgd, maar door de Hoge Raad met de uitspraak Lightning Casino. Opvallend is dat er buiten Vranken in zijn noot in de NJ, niet of nauwelijks op dit arrest is gereageerd.9 Dat is eens te meer merkwaardig omdat in de jurisprudentie de problematiek wel aan de orde is geweest.
Zo vordert Leisureplan dat de rechtbank Zutphen de Rabobank veroordeelt om, onder meer, correspondentie af te geven die was gewisseld tussen enerzijds notarissen en advocaten en anderzijds hun cliënten en voorts gespreksverslagen van deze functionarissen en hun cliënten. De rechtbank oordeelt dat inzage niet verstrekt hoeft te worden, omdat aan het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot deze functionarissen kan wenden, ernstig afbreuk zou worden gedaan indien er een verplichting zou bestaan tot openbaarmaking van deze correspondentie en gespreksverslagen.10 De uitspraak is gewezen met toepassing van het recht van voor 1 januari 2002, doch het lijkt waarschijnlijk dat de rechtbank met deze overweging lid 4 van het nieuwe art. 843a Rv voor ogen heeft gehad. Ik ben het eens met deze overweging. Er komt immers niet veel terecht van de geheimhoudingsplicht en van het verschoningsrecht indien een partij kan worden veroordeeld om correspondentie die zij met advocaten of notarissen heeft gevoerd, ter inzage te geven.11 Indien de 'financiële positie' volgens de minister een voorbeeld kan zijn van een gewichtige reden die inzage kan voorkomen zal, indien inzage wordt gevorderd in een briefwisseling met een geheimhouder, die geheimhoudingplicht ook een dergelijke gewichtige reden moeten zijn.
De drie hiervoor door de minister genoemde voorbeelden (seksuele geaardheid, medische status of financiële positie) lijken overigens niet goed te passen in de opvatting van de minister zoals hij deze uitte in het kader van het in 1988 vernieuwde bewijsrecht. Toen werd namelijk de vraag onder ogen gezien of een partijgetuige een verschoningsrecht moest toekomen12 Deze vraag werd ontkennend beantwoord omdat er slechts sprake zou zijn van een conflict tussen de plicht de waarheid te spreken en het directe eigen belang om de procedure te winnen. Er werd dus expliciet geweigerd om de partijgetuige een verschoningsrecht te geven. Enkele jaren later worden er door de minister voorbeelden gegeven van gebieden waarop een procespartij geen inzage hoeft te verstrekken terwijl diezelfde partij, als zij als getuige wordt gehoord, de vragen die worden gesteld die betrekking hebben op deze gebieden, wel moet beantwoorden. Indien het vonnis van de rechtbank Zutphen een voorbode is, lijkt de rechtspraak aldus tot een soort verschoningsrecht te komen dat de minister in 1988 nog stellig afwees.13
Linssen schrijft dat het beroep op gewichtige redenen, zoals het risico van openbaring van bedrijfsgeheimen, goed gemotiveerd moet zijn wil het kunnen slagen. Hij raadt degene die dit beroep doet, aan om oplossingen voor te stellen waarbij de andere partij niet in de kou blijft staan, terwijl de geheimen gewaarborgd blijven. Zo zou iemand die tot geheimhouding verplicht is, kunnen worden aangewezen om de informatie te bekijken en verslag te doen.14
Het hof Den Haag overweegt in het Pacelli-arrest15 dat Visser BV (de schadeveroorzaker en verzekerde) en Gebr. Sluyter BV (de verzekeringsmakelaar van Visser BV) de verzekeringspolis van Visser BV moeten afgeven aan de benadeelde en dat de door de verzekerde genoemde belangen, waaronder het privacybelang en de bescherming van haar concurrentiepositie, onvoldoende zwaarwegend zijn om aan toewijzing van de vordering in de weg te staan. Nadere motivering ontbreekt terwijl die wel gewenst is gelet op het grote belang van de concurrentiepositie. Dit belang kan eventueel in het oog worden gehouden door een bijzondere wijze van inzage te gelasten, doch het arrest zoals gepubliceerd houdt daarover niets in.16
Het hof Den Bosch wijst de vordering tot afgifte van de bijlagen bij een intern memo van en aan medewerkers van Rockwool-Grodan af, aangezien het kennelijk gaat om stukken betreffende afwegingen tussen bedrijfsgenoten ter voorbereiding van de verdediging naar aanleiding van de aansprakelijkheidstelling door Jongerius. Geen van deze bijlagen heeft kennelijk enige externe dienst gedaan. Iedere partij heeft een eigen recht om haar verdediging in vrijheid en beslotenheid voor te bereiden.17 Een verwijzing naar lid 4 wordt niet gegeven, maar het kan niet anders of dit moet de grondslag voor de afwijzing zijn geweest. Terecht, lijkt mij.18
Er is evenmin sprake van een gewichtige reden indien het verzoek in potentie leidt tot een grote administratieve verzwaring. In de Dexia-zaken (zie hoofdstuk 13) voerde Dexia aan dat het verstrekken van inzage in de klantendossiers, gelet op de vele klanten die zij had, tot hoge financiële lasten zou leiden. Terecht oordeelt onder meer de rechtbank Den Haag dat een dergelijk feit voor risico komt van Dexia.19
Een gedaagde in een procedure tot inzage die aanvoert dat hij bij een veroordeling tot verstrekking van inzage zal handelen in strijd met zijn contractuele geheimhoudingsplicht, moet dat verweer in elk geval toelichten door de inhoud van die geheimhoudingsplicht te vermelden en zal tevens moeten stellen dat de persoon die de betreffende plicht heeft bedongen, nog aanspraak op die geheimhouding maakt.20
In het begin van deze paragraaf is vermeld dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het begrip gewichtige redenen in art. 22 Rv dezelfde inhoud heeft als dit begrip in lid 4 van art. 843a Rv. Om die reden verdient HR 11 juli 2008 hier vermelding.21 In dat arrest overweegt de Hoge Raad dat onder meer uit art. 22 Rv blijkt dat de op partijen rustende verplichting om in het kader van een civiele procedure inlichtingen te verstrekken dan wel stukken over te leggen, niet onder alle omstandigheden geldt. 'Gewichtige redenen', aldus de Hoge Raad,
`kunnen een weigering van een partij om aan die verplichting te voldoen rechtvaardigen. Voor dit laatste is het bestaan van een wettelijke verplichting van deze partij tot geheimhouding van de van haar verlangde inlichtingen of stukken, op zich zelf niet voldoende, omdat slechts van gewichtige redenen sprake kan zijn indien in de concrete omstandigheden van het geval de belangen waarop de geheimhoudingsplicht ten aanzien van de verlangde inlichtingen of stukken zich in het bijzonder richt, zwaarder wegen dan het zwaarwegende maatschappelijk belang dat in rechte de waarheid aan het licht komt.'
Mede uit Lightning Casino c.s.- de Nederlandse Antillen en De Telegraaf — BVD/ AIVD22 blijkt dat er gevallen kunnen zijn waarin ten behoeve van de motivering van de stelling dat er sprake is van gewichtige redenen, informatie verstrekt moet worden waarvan een partij nu juist vindt dat dit geheim moet blijven. In een dergelijk geval valt niet uit te sluiten dat alleen de rechter inzage heeft in de betreffende bescheiden teneinde te beoordelen of er inderdaad sprake is van een gewichtige reden. Zoals hiervoor in hoofdstuk 9 is vermeld, brengen de eisen van een behoorlijke rechtspleging met zich dat de rechter die over de gewichtige redenen heeft geoordeeld, geen verdere beslissing in dezelfde zaak meer neemt indien:
Hij heeft beslist dat een partij niet verplicht is om inzage te verschaffen waarna de partij die de stukken in bezit heeft niet meedeelt dat met het oog op de beoordeling van de inleidende vordering uitsluitend de rechter inzage mag hebben;
De wederpartij geen toestemming geeft dat enkel de rechter de betreffende stukken mag inzien bij de beoordeling omdat er gewichtige redenen zijn;
De rechter heeft geoordeeld dat er geen gewichtige redenen zijn voor de inzageweigering, maar de betrokken partij volhardt in haar weigering tot inzage.
Bij deze problematiek moet wel de juiste processuele volgorde in acht worden genomen. Een wederpartij hoeft niet eerder toestemming te geven dat enkel de rechter de betreffende stukken mag inzien, dan nadat de rechter heeft geoordeeld dat gewichtige redenen zich tegen inzage door die wederpartij verzetten. Een blanco cheque mag niet worden geëist.
De rechter dient immers in beginsel slechts recht te spreken aan de hand van informatie die bij beide partijen bekend is.23
Op het medische terrein blijkt zich wat dit onderwerp betreft een bijzondere problematiek voor te doen: vele, zo niet alle ziekenhuizen doen aan intern onderzoek waarbij, kort gezegd, de ene collega een door een andere collega gemaakte fout (en ook een eigen fout veronderstel ik) kan melden. Er vindt dan onderzoek plaats, maar de resultaten daarvan blijven intern. In in elk geval twee gevallen hebben patiënten of familieleden van patiënten getracht inzage in die onderzoeksresultaten te krijgen. In de eerste zaak vordert X in kort geding veroordeling van de Usselmeerziekenhuizen om hem afschrift te verschaffen van alle `feitenrelazen' die zijn opgemaakt in het kader van het door de ziekenhuizen gehouden interne onderzoek naar aanleiding van het overlijden van zijn vrouw na een operatie in de Usselmeerziekenhuizen.24 De ziekenhuizen weigeren om X inzage te geven in de verslaglegging van het interne onderzoek omdat dit onderzoek is verricht door de Melding Incidenten Patiëntenzorg Commissie (MIP-cie) en vertrouwelijk is. Gewichtige redenen zouden zich verzetten tegen inzage gelet op de aard van het meldingssysteem. Voor het goed functioneren van dit systeem is het van cruciaal belang dat hulpverleners veilig kunnen melden. Een instelling moet kunnen garanderen dat informatie uit het meldingssysteem niet aan derden wordt verstrekt zodat de melder niet bang hoeft te zijn dat op basis van de melding maatregelen tegen hem worden genomen. Ter toelichting hebben de ziekenhuizen een brief overgelegd van de Inspectie voor de gezondheidszorg die voorstander is van een systeem waarin zorgverleners 100% veilig incidenten kunnen melden. De rechtbank oordeelt dat vaststaat dat er sprake is van een calamiteit terwijl evenmin is betwist dat het operatieverslag dermate summier was dat op basis daarvan geen conclusies konden worden getrokken en dat onder die omstandigheden het belang van de melder om niet bang te hoeven zijn minder zwaar weegt dan het belang van X om op de hoogte te raken van de feiten.
Het hof Leeuwarden overweegt in een zaak waarbij een geopereerde uit de operatie ontwaakte met een oogbolperforatie en ex art. 843a Rv inzage wenste in de MIP-melding, dat dit verzoek moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria die de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 15 oktober 1999, NJ 2001, 42.25 Het hof overweegt vervolgens dat met het effectief uitoefenen van de mogelijkheid tot het anoniem doen van een MIP-melding zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn gemoeid, dat er een gerede mogelijkheid bestaat dat zonder het aanvaarden van een geheimhoudingsplicht en het daarop te baseren recht de melding niet over te leggen, genoemde maatschappelijke belangen aanmerkelijk zouden kunnen worden geschaad. Het belang van de individuele rechtzoekende op de waarheidsvinding in zijn zaak moet hiervoor wijken. Een beslissing zoals de geopereerde wenst, levert derhalve op termijn alleen maar verliezers op zodat het belang van de geopereerde moet wijken.26 Ik heb moeite met deze uitspraak. Ten eerste zijn toekomstige rechtzoekenden ook niet geholpen omdat de melding immers geheim blijft en het maar de vraag is of het ziekenhuis wel stappen onderneemt ter voorkoming van soortgelijke fouten. Ten tweede lijkt mij juist het concrete belang van de patiënt om te weten of er een fout is gemaakt zwaarder te wegen bij deze, uiteindelijk, gewone civiele overeenkomst, dan een mogelijke kwaliteitsverbetering (die ook nog eens geheim wordt gehouden). Verder ben ik van mening dat deze problematiek op vele werkvloeren speelt, waarmee met deze uitspraak de deur wel erg wijd is open gezet. Ik zie tenminste niet waarom deze redenering niet zou gelden voor bijvoorbeeld een aannemer die een dergelijk meldingssysteem opzet of een autofabriek. Ook daar werken mensen die fouten maken en die fouten kunnen ernstige gevolgen hebben, terwijl ook daar de werknemers die een collega fouten zien maken, liever niet bekend willen worden als zij verklaringen omtrent het slecht presteren van die collega afleggen.
In een Belgische zaak wenst Varec SA, een aannemer aan wie de opdracht niet werd gegund, in een procedure tegen de Belgische staat, alle door de aannemer aan wie wel werd gegund, Diehl, ingebrachte stukken in te zien. Diehl geeft de Belgische staat geen toestemming om Varec al haar stukken te laten inzien, omdat er volgens haar onder meer bedrijfsgeheimen in haar offerte waren opgenomen. Het Hof van Justitie overweegt dat het recht op bescherming van vertrouwelijke gegevens in wezen een materieel recht is, ook al kan de toepassing ervan procedurele gevolgen hebben. Uitgangspunt is verder dat de beroepsinstantie die dient te oordelen in het kader van een beroepsprocedure aangaande het plaatsen van een overheidsopdracht, moet kunnen beslissen dat informatie die is vervat in het dossier betreffende een aanbesteding, niet aan partijen en hun advocaten wordt doorgegeven, indien dit noodzakelijk is om de door het gemeenschapsrecht gewenste bescherming van de eerlijke mededinging of van de rechtmatige belangen van de economische subjecten te verzekeren. Het Hof toetst dit vervolgens aan het volgens het Hof in art. 6 EVRM neergelegde beginsel van hoor en wederhoor. Als gevolg van dit beginsel hebben de procespartijen in de regel het recht kennis te nemen van de bewijzen en de opmerkingen die aan de rechter zijn voorgelegd en hierover hun standpunt kenbaar te maken In bepaalde gevallen kan het evenwel noodzakelijk zijn dat bepaalde gegevens niet aan partijen worden meegedeeld teneinde de fundamentele rechten van een derde te vrijwaren of een belangrijk algemeen belang veilig te stellen. Beroeps- of handelsactiviteiten van een natuurlijke of rechtspersoon kunnen vallen onder het begrip privéleven en kunnen daarmee een fundamenteel recht zijn, terwijl het Hof van Justitie de bescherming van zakengeheimen als algemeen beginsel heeft erkend. Verder is het behoud van een eerlijke mededinging in het kader van procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten een belangrijk algemeen belang, dat beschermingswaardig is. In dit kader impliceert, aldus het Hof van Justitie, het beginsel van hoor en wederhoor voor partijen derhalve niet het recht op onvoorwaardelijke en onbeperkte toegang tot alle bij de voor de beroepsprocedure verantwoordelijke instantie ingediende gegevens betreffende de aanbestedingsprocedure.
`Het beginsel van bescherming van vertrouwelijke gegevens en van zakengeheimen moet aldus worden toegepast dat het zich verdraagt met de vereisten van een effectieve rechtsbescherming en met de eerbiediging van het recht van verweer van de procespartijen ... en, ... dat de procedure op alle onderdelen het recht op een eerlijk proces eerbiedigt. Daartoe moet de voor de beroepsprocedure verantwoordelijke instantie noodzakelijkerwijs kunnen beschikken over de informatie, daaronder begrepen de vertrouwelijke informatie en de zakengeheimen, die vereist is om met volledige kennis van zaken uitspraak te kunnen doen. ... Gezien de bijzonder ernstige schade die uit de onrechtmatige mededeling van bepaalde informatie aan een concurrent kan voortvloeien, moet voornoemde instantie, alvorens deze informatie mede te delen aan een procespartij, het betrokken economische subject de mogelijkheid geven zich erop te beroepen dat de informatie een vertrouwelijk karakter heeft of een zakengeheim uitmaakt.'
Het Hof van Justitie concludeert dat het vertrouwelijke of geheime karakter van bepaalde gegevens moet worden geëerbiedigd, maar rekening houdend met het vereiste van effectieve rechtsbescherming waarbij het aan de nationale instantie is om een en ander tegen elkaar af te wegen.27
De Stichting Philadelphia heeft een werknemer na een onderzoek als disciplinaire maatregel overgeplaatst. Van het onderzoek is een rapport opgemaakt, waarin de werknemer inzage krijgt. De werknemer wenst ook inzage in de door de onderzoeker opgemaakte verslagen van de gesprekken die de onderzoeker heeft gevoerd met zijn collega's. De Stichting weigert dit. De werknemer vordert in kort geding inzage in die gespreksverslagen. De rechtbank is van oordeel dat het belang van Philadelphia, die in een protocol heeft vastgelegd dat betrokkenen in het kader van een onderzoek naar grensoverschrijdend gedrag op vertrouwelijkheid van de door hen gegeven informatie mogen rekenen, groter is dan het belang van de werknemer om zijn kansen te kunnen inschatten op winst in een procedure waarin hij terugkeer naar zijn oude werkplek vordert. Het is namelijk aannemelijk dat zonder die garantie werknemers niet snel genegen zullen zijn om grensoverschrijdend gedrag aan de kaak te stellen, met als gevolg dat ongewenste omgangsvormen blijven voortbestaan.28 De rechtbank gebruikt de woorden 'zwaarwichtige redenen' niet, maar het kan niet anders of zij heeft aan deze redenen getoetst. Ik vind dit door de rechtbank geschetste werkgeversbelang niet zwaarwichtig genoeg. In deze zaak geeft de werkgever al een toezegging aan informanten/getuigen/collega' s dat hun anonimiteit gewaarborgd is zonder dat is gebleken van enige steekhoudende reden daartoe. Indien er geen aanwijzingen bestaan dat de collega over wiens grensoverschrijdend gedrag wordt verklaard, gewelddadig of iets dergelijks wordt, mag geen toezegging tot geheimhouding gedaan worden. Ook Dragstra is die mening toegedaan. Hij vindt dat in dit soort gevallen de werkgever geen geheimhouding mag toezeggen. Door deze toezegging moet de werknemer namelijk via dure en tijdrovende getuigenverhoren achter de inhoud van de gespreksverslagen komen, terwijl de gedachtegang van de rechtbank de deur openzet voor ongecontroleerde afrekening van collega's door collega's, beschermd door vertrouwelijkheid.29 De rechtbank overweegt in deze zaak verder nog dat voor het oordeel dat sprake is van gewichtige redenen die zich tegen inzage verzetten, redengevend is dat de werknemer niet volledig afhankelijk is van de inhoud van bedoelde verklaringen om de gegrondheid van de redenen die aan zijn overplaatsing ten grondslag liggen te kunnen onderzoeken. De werknemer kan immers, met het oog op een eventuele procedure tegen Philadelphia, een verzoek indienen tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Dit is een onjuiste overweging: de rechtbank is van oordeel dat gewichtige redenen zich tegen inzage verzetten omdat de werknemer langs een andere weg aan de informatie kan komen. Hiermee worden twee zelfstandige criteria ten onrechte met elkaar verweven. Indien er immers een zwaarwichtige reden is om inzage te weigeren, mag het niet zo zijn dat iemand via een andere weg, maar uit dezelfde bron (dezelfde werknemer(s)) wel aan die informatie kan komen. Het kan niet zo zijn dat ter bescherming van de pratende werknemer de overgeplaatste werknemer de gespreksverslagen niet mag inzien, terwijl diezelfde pratende werknemer als getuige verplicht is om antwoord te geven. De twee criteria van lid 4 zijn zo verschillend dat ter motivering van de aanwezigheid van het ene criterium niet gewezen mag worden op het andere criterium.
Uit de hiervoor weergegeven literatuur en jurisprudentie laat zich niet een goed te hanteren omschrijving formuleren. Duidelijk is wel dat de belangen op geheimhouding groot moeten zijn voordat tot een afwijzing van een verzoek tot inzage wordt gekomen. Voordat afwijzing in beeld komt, moet allereerst worden gezocht naar wegen om tegemoet te komen aan de wensen van beide partijen. Geheimhouding hoeft niet altijd achterhouden te betekenen, maar kan soms ook worden gewaarborgd door benoeming van een deskundige of door het gedeeltelijk onleesbaar maken van sommige passages. De door de minister genoemde voorbeelden van gewichtige redenen (vertrouwelijke medische informatie en/of medische status, seksuele geaardheid, financiële positie of vertrouwelijke bedrijfsgegevens) worden door de rechtspraak niet zonder meer gehonoreerd.