Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/8.5.2
8.5.2 Rechtvaardiging van de begrenzing
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS588641:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Xynopoulou 2013, p. 138 die betoogde dat in de Duitse doctrine algemeen als vanzelfsprekend wordt aangenomen dat de Schutzzwecklehre ook geldt in het geval van contactuele aansprakelijkheid. Bij de grondleggers van deze contractuele toepassingsmodaliteit in het Duitse recht, Rabel 1936, Lange 1960 en Raiser 1962, en in het hedendaagse handboek over schadevergoedingsrecht van Lange & Schiemann 2003, heb ik geen rechtvaardiging voor het begrenzen van deze aansprakelijkheid aan de hand van het doel van de geschonden norm aangetroffen. Ook in de door mij geraadpleegde Engelse en Amerikaanse literatuur wordt deze begrenzing van contractuele aansprakelijkheid vanzelfsprekend geacht, zie bijvoorbeeld al in de oudere publicaties: Bingham 1909, p. 35, 36; Green 1927, p. 23, 44, 45; en meer recent: Epstein 1991, p. 132; McGregor 2018, nr. 8-160 e.v.; Kramer 2008, p. 277 en Kramer 2017, p. 299 e.v.
Deze gedachte sluit nauw aan bij de leer van Pothier (zie nader nr. 422), wordt ook in buitenlandse literatuur naar voren gebracht (nr. 423) en ook diverse Nederlandse auteurs hebben hierop gewezen (zie nader nr. 425).
417. Dat de aansprakelijkheid wegens het door de schuldenaar tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit overeenkomst niet verder dient te reiken dan de met de verplichting beoogde bescherming spreekt mijns inziens vrijwel vanzelf.1 Het is niet eenvoudig om dit te rationaliseren. Misschien kan men het beste het volgende zeggen. Partijen verbinden zich door het sluiten van een overeenkomst doorgaans tot méér dan hetgeen waartoe eenieder in het maatschappelijk verkeer sowieso gehouden is (het respecteren van subjectieve rechten van anderen en het zich houden aan de wet en het ongeschreven recht). Een schuldeiser heeft eerst aanspraak op een prestatie die uitstijgt boven hetgeen waartoe eenieder in het maatschappelijk verkeer in ieder geval gehouden is, indien dat is overeengekomen. Zonder die overeenkomst rust het risico van het niet-verkrijgen van die prestatie en de nadelige gevolgen daarvan op de schuldeiser. Dit maakt dat in de overeenkomst de rechtvaardiging moet liggen om deze nadelige gevolgen op de schuldenaar af te wentelen. Wanneer partijen een overeenkomst hebben gesloten om een ander belang van de schuldeiser te dienen dan waarin hij geschaad is, valt niet in te zien waarom de overeenkomst de rechtvaardiging kan bieden om de tekortschietende schuldenaar te verplichten ook dit nadeel te vergoeden. Daarbij is ook van belang dat de schuldenaar, anders dan bij aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, een contractuele verplichting vrijwillig op zich neemt. Mijns inziens zal de schuldenaar alvorens daartoe over te gaan een zekere calculatie maken van de uit de overeenkomst te verwachten voordelen en de vanwege de overeenkomst na te komen verplichtingen en ontstane risico’s. Het zou dan niet redelijk zijn om vervolgens de uit de overeenkomst ontstane verplichtingen ineens een geheel andere betekenis te geven omdat het belang van de schuldeiser op een wijze met de te leveren prestatie verbonden blijkt te zijn geweest die de schuldenaar bij het aangaan van de overeenkomst niet kon verwachten.2