Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.2.5.1
12.2.5.1 Vorm van de mededeling
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940396:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 20 december 1989, BNB 1990/102, r.o. 4.9 en HR 19 december 1990, BNB 1991/176, r.o. 4.9.4. Zie ook paragraaf 12.2.3.1.
Zie bijvoorbeeld HR 25 oktober 2013, V-N 2013/53.5, BNB 2013/253, NTFR 2013/2162.
Zie (expliciet) HR 7 mei 2021, V-N 2021/21.19, BNB 2021/103, r.o. 2.3.2. Zie voorts HR 16 januari 2015, V-N 2015/7.6, BNB 2015/90, FED 2015/23, NTFR 2015/515.
Zie ook HR 10 februari 1993, BNB 1993/183.
HR 10 juni 1992, FED 1992/669, BNB 1992/274, r.o. 3.2. Zie ook HR 6 november 1996, BNB 1997/8.
HR 10 juni 1992, FED 1992/669, BNB 1992/274, r.o. 3.2, HR 10 februari 1993, BNB 1993/138, r.o. 3.21.
Ook het EHRM leest daarin geen bijzondere vormvoorschriften, zie EHRM 25 maart 1999 (Pélissier en Sassi/Frankrijk), nr. 25444/94, Reports of Judgments and Decisions 1999-II, par. 53. Feteris meent dat dit onder omstandigheden (een uitgebreide of gecompliceerde aanklacht) anders kan zijn, zie Feteris 2007, p. 369. Die benadering past in de lijn van het EHRM: in EHRM 18 oktober 2006, nr. 18114/02 (Hermi), par. 68 merkt het EHRM op dat art. 6 lid 3 onder a EVRM weliswaar niet vereist dat de mededeling schriftelijk moet plaatsvinden, maar dat de aanklacht vanwege de cruciale rol in de procedure wel bijzondere aandacht verdient.
Aldus ook Wattel in zijn noot bij HR 10 juni 1992, FED 1992/669 (punt 1), die voor een voorbeeld van bewijsproblemen verwijst naar Hof Den Haag 18 juni 1992, FED 1992/630.
Par. 11 lid 2 BBBB. Zie voorts art. 5:53 Awb juncto art. 67pa AWR en par. 12 BBBB. Uit de wetsgeschiedenis van art. 5:48 Awb blijkt, dat de Awb-wetgever het rapport ziet als een manier om te voldoen aan de mededelingsplicht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 147). Zie over de kennisgeving vooraf nader paragraaf 12.2.7.3.
HR 7 mei 2021, V-N 2021/21.19, BNB 2021/103, r.o. 2.3.1.
Hof ’s-Hertogenbosch 2 juni 1995, V-N 1996, p. 1817, r.o. 3.2.
De Hoge Raad heeft in de kernarresten aangegeven dat de mededeling kan worden gedaan op het aanslagbiljet ‘dan wel op andere wijze’.1 Dat kan dus bijvoorbeeld in een afzonderlijke brief,2 in een controlerapport3 of in een gesprek: de mededeling is vormvrij.4 Het is bovendien niet van belang dat de mededeling wordt gedaan door een andere belastingambtenaar dan degene die de boete uiteindelijk oplegt, mits de mededeling en de boete maar op elkaar aansluiten.5 De controleur kan de mededeling dus opnemen in het controlerapport, waarna de inspecteur de boete overeenkomstig die mededeling oplegt. Ook tegen mondelinge mededeling bestaat op zichzelf geen bezwaar.6 Dat is niet in strijd met art. 6 lid 3 onder a EVRM.7 De fiscale wetgeving biedt de inspecteur ook inderdaad de ruimte om de mededeling van de gronden op andere wijze te doen.8 Wel moet daarbij worden aangetekend dat inspecteurs er ter voorkoming van bewijsproblemen uiteraard verstandiger aan doen hun mededelingen schriftelijk te doen.9 Precies om die reden schrijft het BBBB dat bij vergrijpboetes ook voor.10
Het BBBB staat onder omstandigheden toe dat wordt verwezen naar de kennisgeving vooraf die bij vergrijpboetes in de vorm van een rapport ex art. 5:48 Awb wordt gegeven.11 Daartegen bestaat in het licht van het voorgaande geen bezwaar: ook dan zijn de gronden immers reeds ‘op andere wijze’ medegedeeld. De Hoge Raad heeft in 2021 expliciet bevestigd dat met een rapport ex art. 5:48 Awb als regel aan de mededelingsplicht wordt voldaan.12
Een mededeling ‘op andere wijze’ kan ook in meer exotische gevallen aan de orde komen, bijvoorbeeld wanneer de inspecteur genoodzaakt is om een tweede navorderingsaanslag met boete op te leggen, omdat hij bij het opleggen van de eerste een fout heeft gemaakt. Als de aard en reden van de beschuldiging ten tijde van het opleggen van de eerste boete juist en volledig waren medegedeeld, is de boeteling reeds op de hoogte van de gronden waarop ook de tweede boete berust en kan de inspecteur daar naar verwijzen.13