Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/3.4.3.2:3.4.3.2 Recommendation ‘Consistency in sentencing’
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/3.4.3.2
3.4.3.2 Recommendation ‘Consistency in sentencing’
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS466902:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1992 heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa een aantal aanbevelingen gedaan voor het vergroten van de uniformiteit van bestraffing in de Recommendation ‘Consistency in sentencing’.1 Aanleiding voor deze aanbevelingen was dat er onverklaarbare verschillen ‘at different levels’ waren in de wijze van straftoemeting in en tussen de verschillende lidstaten.
De Raad stelt in de preambule van de Recommendation het volgende:
“Taking into account Articles 3, 5 and 6 of the Convention on the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms and also the fundamental principle of the independence of the judiciary […] Recommends that the governments of the member states, while taking into account their own constitutional principles and legal traditions, and in particular the independence of the judiciary, take appropriate measures […] to avoid unwarranted disparity in sentencing.”2
De Raad maakt dus duidelijk dat straftoemeting een aangelegenheid is die onder het ‘fair trial’-beginsel van artikel 6 EVRM valt. Aangezien de Nederlandse rechter van alle fiscale bestuurlijke boeten heeft bepaald dat deze ‘criminal charges’ in de zin van artikel 6 van het EVRM vormen, mag aangenomen worden dat het gedachtegoed van het Comité van Ministers van de Raad van Europa ten aanzien van straftoemeting eveneens betrekking heeft op het Nederlandse fiscale boeterecht.
Voor wat betreft de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht vermelden de aanbevelingen dat dit een fundamenteel basisbeginsel is voor een rechtvaardige straftoemetingspraktijk. Daarom zou verwacht mogen worden dat een dergelijk belangrijk beginsel – ondanks het feit dat het bestuur niet als een onafhankelijke gerechtelijke instantie is aan te merken – in normatief opzicht ook doorwerkt naar het nationale bestuurlijke boeterecht, al dan niet op aangeven van de bestuursrechter.