Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/11.6
11.6 Hoe zou het verzoekschrift moeten worden ingericht (vraag 5)?
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85873:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 december 2010, NJ 2011/213, m.nt. W.J.M. van Veen, JOR 2011/42, m.nt. J.M. Blanco Fernández, Ondernemingsrecht 2011/22, m.nt. P.M. Storm, r.o. 4.5.2 (KPNQwest).
HR 30 maart 2007, NJ 2007/293, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/138, m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2007/111, m.nt. P.G.F.A. Geerts, r.o. 4.4 (ATR Leasing).
Hoewel de verzoekschriftprocedure en de dagvaardingsprocedure steeds meer naar elkaar zijn toegegroeid (vide Vrankens noot, onder 3, bij HR 31 maart 2000, NJ 2000/497, m.nt. J.B.M. Vranken (NS); Snijders, Klaassen en Meijer, op. cit., p. 334), zijn er nog steeds een aantal relevante verschillen aan te wijzen, namelijk dat de eerstbedoelde procedure (i) informeler, sneller, efficiënter en goedkoper is, (ii) de rechter in diverse opzichten meer vrijheid biedt, (iii) de waarborg biedt dat met de belangen van derden zoveel mogelijk rekening wordt gehouden en (iv) biedt belanghebbenden (ruime) mogelijkheden om voor hun belangen op te komen; vide Vrankens noot, onder 3, bij HR 31 maart 2000, NJ 2000/497, m.nt. J.B.M. Vranken (NS); De Mol van Otterloo, op. cit., p. 177; conclusie, onder 3.3, van A-G Timmerman bij HR 8 april 2005, NJ 2006/443, m.nt. G. van Solinge, JOR 2005/119, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2005/98, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Laurus); Cools et al., op. cit., p. 24; C.J.M. Klaassen, ‘De Ondernemingskamer uitgelicht’, in: Geschillen in de vennootschap. Voordrachten en discussieverslag van het gelijknamige congres van het Van der Heijden Instituut op vrijdag 13 en zaterdag 14 november 2009, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 105, Deventer: Kluwer 2010, p. 112; G. van Solinge, ‘Geschillen in de vennootschap’, in: Geschillen in de vennootschap. Voordrachten en discussieverslag van het gelijknamige congres van het Van der Heijden Instituut op vrijdag 13 en zaterdag 14 november 2009, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 105, Deventer: Kluwer 2010, p. 10; Snijders, Klaassen en Meijer, loc. cit.; Buijn en Storm, op. cit., p. 980; B. Kemp, ‘De enquêteprocedure als verzoekschriftprocedure en het kort geding als dagvaardingsprocedure, de verschillen en onderlinge verhouding’,MvO 2015, nr. 3/4, p. 67 en 72; Storm 2018, op. cit., p. 70. Van der Korst en Wassenaar stelden voor de enquêteprocedure om te zetten in een dagvaardingsprocedure; vide P.J. van der Korst en I. Wassenaar, ‘Maak van de enquêteprocedure een dagvaardingsprocedure’, in: K.M. van Hassel en M.P. Nieuwe Weme (red.), Willems’ wegen. Opstellen aangeboden aan prof. mr. J.H.M. Willems ter gelegenheid van zijn terugtreden als voorzitter van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 102, Deventer: Kluwer 2010, p. 249-255. Buijn en Storm, op. cit., p. 980 (voetnoot 24) en Storm 2014a, op. cit., p. 53 (voetnoot 11) merkten op dat hoewel de argumenten van Van der Korst en Wassenaar op zich valabel zijn, tot (oktober) 2013 hun voorstel weinig (‘zonder veel’) bijval heeft gekregen. Nadien ook niet. Tegen de achtergrond van de hierboven genoemde verschillen zie ik onvoldoende aanleiding om van de onderzoeksprocedure een dagvaardingsprocedure te maken.
Cf. HR 23 maart 2012, NJ 2012/393, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2012/141, m.nt. M.W. Josephus Jitta en T. Barkhuysen, r.o. 4.1.3 (e-Traction). Vide ook de conclusie, onder 3.3, van A-G Timmerman bij HR 8 april 2005, NJ 2006/443, m.nt. G. van Solinge, JOR 2005/119, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2005/98, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Laurus) en de door hem in voetnoot 19 aangehaalde bronnen.
Hof Amsterdam (OK) 24 november 2008, JOR 2009/9, m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2009/13, m.nt. S.M. Bartman, r.o. 3.17 (Fortis).
De Ondernemingskamer zou, alvorens daartoe over te gaan, de verzoeker in de gelegenheid kunnen stellen het verzuim te herstellen, dit al dan niet naar analogie van art. 281, eerste lid, Rv. Vide hieromtrent ook E.L. Schaafsma-Beversluis, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 278, aant. 10.
A.I.M. van Mierlo, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 278 Rv, aant. 5a.
Maar vide voetnoot 116 supra.
Cf. E.L. Schaafsma-Beversluis, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 278 Rv, aant. 9.
Cf. § 2.4.
De Ondernemingskamer mag niet – ook niet met het oog op het algemeen belang of de belangen van derden – ambtshalve een onderzoek gelasten;1 daartoe dient een verzoek te worden gedaan.2 De enquêteprocedure wordt bijgevolg ingeleid met een verzoekschrift.3 Op een concernenquêtezaak zijn, lijkt mij, de bepalingen van de verzoekschriftprocedure (art. 261et seq. Rv) eveneens van toepassing, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit dan wel niet anders aangegeven is.4
Volgens het huidige recht dient de enquêteverzoeker, als hij de facto een (Nederlands) concern voorwerp van onderzoek wil maken, in zijn verzoekschrift alle groepsmaatschappijen te identificeren. Illustratief daarvoor is de eerderbehandelde Fortis-zaak, waarin het onderzoek louter Fortis N.V. betrof nu, voor zover hier van belang en kort gezegd, in het petitum van het verzoekschrift werd verzocht om een onderzoek bij die vennootschap en de met haar in een groep verbonden vennootschappen maar het verzoekschrift slechts Fortis N.V. als gerekestreerde vermeldde en als zodanig niet gericht was tegen die andere vennootschappen.5 Ofschoon vanuit een concernperspectief deze inrichting van het verzoekschrift mij wel aanspreekt, zou ik nog een stapje verder willen gaan. Naar wenselijk recht kan een concern als zodanig de iure voorwerp van onderzoek worden. Het verzoekschrift dient dan ook gericht te zijn op, bijvoorbeeld, het Fortis-concern; dat is de gerekestreerde (vide nader § 11.7). Voor de (statutaire) woonplaats kan er worden aangesloten bij die van (een van) de moedermaatschappij(en). In het petitum wordt verzocht om het bevelen van een onderzoek bij het Fortis-concern. Deze zal ergens in het verzoekschrift moeten worden gedefinieerd, bijvoorbeeld: Fortis N.V. en alle met haar in een groep verbonden vennootschappen.
Krachtens art. 278 Rv dient het verzoekschrift een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust te vermelden. Zulks betekent in dit verband dat de verzoeker – op straffe van niet-ontvankelijkheid –6 zal moeten stellen dat en waarom, onder aanvoering van redengevende feiten en omstandigheden, er gegronde redenen zijn om aan de juistheid van het beleid en/of de gang van zaken van het te enquêteren concern te twijfelen. Hierin ligt besloten dat hij ter schraging van die stelling concrete – van toelichting voorziene – bezwaren/argumenten/gronden/ verwijten dient aan te voeren (zijn stelling dient hij van genoegzame stoffering te voorzien); men denke aan een impasse in (de besluitvorming van) een of meer organen van een of meer groepsmaatschappijen of een anderszins disfunctioneren ervan, een schending van binnen- of buitenlandse, al dan niet civiele, wet- en/of regelgeving en/of statutaire bepalingen, een (dreigende) deconfiture, het ongerechtvaardigd oppotten van dividend en een ophanden zijnde materiële liquidatie (tegen onzakelijke voorwaarden en zonder eraan ten grondslag liggende (rechtsgeldige) besluitvorming) van een of meer groepsmaatschappijen.
Deze naar voren gebrachte ‘gronden’ dragen het ‘verzoek’. Ter zake van dat laatste geldt dat uit het verzoekschrift duidelijk zal moeten blijken wat de verzoeker aan de Ondernemingskamer verzoekt.7 In dit verband is dat het benoemen van een of meer personen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van het concern (lees: de moedermaatschappij en alle met haar in een groep verbonden dochtermaatschappijen). Desnodig kan dit verzoek worden aangevuld met een verzoek tot het treffen van een of meer onmiddellijke voorzieningen.
De Ondernemingskamer dient in staat te zijn om – ambtshalve – te kunnen beoordelen, op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting, of (i), in geval van in het buitenland zetelende concerndelen, zij bevoegd is van het verzoek kennis te nemen, (ii) de verzoeker enquêtegerechtigd is en (iii) er sprake is van een ‘groep’ in de zin van de concernenquêteregeling. Het ligt (primair) op de weg van de verzoeker om haar daartoe – op straffe van niet-ontvankelijkheid bij het niet kunnen beoordelen daarvan –8 in staat te stellen door de daartoe strekkende stukken te overleggen.9 Wat het hiervoor onder (iii) genoemde betreft, heeft te gelden dat het (bewijs)vermoeden dat er sprake is van een ‘groep’ in eerderbedoelde zin, in werking treedt indien de enquêteverzoeker aannemelijk maakt dat tussen ‘zijn’ vennootschap en een of meer andere vennootschap (in)direct een 51%-verhouding aanwezig. Alsdan staat vast dat er sprake is van een (rechtens te enquêteren) groep, tenzij de verwerende partij dat – onder aanvoering van redengevende feiten en omstandigheden – weet te ontzenuwen.10