Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/3.4.4:3.4.4 Enquêterecht
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/3.4.4
3.4.4 Enquêterecht
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS604188:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het enquêterecht van Titel 8 Boek 2 BW is bedoeld om aandeelhouders en vakorganisaties via de Ondernemingskamer inzage te verstrekken in het ondernemingsbeleid, om dit zonodig te kunnen corrigeren. Het enquêterecht geldt op grond van art. 2:344 onderdeel a BW ten aanzien van een NV of BV, een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij.
Op basis van art. 2:351 lid 2 BW heeft de Ondernemingskamer de bevoegdheid om ook informatie van een andere rechtspersoon te raadplegen, die ‘nauw verbonden’ is met de rechtspersoon waarop de enquête ziet. De term ‘nauw verbonden’ is niet nader omschreven, maar heeft een obligatoire en met name een operationaliseringsfunctie omdat hij is gericht op een zo volledig mogelijk inzicht in de concernonderneming. Bartman en Dorresteijn (2006) merken op dat de maatschappijen die samen met het subject van de enquête een ‘groep’ in de zin van art. 2:24b BW vormen, in elk geval als ‘nauw verbonden’ moeten worden beschouwd.
Bartman en Dorresteijn beschrijven voorts dat in OK 3 december 1987 (OGEM), WPNR 5863, ten aanzien van het enquêterecht impliciet een concernbenadering als uitgangspunt is genomen, omdat de Ondernemingskamer in deze zaak het gedeelte uit het onderzoeksverslag over een dochtermaatschappij meenam in haar beoordeling. Nadien is de concernrechtelijke uitleg uitdrukkelijk bevestigd in OK 27 april 2000 (Bot Bouw Groep), JOR 2000/127. In vergelijkbare zin is in OK 30 juli 2002 (Janson Holding), JOR 2002/192, een onderzoek bevolen naar alle concernvennootschappen met welke de holding ‘als economische en organisatorische eenheid en onder gemeenschappelijke leiding het concern vormt’. Voorts is in HR 4 februari 2005 (Landis), JOR 2005/58, beslist dat het recht van enquête zich ook uitstrekt over de dochtervennootschappen, omdat de economische werkelijkheid inhield dat Landis en haar drie 100%-dochters samen een ‘economische en organisatorische eenheid’ waren onder een ‘gemeenschappelijke leiding’. Uit deze termen blijkt nogmaals het belang van economische verbondenheid en organisatorische verbondenheid als criteria.