Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.16.4:7.3.16.4 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.16.4
7.3.16.4 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS607812:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naar mijn mening kan in de regeling van art. 20a lid 1 Wet VPB 1969 uit een oogpunt van uniformiteit evengoed de grens van een 33'/3%-belang van art. 10a lid 4 Wet VPB worden gebruikt. Vooral nu met het begrip ‘belang’ precies hetzelfde wordt bedoeld. De term ‘belang’ zou nog wel moeten worden verduidelijkt aan de hand van de contouren, zoals geschetst in paragraaf 7.3.7. Hieraan zou ik nog willen toevoegen dat het gaat om het ‘uiteindelijke belang’. De volledige contourenschets van het begrip ‘belang’ zou dan als volgt luiden:
Er geldt een materieel-economische benadering, waarbij met name belang wordt gehecht aan feitelijke organisatorische en economische verbondenheid. Dat wil zeggen, dat overheersende zeggenschap en een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend op een lichaam. Niet alleen een aandelenbelang vormt een ‘belang’, maar ook andere rechten, zoals zeggenschapsrechten en schuldeisersbelangen, en deelname aan de leiding.
Ten aanzien van een aandelenvennootschap wordt een ‘belang’ aanwezig geacht bij het bezit van 33'/3% van de aandelen in het geplaatste kapitaal en de daaraan verbonden stemrechten.
Hierbij gaat het om het daadwerkelijke ‘belang’, zoals is toegelicht met betrekking tot art. 4 lid 3 WBR. Dat wil zeggen, dat een aandelenbezit dat economisch kan worden gelijkgesteld met een geldlening, zoals preferente aandelen of aandelen zonder stemrecht, geen ‘belang’ vormt. Een aandelenbezit van minder dan 33'/3% kan echter toch een ‘belang’ zijn, indien aan deze aandelen ten minste een derde gedeelte van de zeggenschap is verbonden.
Voorts gaat het om het ‘uiteindelijke belang’, ofwel het belang dat op proportionele basis wordt gehouden door een natuurlijk persoon of lichaam.
De belangen gehouden door de echtgenoot, de geregistreerde partner en iedere andere ‘levensgezel’, kinderen en kinderen van de levensgezel worden meegeteld bij de beoordeling van het verbondenheidsvermoeden.
Certificaten van aandeel en aandelen waarop een pandrecht of vruchtgebruik rust en waarbij het stemrecht nog steeds toekomt aan de aandeelhouder, tellen mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In dit verband tellen ook aandelen mee waaraan financiële instrumenten zijn gekoppeld die potentiële stemrechten bevatten, zoals optierechten en converteerbare instrumenten.
De hiervoor genoemde alternatieve bezitsvormen van aandelen, zoals een pandrecht, recht van vruchtgebruik en optierechten, kunnen zelf ook een ‘belang’ vormen en tellen als zodanig eveneens mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden.
Bovengenoemde veronderstelling van de aanwezigheid van een ‘belang’ op basis van een aandelenbezit dient om duidelijkheid te bieden in ‘standaardsituaties’ ten aanzien van aandelenvennootschappen, waarin bijvoorbeeld geen sprake is van zeggenschap op basis van overeenkomsten en alleen een aandelenband bestaat. In verband met de antiontgaansfunctie staat de feitelijke, materieel-economische benadering echter voorop. In gevallen die afwijken van de standaardsituaties, bijvoorbeeld omdat sprake is van een vennootschap zonder een in aandelen verdeeld kapitaal, of omdat er krachtens een managementovereenkomst feitelijke zeggenschap en beleidsbepalende invloed kan worden uitgeoefend zonder dat er een aandelenband is, kan ook een ‘belang’ bestaan.
Belastingplichtigen krijgen de mogelijkheid om de fiscus vooraf zekerheid te vragen over de aanwezigheid van een ‘belang’ en verbondenheid.
Voor de disculpatiemogelijkheid van art. 20a lid 2 onderdeel b Wet VPB 1969 zou ik aansluiting willen zoeken bij het eerder genoemde concernbegrip dat ik in paragraaf 7.3.3 heb geschetst voor de afschrijvingsfaciliteit van art. 8 lid 6a onderdeel a Wet VPB 1969.
Er zou dan een scherpere norm worden gehanteerd die voor belastingplichtigen meer duidelijkheid biedt, terwijl de materieel-economische benadering zou worden gehandhaafd.