Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/3.7.1
3.7.1 Beginsel van procedurele autonomie
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS394876:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HvJEG 6 oktober 2009, C-40/08 (Astrucom Telecomunicaciones), Jur. 2009, p. 1-9579, r.o. 38, AB 2009, 357, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven.
Zie omtrent het beginsel van procedurele autonomie Jans e.a. 2011, p. 36 e.v.; Craig & De Bárca 2011, p. 219-220; Verhoeven 2011, p. 49; Galetta 2010; Haapaniemi 2009; Jans e.a. 2007, p. 40; Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 29 e.v. Zie omtrent het procesrecht Prinssen 2004, p. 33 e.v. Het beginsel van procedurele autonomie is voor het eerst geformuleerd in HvJEG 11 februari 1971, 39/70 (Norddeutsches Vieh- und Fleischkontor), Jur. 1971, p. 49, r.o. 4. Zie voorts HvJEG 21 september 1983, gevoegde zaken 205/82-215/82 (Deutsche Milchkontor), Jur. 1983, p. 2633, r.o. 17; HvJEG 14 december 1995, C-312/93 (Peterbroeck), Jur. 1995, p. 1-4599, r.o. 12. Zie voorts HvJEG 5 maart 1980, 265/78 (Ferwerda), Jur. 1980, p. 617, HvJEG 12 juni 1980, gevoegde zaken 119/79 en 126/79 (Lippische Hauptgenossenschaft), Jur. 1980, p. 1863; HvJEG 6 mei 1982, 54/81 (Fromme), Jur. 1982, p. 1449, HvJEG 6 mei 1982, gevoegde zaken 146/81,192/81 en 193/81 (BayWa), Jur. 1982, p. 1503; HvJEG 12 juni 1980, 130/79 (Express Dairy Foods), Jur. 1980, p. 1887, r.o. 11-13; HvJEG 27 maart 1980, 61/79 (Denkavit), Jur. 1980, p. 1205, r.o. 25; HvJEG 27 maart 1980, gevoegde zaken 66,127 en 128/ 79 (SRL Meridionale Industria Salumi e.a.), Jur. 1980, p. 1237, r.o. 17-18. De term 'beginsel van procedurele autonomie' was in deze uitspraken nog niet terug te vinden. Zie hieromtrent Kakouris 1997, p. 1405. In latere rechtspraak gebruikt het Hof expliciet de term 'procedurele autonomie'. Zie bijvoorbeeld HvJEG 7januari 2004, C-201/02 (Wells), Jur. 2004, p. 1-723, r.o. 67. Zie hieromtrent Haapaniemi 2009, p. 111 e.v.; Galetta 2010, p. 12.
Sevenster 2010, p. 130. Zie ook HvJEU 25 maart 2010, C-451/08 (Helmut Miller), Jur. 2010, p.1-2673, r.o. 62. Zie omtrent de toepasselijkheid van het nationale procesrecht Mortelmans, Van Ooik & Prechal 2004, p. 44 e.v.
Zie hieromtrent ook Jans e.a. 2007, p. 40, onder noot 27.
Zie hieromtrent Kakouris 1997; Van Gerven 2000, p. 501-502.
Zie ook Schöndorf-Haubold 2011, p. 45-46; Kakouris 1997, p. 1395.
Zie hieromtrent Kakouris 1997, p. 1407 e.v. Zie ook Prechal 1998, p. 682, voetnoot 3.
Kakouris 1997, p. 1396. Zie ook Craig & De Wam 2011, p. 220; Galetta 2010, p. 3; Van Gerven 2000, p. 502.
Zie hieromtrent Galetta 2010, p. 10.
Zie Haapaniemi 2009, p. 116 en 119. Dit wordt afgeleid uit het arrest Rewe (HvJEG 16 december 1976, 33/76, Jur. 1976, p. 1989) waarin het Hof in r.o. 5 overweegt dat de artikelen 100-103 en 235 van het Verdrag (thans de artikelen 114-116 en artikel 352) de mogelijkheid bieden om in voorkomend geval de nodige maatregelen te nemen om dispariteiten tussen de desbetreffende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten te verhelpen, wanneer deze van zodanige aard blijken dat zij distorsies veroorzaken of de werking van de gemeenschappelijke markt schaden. Galetta merkt omtrent deze bepalingen het volgende op: 'Then, these norms fall into this specific scenario of the 'exceptional' EU competence on procedural matters'. Volgens haar mag de EU slechts in uitzonderlijke omstandigheden Europese procedureregels vaststellen. Zie Galetta 2010, p. 103 en 114-115. Voor deze visie kan echter geen steun worden gevonden in de Europese jurisprudentie. Overigens heeft wel lange tijd discussie bestaan over de vraag of op EU-niveau op beleidsterreinen van de eerste pijler (de EG) procedureregels van strafrechtelijke aard konden worden voorgeschreven. Gedacht kan worden aan een bepaling waarin strafrechtelijke handhaving wordt voorgeschreven. Lange tijd stonden de Europese Commissie en de Raad lijnrecht tegenover elkaar. Volgens de Raad hoorde het strafrecht thuis in de derde pijler waarbinnen besluiten alleen met unanimiteit konden worden genomen, het initiatiefrecht voor het vaststellen van de besluiten bij de lidstaten lag, de prejudiciële procedure facultatief van aard was en de Europese Commissie bovendien niet de mogelijkheid had om een infractieprocedure te starten (zie Jans e.a. 2011, p. 208). In het arrest van 13 september 2005, C-176/03 (Milieu-strafrechtzaak), Jur. 2005, p. 1-7879 (AB 2005, 435, m.nt. A.J.C. de Moor-van Vugt; NTER 2006, p. 29-34, m.nt. M.I. Veldt-Foglia; CMLRev 2006, p. 835-854, m.nt. C. Tobler; SEW 2006, p. 78-85, m.nt. R. van Ooik en T. Vandamme) oordeelde het Hof dat de Europese wetgever ook in de eerste pijler bevoegd was om maatregelen te nemen die verband houden met het strafrecht van de lidstaten, indien dit noodzakelijk was om de volledige doeltreffendheid van de door de EU op het terrein van milieu vastgestelde normen te verzekeren. Zie ook HvJEG 23 oktober 2007, C-440/05 (Zeelozingen), Jur. 2007, p. 1-9097 (NTER 2008, p. 91-96, m.nt. O.F. Essens) waarin werd bepaald dat de EU-maatregelen zich niet mochten uitstrekken tot de aard en de hoogte van de sancties. Zie hieromtrent Jans e.a. 2011, p. 208-209; Rijken 2008; Dawes & Lynskey 2008. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is de derde pijler opgegaan in de eerste pijler. Thans is het, gelet op artikel 83 VWEU, niet langer problematisch dat op EU-niveau wordt voorgeschreven dat de Europese regels strafrechtelijk moeten worden gehandhaafd. Zie hieromtrent Hofmann, Rowe & Trk 2011, P. 697.
Zie hieromtrent hoofdstuk 2, paragraaf 2.5.
Zie hieromtrent uitgebreid hoofdstuk 5.
Het betreft Gidsen voor nationale agentschappen. In artikel 4, derde lid, van het Commissiebesluit van 26 april 2007 betreffende de verantwoordelijkheden van respectievelijk de lidstaten, de Commissie en de nationale agentschappen bij de uitvoering van het programma op het gebied van een leven lang leren (2007-2013)213, is bepaald dat het nationaal agentschap zijn taken uitvoert conform de 'Gids voor de nationale agentschappen'. Een soortgelijke bepaling bestaat voor Jeugd in Actie.
Voor de uitvoering van Europese subsidieregelingen door nationale uitvoeringsorganen zijn regels nodig met betrekking tot de procedures, controle op de naleving van de subsidieverplichtingen, intrekking en terugvordering van verstrekte Europese subsidies en de op te leggen sancties indien de subsidieverplichtingen niet zijn nageleefd of anderszins onregelmatigheden zijn geconstateerd. Daarnaast moet voor een eindontvanger van een Europese subsidie rechtsbescherming openstaan met betrekking tot het handelen van nationale uitvoeringsorganen ter uitvoering van de Europese subsidieregelgeving. In het vervolg van dit onderzoek wordt samenvattend van nationale procedureregels gesproken. Voor zover dergelijke regels in de Europese subsidieregelgeving zelf niet zijn opgenomen of daarin expliciet naar het nationale recht wordt verwezen, is de toepassing van deze nationale procedureregels een zaak van de interne rechtsorde van de desbetreffende lidstaat.1 Dit wordt in de literatuur het beginsel van procedurele autonomie genoemd.2 Wat betreft de toepassing van het nationale procesrecht, wordt ook wel van procedurele procesautonomie gesproken.3 Beide beginselen vormen species van het in de vorige paragraaf besproken beginsel van institutionele autonomie.4
Het beginsel van procedurele autonomie heeft alleen betekenis indien op Eu-niveau geen gemeenschappelijke procedureregels bestaan. Dit betekent dat aan dit beginsel geen absolute waarde toekomt.5 Het beginsel staat - anders dan mogelijk het subsidiariteitsbeginsel en het beginsel van bevoegdheidstoedeling - niet aan het vaststellen van Europese procedureregels in de weg.6 Het beginsel van procedurele autonomie geeft dus geen uitdrukking aan de soevereiniteit van de lidstaten.7 Zodra de EU zelf procedureregels heeft vastgesteld, is van procedurele autonomie niet langer sprake.8 In dat geval bestaat alleen ruimte voor het nationale recht, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de Europese procedureregels. Er moet op Eu-niveau op grond van het beginsel van bevoegdheidstoedeling uiteraard wel een bevoegdheid bestaan om procedurele regels vast te stellen. Hoewel daartoe geen algemene bevoegdheid in de Europese verdragen is neergelegd,9 wordt aangenomen dat indien op Eu-niveau de bevoegdheid bestaat om materiële regels te stellen, ook Europese procedureregels mogen worden vastgesteld.10
Voor de Europese subsidieregelingen geldt dat in het VWEU bevoegdheden zijn neergelegd voor het Europees Parlement en de Raad om regels vast te stellen omtrent het verstrekken van Europese subsidies.11 In veel gevallen betreft het verordeningen, hoewel wat betreft Jeugd in Actie en Een Leven Lang Leren wordt gesproken van stimuleringsmaatregelen. Uit deze bevoegdheden wordt niet expliciet duidelijk of ook Europese procedureregels mogen worden vastgesteld. Ten aanzien van Jeugd in Actie en Een Leven Lang Leren is echter expliciet bepaald dat de stimuleringsmaatregelen niet zien op de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. Hoe dan ook, de praktijk wijst echter uit dat op Europees niveau veel procedureregels worden vastgesteld in het kader van de Europese subsidieregelingen.12 Dit geldt ook voor Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie, zij het dat deze regels zijn neergelegd in niet-gepubliceerde Europese soft law.13