Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.2.1.1
3.2.1.1 De erkenning van het afgescheiden vermogen
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS385828:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 juni 1880, W. 4521.
Zie voor een beknopte weergave van deze loop der gebeurtenissen: Wolfsbergen 1938, p. 321-322.
HR 28 januari 1889, W. 5735.
HR 26 november 1897, W. 7047 (Boeschoten/Besier).
Hof Amsterdam (Burgerlijke Kamer) 27 november 1896, W. 6932. Zie voor de uitspraak in eerste aanleg: Rb. Utrecht (Burgerlijke Kamer) 6 november 1895, W. 6742.
Dat dit historische argument een belangrijke invloed had op de beslissing in Boeschoten/ Besier blijkt uit een brief van De Ranitz, een van de raadsheren die het arrest gewezen had, aan De Savornin Lohman, die na Boeschoten/Besier president van de Hoge Raad werd. De brief is (deels) kenbaar uit Bregstein 1939.
Of ook de maatschap een afgescheiden vermogen heeft, is lange tijd onduidelijk geweest. De Hoge Raad heeft op 15 mei 2013 eindelijk duidelijkheid verschaft voor in elk geval de openbare maatschap: ook zij heeft een afgescheiden vermogen. Zie HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, RO 2013/30; JOR 2013/133, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Biek Holdings/A. c.s.).
Al in 1880 maakte de Hoge Raad duidelijk dat de VOF geen rechtspersoon is met een eigen vermogen, maar dat het ten behoeve van de vennootschap gevormde vermogen het gemeenschappelijke vermogen van de vennoten is.1 In 1881 stonden de preadviezen van Hingst en Loder wat betreft de discussie over de status van het vennootschappelijk vermogen lijnrecht tegenover elkaar: volgens Hingst heeft de VOF een afgescheiden vermogen, volgens Loder niet.2 Loders standpunt krijgt de meeste aanhangers, maar toch wint uiteindelijk het standpunt van Hingst, die als raadsheer bij de Hoge Raad (hij is kort na vermelde discussie benoemd) mede verantwoordelijk is voor een opvallend arrest uit 1889. In dit arrest kent de Hoge Raad voor het eerst een zekere mate van zelfstandigheid toe aan het vennootschappelijk vermogen in de verder niet gemotiveerde overweging:
‘O. dat het hiertegen gericht middel berust op de juiste stelling, dat er bij vennootschappen onder eene firma bestaat een vennootschappelijk vermogen, dat een zelfstandigen en afgezonderden waarborg vormt voor de vennootschappelijke schuldeischers’.3
Bijna negen jaar later herhaalde de Hoge Raad dit oordeel in het welbekende arrest Boeschoten/Besier, deze keer met een motivering.4 Het ging in deze zaak om de vraag of de schuldeisers van een VOF na ontbinding van die VOF als gevolg van het faillissement van de vennoten bij voorrang boven de privéschuldeisers van de vennoten uit de baten van de VOF moeten worden voldaan. De rechter-commissaris die de rangschikking van schuldeisers opmaakte, meende van wel, hetgeen door het Hof Amsterdam5 werd bevestigd. Boeschoten, die het er niet mee eens was dat hij als privécrediteur van de vennoten was gerangschikt ná de zaakscrediteuren, stelde tegen de uitspraak van het Hof cassatieberoep in. Advocaat-generaal (A-G) Patijn concludeerde dat de zaaksschuldeisers geen voorrang moeten krijgen boven de privéschuldeisers, omdat een zodanige wettelijk bepaalde rangorde ontbreekt én omdat de zaakscrediteuren bij de verstrekking van krediet helemaal niet af zouden gaan op de grootte van het vennootschappelijk vermogen, maar op de vermogendheid van alle afzonderlijke hoofdelijk aansprakelijke vennoten. De Hoge Raad volgde de A-G niet en besliste:
‘…dat het vermogen, hetwelk de vennooten afzonderen om daarmede handel te drijven, is een afgescheiden gedeelte van hun vermogen met eene bepaalde bestemming, waaraan dit moet blijven beantwoorden zoolang de vennootschap duurt, van welk afgescheiden vermogen de vennooten tegenover elkander de verdeeling niet kunnen vorderen vóórdat de schulden der vennootschap zijn voldaan’
en verderop in het arrest over dit afgescheiden vermogen:
‘tot de gevolgen waarvan noodwendig behoort, dat zij die met de vennootschap gehandeld hebben, bij de ontbinding daarvan, niet komen te staan tegenover een schaduwbeeld, doch hunne vorderingen kunnen doen gelden op de baten van de handelsvereeniging, waarmede zij gehandeld hebben; terwijl hierbij de solidaire aansprakelijkheid van de vennooten wegens de verbintenissen der vennootschap in haar geheel blijft.’
Een belangrijk argument voor de Hoge Raad om het afgescheiden vermogen bij de VOF in Boeschoten/Besier te erkennen, is het historische argument dat is weergegeven in de één na laatste overweging van het arrest: al in het Romeinse recht werd voor handelsondernemingen de mogelijkheid van een zelfstandig, van de overige goederen van de eigenaren afgescheiden vermogen aangenomen en het stelsel van de Nederlandse wet stemt overeen met de opvatting die sinds enkele eeuwen in het handelsrecht van verschillende volkeren gevonden wordt en die praktijk was in het Oudvaderlandse recht.6 De door de Hoge Raad vastgestelde status van het vennootschappelijk vermogen was dus eigenlijk niets nieuws.7
Kort samengevat is het vennootschappelijk vermogen dus niet het vermogen van de VOF, die immers geen rechtspersoon is, maar van de vennoten. Het vermogen vermengt zich echter niet met het overige (privé-)vermogen van de vennoten, maar is daarvan afgescheiden. Wat betekent het nu voor de vennoten dat een deel van hun privévermogen is afgescheiden en hoe verhoudt dit zich tot art. 3:276 BW, welk artikel bepaalt dat schuldeisers zich kunnen verhalen op alle goederen van hun schuldenaar? Deze vragen komen aan de orde in de paragrafen 2.1.2. en 2.1.3. In de daarna volgende paragrafen en hoofdstukken ga ik dieper in op diverse aspecten van het afgescheiden vermogen.