Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.8.4.2
7.8.4.2 Beleid
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291183:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Besluit Staatssecretaris van Financiën van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 7.4.4.
Anders: T. Vroon, ‘1+1=1’, BtwBrief 2012/141.
Besluit Staatssecretaris van Financiën van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 7.4.4.
Het beleid van de Staatsecretaris van Financiën, en het daarin gemaakte onderscheid tussen de servicekosten bij de verhuur van bedrijfsruimte en woonruimte, lijkt vooral te zijn ingegeven door de wens om (weer) aan te sluiten bij de gebruikelijke praktijk. Zie ook: G.B Markink, ‘Btw aspecten van verhuur’, Tijdschrift voor Huurrecht Bedrijfsruimte 2014/1, p. 10 en L.R. van Silfhout en R.N.G. van der Paardt, ‘Verhuur van onroerende zaken en btw-heffing’, Vastgoed Fiscaal & Civiel 2013/6, p. 8.
In (soort)gelijke zin: M.W.C. Soltysik, ‘Verhuur(+) en BTW: zit de Hoge Raad (nog) op de juiste lijn?’, WFR 2015/7103, p. 827 en C.A. Peeters, Cursus Belastingrecht OB.2.3.2.B.c3 (online, bijgewerkt t/m 15 februari 2021). Anders: T. Vroon, ‘1+1=1’, BtwBrief 2012/141.
De Staatssecretaris van Financiën trekt in zijn beleid – dat dateert ná de in paragraaf 7.8.4.1 besproken jurisprudentie van de Hoge Raad – zijn eigen plan. Volgens dit beleid is – rekening houdend met de algemene criteria voor de beoordeling of een prestatie zelfstandig of bijkomend is ten opzichte van de verhuur van onroerend goed en de criteria in het Field Fisher Waterhouse-arrest – gebleken dat de servicekosten in de zakelijke vastgoedbranche (bedrijfsruimte) en bij de verhuur van bedrijfsruimte in het kader van commerciële verhuuractiviteiten van woningcorporaties veelal betrekking hebben op afzonderlijke prestaties.1 Het is (mij) volstrekt onduidelijk op grond waarvan de Staatssecretaris tot die conclusie komt. In de zaak Field Fisher Waterhouse ging het om servicekosten die ook in Nederland gebruikelijk zijn bij de verhuur van bedrijfsruimte (zie paragrafen 7.8.2.2 en 7.8.3). Het Hof laat in dit arrest nadrukkelijk doorschemeren dat de prestaties die aan die servicekosten ten grondslag liggen niet te beschouwen zijn als afzonderlijk in aanmerking te nemen prestaties. Er is derhalve naar mijn mening een behoorlijke dosis fantasie nodig om in dit arrest steun te vinden voor de beleidsopvatting van de Staatssecretaris.2 Daarnaast is het naar mijn mening opmerkelijk dat de Staatssecretaris van mening is dat de servicekosten die bij de verhuur van woonruimte in rekening worden gebracht veelal (wel) bijkomstige prestaties zijn die opgaan in de (vrijgestelde) verhuur, met uitzondering van het zogenoemde ‘huurdersonderhoud’.3 Uit paragraaf 7.8.2 volgt namelijk dat de servicekosten die bij de verhuur van bedrijfsruimte gebruikelijk zijn in de praktijk een aanzienlijke overlap vertonen met de servicekosten die bij de verhuur van woonruimte gebruikelijk zijn. Het door de Staatssecretaris gemaakte onderscheid tussen de servicekosten bij de verhuur van bedrijfsruimte en de servicekosten bij de verhuur van woonruimte ontbeert naar mijn mening daarom een deugdelijke grondslag.
Wat het meest in het oog springt, is dat de Staatssecretaris in het geheel niet refereert aan de in paragraaf 7.8.4.1 besproken jurisprudentie van de Hoge Raad. Omdat in andere onderdelen van het betreffende besluit wel naar die jurisprudentie van de Hoge Raad wordt verwezen, lijkt dit een welbewuste keuze.4 Wat daarvan zij, in de jurisprudentie van de Hoge Raad is in ieder geval geen steun te vinden voor het door de Staatssecretaris gemaakte onderscheid tussen de servicekosten bij de verhuur van bedrijfsruimte en de verhuur van woonruimte. Integendeel, de bij de verhuur van bedrijfsruimte gebruikelijke servicekosten, zoals de kosten van nutsvoorzieningen, schoonmaak en beveiliging, zijn naar mijn mening te beschouwen als zaakgerelateerde handelingen die de verhuurder gewoonlijk verricht. Deze handelingen gaan volgens de Hoge Raad derhalve op in de verhuur van de bedrijfsruimte. Ook voor belasten van het huurdersonderhoud bij de verhuur van woonruimte biedt de jurisprudentie van de Hoge Raad naar mijn mening geen steun. Uit paragraaf 7.8.2 volgt dat dit bij de verhuur van woonruimte gebruikelijke servicekosten zijn. Dit betekent dat op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad ook deze prestatie kwalificeert als een zaakgerelateerde handeling die de verhuurder gewoonlijk verricht en derhalve opgaat in de vrijgestelde verhuur van woonruimte. Het lijkt mij ook moeilijk voorstelbaar dat dit onderhoud, zoals het onderhoud aan de deurbel, de brievenbus of de deurkruk, voor de modale huurder een doel op zich is en niet slechts een middel om de hoofddienst in de beste omstandigheden te benutten. Hoewel het ‘servicekostenbeleid’ gepresenteerd wordt als interpretatief beleid, is het derhalve in feite grotendeels beleid contra legem. Alleen het uitgangspunt dat de servicekosten bij de verhuur van woonruimte geen vergoeding vormt voor zelfstandige prestaties strookt met de jurisprudentie van de Hoge Raad. Omdat voor het ‘servicekostenbeleid’ naar mijn mening evenmin steun te vinden is in de jurisprudentie van het Hof van Justitie (zie paragrafen 7.8.3 en 7.8.4.1)5, dient de Staatssecretaris van Financiën zijn ‘servicekostenbeleid’ te herzien dan wel, indien hij zijn beleid vanwege de aansluiting bij de gebruikelijke praktijk wil handhaven, te expliciteren dat het goedkeurend beleid betreft.