Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/1.2.3
1.2.3 Uitwisselbaarheid van perspectief tussen causaal verband en schade
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655902:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dit punt is in de literatuur al herhaaldelijk geadresseerd, zie onder meer Bloembergen 1965, nr. 12; Ronse 1984, nr. 22; Akkermans 1997, p. 206-207; Akkermans 2000, p. 90-95; Akkermans 2002, p. 27-30. Zie ook Asser in zijn NJ-noot (sub 22) onder HR 29 november 2002, NJ 2004/305 (Kastelijn/Gemeente Achtkarspelen).
Zie Bloembergen 1965, nr. 13-14; Akkermans 2000, p. 94; Akkermans 2002, p. 28.
Bloembergen 1965, nr. 12.
Idem.
Het is volgens mij Akkermans geweest die de term ‘uitwisselbare perspectieven’ heeft gemunt. Zie onder meer Akkermans 2000, p. 90-91; Akkermans 2002, p. 27-30. Zie kritisch over de analyse van Akkermans ten aanzien van de uitwisselbaarheid van perspectief tussen causaal verband en schade Cox 2016, § 6-§ 7. Voor een voorbeeld uit de rechtspraak van de Hoge Raad waarin deze uitwisselbaarheid van perspectief mooi tot uitdrukking komt, wijs ik op het arrest HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1053 (Hofstad Beheer B.V. e.a./Rixtel Assuradeuren B.V.), r.o. 4.3.2. En zie over de uitwisselbaarheid van perspectief tussen causaal verband en schade in (specifiek) beroepsaansprakelijkheidszaken punt 3.4-3.5 van de conclusie van A-G T. Hartlief, ECLI:NL:PHR:2017:1100, bij het 81 RO-arrest HR 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3051 (X/Y en Z).
Ik benadruk dat alleen sprake kan zijn van overlap tussen de leerstukken causaal verband en schade, wanneer in het processuele debat onzekerheid bestaat over hoe de situatie van de benadeelde zich bij afwezigheid van de normschending zou hebben ontwikkeld. Daarmee is dus uitdrukkelijk niet gezegd dat het strikte onderscheid dat in de dogmatiek tussen beide leerstukken pleegt te worden gemaakt, iedere relevantie zou ontberen.
Vgl. De Jong 2010, p. 40-41.
Dat ook in misleidingszaken sprake kan zijn van een uitwisselbaarheid van perspectief tussen causaal verband en (het bestaan van) schade, lijkt ook te worden erkend door de Rechtbank Amsterdam in de zaak X/Koninklijke Ahold N.V e.a., zie Rb. Amsterdam 20 april 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2191, Ondernemingsrecht 2017/45, met commentaar E. V.A. Eijkelenboom & A.C.W. Pijls, r.o. 4.23.
Uiteraard moet voor toewijzing van de vordering tot schadevergoeding ook komen vast te staan dat de belegger de door hem betaalde koersinflatie niet meer heeft terugverdiend via een tussentijdse verkoop. Er moet met andere woorden kunnen worden vastgesteld dat hij nog aandeelhouder was toen de misleiding bekend werd. Voor een nadere uitwerking van alle processuele details hieromtrent verwijs ik naar § 9.4.2.
Ik wijs in dit verband op het arrest HR 8 april 2005, NJ 2005/371 (Van de Ven/Van de Ven). Mijns inziens is dit arrest een aansprekend voorbeeld van een beleggingsschadezaak waarin het causaal verband en de schade zich verhouden als onderling uitwisselbare perspectieven. In deze zaak stelde een verkoper van (certificaten van) aandelen de koper aansprakelijk voor de schade die hij had geleden doordat de koper wezenlijke informatie had verzwegen voor de bindend adviseurs die de koopprijs zouden vaststellen. De informatie waar het in concreto om ging, betrof een door een derde aan de koper afgegeven koopintentieverklaring. Het processuele debat over de vraag wat de invloed van deze informatie zou zijn geweest op de (ver)koopprijs staat in dit arrest volledig in de sleutel van (het bestaan van) de schade, maar mijns inziens had dit even goed in de sleutel kunnen staan van het causaal verband.
Tot slot van deze paragraaf over het schadebegrip en de schadevaststelling wil ik er nog de aandacht op vestigen op dat – hoewel de aansprakelijkheidsvereisten causaal verband en schade in de dogmatiek altijd strikt van elkaar worden onderscheiden – het processuele debat over het causaal verband (in de zin van het condicio sine qua non-verband) in de praktijk niet altijd goed is te onderscheiden van het debat over (het bestaan van) de schade.1 Dit vloeit voort uit het feit dat zowel bij het causaal verband als de schade een wegdenkoefening moet worden uitgevoerd, waarbij steeds dezelfde hypothetische gang van zaken als referentiekader wordt genomen: wat zou de vermogenspositie van de benadeelde zijn geweest (of hoe zou deze vermogenspositie zich hebben ontwikkeld) wanneer de litigieuze gebeurtenis achterwege was gebleven?2 Afhankelijk van de door partijen betrokken stellingen en afhankelijk van de wijze waarop zij zich tegen elkaars stellingen verweren, zal het debat hierover zich dan concentreren rondom het causaal verband dan wel rondom (de al dan niet aanwezigheid van) de schade. Nemen de partijen de door de benadeelde gestelde schade als uitgangspunt, dan zal in het debat de vraag centraal staan waardoor deze schade nu precies is veroorzaakt: door de normschending van de aansprakelijk gestelde partij of door een externe oorzaak gelegen in de risicosfeer van de benadeelde?3 Nemen de partijen daarentegen de normschending als uitgangspunt, dan zal in het debat de vraag centraal staan of door die normschending wel schade is geleden, want zou zonder die normschending voor de benadeelde niet precies dezelfde nadelige situatie zijn ontstaan?4 Gegeven deze overlap die bestaat tussen de leerstukken causaal verband en schade, wordt in de literatuur in dit verband ook wel gesproken van ‘uitwisselbare perspectieven’.5, 6
Deze uitwisselbaarheid van perspectief tussen causaal verband en schade kan ook van belang zijn voor misleidingszaken.7 Dit hangt samen met het feit dat in werkelijkheid de beurskoers door een veelvoud van factoren (waaronder de misleidende informatie) wordt beïnvloed, zodat in schadevergoedingsacties ingesteld door beleggers bijna altijd ter discussie staat in hoeverre een bepaalde gestelde koersinflatie of een bepaald gesteld koersverlies is terug te voeren op (het bekend worden van) de misleidende informatie. Afhankelijk van de wijze waarop partijen het processuele debat voeren, staat dit debat dan in de sleutel van het causaal verband of in de sleutel van (het bestaan van) de schade.8 Hierbij is van belang om onderscheid te maken tussen twee verschillende manieren waarop de eisende belegger zijn vermogensschade kan omschrijven. Ten eerste kan hij als schadepost opvoeren het bedrag dat hij als gevolg van de misleiding te veel voor het litigieuze aandeel heeft betaald toen hij het aandeel kocht (en welk bedrag hij vervolgens niet meer heeft terugverdiend via een tussentijdse verkoop). Ten tweede kan hij als schadepost opvoeren het koersverlies dat werd geleden toen de misleiding naar buiten kwam.
Bij de eerstgenoemde omschrijving van de vermogensschade moet voor toewijzing van de vordering tot schadevergoeding ten minste komen vast te staan dat op het moment waarop de belegger zijn aandeel kocht de koers door de misleidende informatie was beïnvloed.9 Kiezen de partijen er vervolgens voor om in het processuele debat (het publiceren van) de misleidende informatie tot uitgangspunt te nemen, dan zal dit debat zich concentreren rondom de vraag of de misleidende informatie wel tot koersinflatie heeft geleid en zal het debat derhalve in de sleutel staan van (het bestaan van) de schade.10 Kiezen de partijen er daarentegen voor om de door de belegger gestelde koersinflatie tot uitgangspunt te nemen, dan zal het debat zich concentreren rondom de vraag of deze koersinflatie wel door de misleiding is veroorzaakt en zal het derhalve in de sleutel staan van het causaal verband.
Wanneer de eisende belegger daarentegen zijn vermogensschade omschrijft als het koersverlies dat hij leed toen de misleiding naar buiten kwam, moet voor toewijzing van de vordering tot schadevergoeding ten minste komen vast te staan dat dit koersverlies direct is terug te voeren op (het bekend worden van) de misleidende informatie. Wordt in het processuele debat vervolgens vanuit de misleidende informatie naar het door de belegger geleden koersverlies gekeken, dan is de vraag of in dit koersverlies wel ‘schade’ is gelegen. Zou de belegger bij afwezigheid van de misleiding immers niet in precies dezelfde mate koersverlies hebben geleden? In dit scenario zal het debat dus in de sleutel staan van (het bestaan van) de schade. Wordt daarentegen vanuit het door de belegger gestelde koersverlies naar de misleidende informatie gekeken, dan is de vraag of dit koersverlies wel door de misleidende informatie (en niet door externe factoren) is veroorzaakt en zal het debat derhalve in de sleutel staan van het causaal verband.
Voor het vervolg van het onderzoek kies ik ervoor om de hier besproken kwestie in beginsel te benaderen vanuit het perspectief van het causaal verband.