Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/1.5
1.5 Rechten van de polishouder op grond van de Wft in geval van een overdracht van een verzekeringsportefeuille door een schadeverzekeraar
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949784:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 1:1 Wft definieert een schadeverzekering als “a. schadeverzekering als bedoeld in artikel 944 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, niet zijnde een natura-uitvaartverzekering; b. ongevallenverzekering; of c. sommenverzekering als bedoeld in artikel 964 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, niet zijnde een levensverzekering of een financieel instrument, met dien verstande dat voor de toepassing van deze wet een verzekering slechts als schadeverzekering wordt aangemerkt indien sprake is van een uitkeringsplicht ten gevolge van een onzeker voorval of een onzekere omstandigheid waardoor de verzekerde in zijn belangen wordt getroffen”. De Wet op het financieel toezicht knoopt voor wat betreft de definitie van schadeverzekering dus aan bij de definitie in het Burgerlijk Wetboek. Op grond van art. 7:944 BW is een schadeverzekering de verzekering strekkende tot vergoeding van vermogensschade die de verzekerde zou kunnen leiden.
Zie over deze premierestitutie verder hoofdstuk 6.7.4.4 van dit proefschrift.
Rb. Rotterdam 13 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:914 en Rb. Rotterdam 13 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:915, JOR 2023/105, m.nt. A.M.M. Menken; PJ 2023/39, m.nt. S.H. Kuiper; Van Wijk, Vervuurt en Hamelijnck, VAST 2023/B-012; Pensioenrecht Updates 2023/30 (Eisers/DNB).
Boshuizen en Jager 2010, p. 247.
Venker 2023, p. 401.
Zie voor deze gedragscode https://www.verzekeraars.nl/media/7486/gedragscode-geïnformeerde-verlenging.pdf. Zie over eerdere versies van de gedragscode Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/231-232. Zie over deze gedragscode Venker 2023, p. 413-414.
Inleiding
Een schadeverzekeraar1 die rechten en verplichtingen krachtens schadeverzekering2 wenst over te dragen aan een andere schadeverzekeraar, kan die overdracht met instemming van DNB doen plaatsvinden (art. 3:114 Wft). DNB geeft toestemming zonder een daaraan voorafgaande “verklaring van aanvankelijk geen bezwaar” en zonder dat polishouders tegen de voorgenomen overdracht in verzet kunnen komen. Kenmerkend voor deze procedure is het opzegrecht van de betrokken verzekeringnemers.
Stap 1
De overdragende verzekeraar verzendt de aanvraag van instemming aan DNB (art. 3:116 Wft) met een ontwerpovereenkomst en de ter toelichting dienende stukken.
Stap 2
DNB verleent de schadeverzekeraar instemming (“verklaring van geen bezwaar”) (art. 3:114 Wft).
Stap 3
De overdracht vindt plaats (art. 3:114 Wft).
Stap 4
De overdragende verzekeraar doet van de overdracht mededeling in de Staatscourant (art. 3:120 lid 1 Wft) en op andere door DNB te bepalen wijze (art. 3:120 lid 2 Wft).
Stap 5
De overdracht wordt ten aanzien van alle andere betrokkenen dan de betrokken schadeverzekeraars van kracht met ingang van de tweede dag, volgend op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst (art. 3:120 lid 6 Wft).
Stap 6
Na de overdracht kunnen de verzekeringnemers de verzekeringsovereenkomst gedurende drie maanden na de dagtekening van de Staatscourant opzeggen met ingang van de dag na afloop van de termijn van drie maanden (art. 3:120 lid 7 Wft).
Het opzegrecht van de betrokken verzekeringnemer
Na de overdracht plaatst de schadeverzekeraar een mededeling in de Staatscourant (art. 3:120 lid 1 Wft) en hij doet ook mededeling op andere door DNB te bepalen wijze (art. 3:120 lid 2 Wft). Ook hier is in de praktijk de “andere door DNB te bepalen wijze” tot nu toe meestal een publicatie in drie landelijke dagbladen. Deze mededelingen worden dus gedaan nadat de overdracht al heeft plaatsgehad. De bij de overdracht door een schadeverzekeraar betrokken verzekeringnemers kunnen dan, gedurende drie maanden na de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst, de schadeverzekering schriftelijk opzeggen met ingang van de dag na afloop van deze termijn (art. 3:120 lid 7 Wft). Deze verzekeringnemers hebben dus een opzegrecht. Zij moeten schriftelijk opzeggen bij de schadeverzekeraar. De verzekeringnemer moet op grond van de Wft dus in ieder geval gedurende de drie maanden na de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst, de verzekeraar die de portefeuille heeft verkregen als zijn verzekeraar accepteren.
Indien de verzekeringnemer gebruik maakt van zijn opzegrecht geeft de schadeverzekeraar de vooruitbetaalde premie alsmede de voldane assurantiebelasting terug, voor het gedeelte dat evenredig is aan het op de hiervoor bedoelde dag nog niet verstreken gedeelte van de termijn waarvoor de premie en de assurantiebelasting werden betaald (art. 3:120 lid 7 Wft).3
Ook hier rijst uiteraard de vraag hoe groot eigenlijk de kans is dat de polishouder de desbetreffende advertentie ziet. Naar aanleiding van de twee hiervoor besproken uitspraken van de Rechtbank Rotterdam van 13 februari 20234 zal DNB naar ik verwacht bij de overdracht of overgang van schadeverzekeringen in wat meer gevallen opdracht geven5 om een individuele kennisgeving te versturen. Zie hierover ook hoofdstuk 6.7.5. Uit de twee uitspraken kan worden afgeleid, dat indien er zodanig nadelige financiële gevolgen kunnen zijn dat het voorstelbaar is dat verzekeringnemers daarom van hun opzegrecht gebruik willen maken, er een individuele kennisgeving moet worden verstuurd. Bij de overdracht of overgang van schadeverzekeringen zal er echter in weinig gevallen sprake van zijn dat er door de portefeuilleoverdracht zodanig nadelige financiële gevolgen in de positie van verzekerden kunnen optreden dat het voorstelbaar is dat verzekeringnemers daarom van hun opzegrecht gebruik willen maken. Bijvoorbeeld bij een overdracht van een portefeuille met reisverzekeringen of inboedelverzekeringen lijkt dat helemaal niet aan de orde. Mogelijk blijft het aantal gevallen waarin DNB opdracht geeft om individuele kennisgevingen te versturen bij overdrachten of overgangen van schadeverzekeringen dus beperkt. In hoofdstuk 10 verdedig ik ook voor wat betreft de overdracht van een schadeverzekeringsportefeuille dat het geredeneerd vanuit de rechten van de polishouder inmiddels tijd wordt voor verbetering van de informatievoorziening over een portefeuilleoverdracht.
Wie hebben het opzegrecht op grond van de Wft?
Art. 3:120 lid 7 Wft geeft een opzegrecht aan “verzekeringnemers”. Op grond van art. 7:925 lid 1 BW moet onder de verzekeringnemer de “wederpartij” van de verzekeraar bij de verzekeringsovereenkomst worden verstaan. Art. 3:120 lid 7 Wft bepaalt dat het opzegrecht toekomt aan “de bij de overdracht door een schadeverzekeraar betrokken verzekeringnemers”. Ook voor wat betreft het opzegrecht geldt dat onder de betrokken verzekeringnemers de verzekeringnemers van de over te dragen portefeuille dienen te worden verstaan.6 Ook hier voegen Boshuizen en Jager in een voetnoot toe dat zowel de Europese richtlijnen als de nationale wetsgeschiedenis op dit punt echter niet geheel helder zijn.
Dat betekent dat in geval van een overdracht van een déél van de portefeuille van de verzekeraar (en dus niet de gehele verzekeringsportefeuille) de polishouders van de polissen die achterblijven geen opzegrecht hebben. Ook de polishouders van de verkrijgende verzekeraar hebben geen opzegrecht.
Ook bij de overdracht van een portefeuille met schadeverzekeringen geldt daarom, geredeneerd vanuit de betrokken verzekeraars, dat het goed is om bij het structureren van een transactie met een deel van de verzekeringsportefeuille te beoordelen in welke delen van de verzekeringsportefeuille relatief veel opzeggingen te verwachten zouden zijn in het geval dat die portefeuille zou worden overgedragen. Met name indien het gaat om een transactie tussen verzekeraars die tot dezelfde groep behoren, kan het immers een optie zijn dan juist de andere onderdelen van de verzekeringsportefeuille te “verplaatsen”. Dat belang is overigens in de loop van de tijd wel afgenomen nu steeds meer schadeverzekeringsovereenkomsten een korte looptijd en een korte opzegtermijn hebben.
Met name bij zakelijke verzekeringen komen lange contractstermijnen echter wel voor.7 Een beoordeling wat de gevolgen van het Wft-opzegrecht kunnen zijn, is daarbij dus in ieder geval van belang.
De juridische essentie met betrekking tot contractstermijnen is als volgt. Op grond van art. 7:940 lid 2 BW geldt dat een verzekeringnemer een overeenkomst die is aangegaan voor een periode van meer dan vijf jaar, of die voor zulk een periode is verlengd, kan opzeggen tegen het einde van elk vijfde jaar binnen die periode. Deze bepaling is echter alleen van dwingend recht indien de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is en hij de verzekering sluit anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf.8 Bij een verzekering die niet is gesloten door een natuurlijk persoon, en bij een verzekering die door een natuurlijk persoon in de uitoefening van een beroep of bedrijf is gesloten, kan de verzekeringnemer dus in de polis afstand doen van de bevoegdheid om de verzekering tussentijds na vijf jaar op te zeggen.9 Op grond van de “Gedragscode geïnformeerde verlenging en contractstermijnen bij particuliere en zakelijke schade- en inkomensverzekeringen 2020”10 van het Verbond van Verzekeraars geldt vervolgens dat bij het aangaan van schade- en inkomensverzekeringen de hoofdregel is dat deze voor de termijn van maximaal twaalf maanden (particulier) en 36 maanden (zakelijk) worden aangegaan, tenzij uitdrukkelijk anders wordt overeengekomen. Uitgangspunt van de gedragscode is ook dat als de verzekering na afloop van de contractstermijn voorziet in een stilzwijgende verlenging, deze verlenging (maximaal) twaalf maanden bedraagt, tenzij uitdrukkelijk anders wordt overeengekomen. Deze gedragscode ziet echter alleen op “verzekeraars die hun bedrijf maken van het sluiten van overeenkomsten van schade- of inkomensverzekeringen met particulieren en dat deel van de zakelijke markt dat qua kennis en kunde op het gebied van verzekeringen overeenkomsten vertoont met particulieren en waarvoor (eveneens) verzekeringen plegen te worden afgesloten op basis van standaardvoorwaarden”. De gedragscode is dus voor wat betreft de zakelijke markt alleen van toepassing op een deel daarvan. Deze gedragscode bepaalt dan verder dat als de particuliere of zakelijke verzekering met twaalf maanden is verlengd, de verzekeringnemer het recht heeft op elk gewenst moment op te zeggen met een opzegtermijn van maximaal een maand. Als de opzegging tussentijds gebeurt, wordt de lopende premie pro rata verrekend. Als gezegd, kunnen lange contractstermijnen dus met name bij zakelijke verzekeringen voorkomen. Het gaat dan om termijnen van 36 maanden met name voor zakelijke verzekeringen die onder deze gedragscode vallen en die nog in de eerste contractperiode zijn, en termijnen langer dan 36 maanden bij zakelijke verzekeringen die niet onder de gedragscode vallen.