Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/3.3.2
3.3.2 RG 26 januari 1901, RGZ 47, 202
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491116:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
In het Duitse recht wordt de omvang van een onroerende zaak bepaald door de inschrijving in het Grundbuch. Dat is geregeld in de Grundbuchordnung. Zie daarover: Heyman & Bartels 2021/15; Tweehuysen 2016, p. 218; Baur/Stürner SachenR 2009, §15 Rn. 15-19.
Duitsland kent een positief stelsel van grondboekhouding (Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/467). De Duitse overheid staat ervoor in dat de rechten die in het Grundbuch staan ingeschreven, ook daadwerkelijk bestaan. Zie §891 en 892 BGB en de Grundbuchordnung. Om die reden onderzoekt het Grundbuchamt de ter inschrijving aangeboden erfdienstbaarheid. Vgl. Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/57. In Nederland mag aan de inschrijving van een akte in de openbare registers in beginsel niet de conclusie worden verbonden dat de daarin opgenomen rechtshandelingen geldig zijn. Dat uitgangspunt wordt echter flink genuanceerd door een aantal derdenbeschermingsbepalingen en de rol van het notariaat en de bewaarder van de openbare registers (zie afdeling 3.1.2 BW). Zie: Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/466, 486-489; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/56-57, 62, 67, 72, 76.
Bedoeld wordt een overeenkomst tot vestiging van een beperkt recht. Verwezen wordt naar RG 15 april 1885, RGZ 13, 251, waar aldus is geoordeeld.
Het beperkte recht in handen van de eigenaar ‘rust’ (‘ruht’) volgens het Reichsgericht. Als beperkt recht en moederrecht in verschillende handen komen, ‘herleeft’ het beperkte recht (‘wieder auflebt’, ‘wieder in das Leben tritt’).
Zie over die bepaling §3.5.
Motive III, p. 480, Mugdan III, p. 267-268. In de uitspraak wordt alleen de eerste volzin geciteerd.
Zie over deze ontwikkeling: Staudinger/Heinze BGB 2017, §1030, Rn. 30-35; Füller 2006, p. 468-479.
27. Volgens een uitspraak van het Reichsgericht van 26 januari 1901 is het niet mogelijk een erfdienstbaarheid te vestigen op een perceel (het beoogde dienende erf) dat dezelfde eigenaar heeft als het beoogde heersende erf. Iemand is eigenaar van twee aangrenzende Grundstücke met de nummers 1531 en 1532. Hij wil een gedeelte van perceel 1531 afscheiden en toevoegen aan perceel 1532.1 Daarvoor is de toestemming van de Baupolizeibehörde vereist. De eigenaar heeft verder het voornemen het resterende gedeelte van perceel 1531 te bebouwen en vraagt ook daarvoor toestemming aan de Baupolizeibehörde. Die instantie verleent toestemming, onder de voorwaarde dat een strook grond onbebouwd blijft tussen de gebouwen die op de beide percelen komen te staan. De eigenaar wil een daartoe strekkende erfdienstbaarheid in het Grundbuch inschrijven. Het Grundbuchamt wijst die inschrijving echter af.2
De zaak wordt voorgelegd aan het Reichsgericht. Allereerst overweegt het rechtscollege dat volgens het gemene recht (het ius commune) een erfdienstbaarheid niet op een eigen zaak gevestigd kon worden, omdat een erfdienstbaarheid een recht op andermans zaak is en omdat niemand met zichzelf een overeenkomst kan sluiten.3 Vervolgens richt het Reichsgericht zich op de bepalingen in het BGB over de vestiging van beperkte rechten. Voor de vestiging van een beperkt recht op een Grundstück is Einigung (wilsovereenstemming) vereist tussen de eigenaar van de zaak en degene ten gunste van wie het beperkte recht wordt gevestigd, voor zover de wet niet anders bepaalt (§873 BGB). Einigung is een tweezijdige rechtshandeling: er moeten ten minste twee personen aan meewerken. De wet kent uitzonderingen voor de Hypothek en de Grundschuld. Voor de vestiging van die rechten volstaat een (eenzijdige) verklaring van de eigenaar (§1188, 1195 en 1196 BGB). Voor de erfdienstbaarheid kent de wet geen uitzondering. Daarom is volgens het Reichsgericht voor de vestiging van dat beperkte recht een tweezijdige rechtshandeling nodig. Het feit dat volgens §889 BGB beperkte rechten op Grundstücke niet door vermenging tenietgaan, is volgens het gerecht niet relevant, omdat in zo’n geval bij de vestiging van het beperkte recht wel Einigung was vereist.4 Het Reichsgericht overweegt dat Einigung de medewerking van ten minste twee personen impliceert. Iemand kan niet in eigen naam met zichzelf een rechtshandeling aangaan. §1009 BGB maakt volgens het rechtscollege mogelijk een uitzondering daarop,5 omdat wel een beperkt recht kan worden gevestigd op een zaak waarvan men mede-eigenaar is. Maar in dat geval zijn wel meerdere personen betrokken bij de vestiging van het beperkte recht, aldus het Reichsgericht.
Het gerecht kijkt vervolgens naar de omschrijving van het recht van erfdienstbaarheid in §1018 BGB:
“Gesetzlicher Inhalt der Grunddienstbarkeit
Ein Grundstück kann zugunsten des jeweiligen Eigentümers eines anderen Grundstücks in der Weise belastet werden, dass dieser das Grundstück in einzelnen Beziehungen benutzen darf oder dass auf dem Grundstück gewisse Handlungen nicht vorgenommen werden dürfen oder dass die Ausübung eines Rechts ausgeschlossen ist, das sich aus dem Eigentum an dem belasteten Grundstück dem anderen Grundstück gegenüber ergibt (Grunddienstbarkeit).”
Uit die omschrijving volgt niet dat het voor de vestiging van een erfdienstbaarheid nodig is, dat de beide percelen verschillende eigenaars hebben. Dat kan volgens het Reichsgericht echter wel worden afgeleid uit de daaropvolgende wetsbepalingen over de erfdienstbaarheid. Eveneens blijkt dat uit de Motive:
“Die Begründung einer Grunddienstbarkeit zu Gunsten eines eigenen Grundstückes an einem anderen eigenen Grundstücke durch den Eigentümer beider Grundstücke steht der Umstand hindernd im Wege, daß die Möglichkeit eines Vertrages mit sich selbst in diesem Falle nicht anzunehmen ist. Die Zulassung eines gleichwirksamen einseitigen Stiftungsaktes findet sich nicht im geltenden Rechte und wird auch durch ein praktisches Bedürfnis nicht erfordert. Ein solches liegt auch in dem Falle nicht vor, wenn der Eigenthümer einer von ihm später zu bestellenden Grunddienstbarkeit den Vorrang vor einer vorher zu bestellenden Hypothek wahren will, da der verfolgte Zweck durch die Art und Weise der Hypothekenbestellung sich erreichen läßt.”6
Het Reichsgericht komt tot de conclusie dat de inschrijving van de erfdienstbaarheid in het Grundbuch ongeldig is. Als deze uitkomst onwenselijk is voor het rechtsverkeer, dan is het volgens het rechtscollege aan de wetgever om daarin verandering te brengen.
In de hierna te bespreken uitspraken komt de Duitse rechter stapje voor stapje terug van deze strenge benadering. De mogelijkheden om beperkte rechten op een eigen zaak te vestigen, worden steeds wat verruimd.7