Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.4.7
4.4.7 Samenloop van artikel 6:212 met artikel 6:203 en 6:162
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS492735:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hieronder, par. 4.6, over de vaststelling van de omvang van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking.
Zie over de vraag of voor de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking de algemene regels van samenloop gelden: Wissink 2002, p. 13-37, die deze vraag bevestigend beantwoordt (p. 31).
Zie ook HR 27 juni 1997, NJ 1997/719 (Setz/Brunings) waar de Hoge Raad heeft beslist dat het enkele bestaan van een vordering wegens wanprestatie (een species van de onrechtmatige daad) niet aan het ontstaan van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking in de weg staat (waarbij moet worden opgemerkt dat de Hoge Raad artikel 6:212 niet beperkt tot inbreuken op exclusieve rechtsposities); instemmend met de Hoge Raad: Vranken 1998, p. 1503.
Artikel 6:162 lid 2. Zie ook HR 14 oktober 2005, NJ 2007/270 (Unocal/Conoco) en HR 12 maart 2004, NJ 2009/549 (XS4All).
Zie par. 4.4.5 onder ii.
Toerekenbaarheid kan in het kader van ongerechtvaardigde verrijking wel een rol spelen bij de vraag hoe groot de omvang van de vordering is, vgl. artikel 6:212 lid 2 en 3.
Ten slotte moet de vraag worden beantwoord wat heeft te gelden bij samenloop van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking met andere vorderingen.
Kan een bepaald verrijkingsfeit zowel een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking als een vordering uit onverschuldigde betaling doen ontstaan? Dat is inderdaad het geval – ook als artikel 6:212 wordt beperkt tot gevallen waarin een inbreuk is gepleegd op een exclusieve rechtspositie. Een verrijkingsfeit kan namelijk soms tegelijkertijd een inbreuk en een prestatie zijn.
Stel bijvoorbeeld dat X ten onrechte meent eigenaar te zijn van een ring die eigendom is van A. X sluit een schenkingsovereenkomst met B en levert de ring aan B. Ook al is B te goeder trouw, hij wordt toch geen eigenaar van de ring, omdat hij niet om baat heeft verkregen (artikel 3:86). X en vervolgens B plegen door de ring onder zich te houden een inbreuk op het eigendomsrecht van A. Daarom heeft A een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking op X en B; A kan een vergoeding vorderen voor het beschikken over en en het gebruiken van de ring.1 De levering van de ring door X aan B vormt ook een prestatie en is daarom een betaling in zin van artikel 6:203. Als de overeenkomst tussen X en B wordt vernietigd, kan X ook teruggave van de ring vorderen uit hoofde van artikel 6:203 lid 1.
Als zowel een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking als onverschuldigde betaling ontstaat, moet aan de hand van de regels over samenloop worden bepaald of de schuldeiser beide vorderingen naast elkaar kan instellen, dan wel of hij tussen deze vordering moet kiezen.2
Een vergelijkbare vraag rijst als een bepaalde gedraging zowel een verrijkingsfeit als een onrechtmatige daad vormt. Kan zowel een vordering ontstaan tot afdracht van een verrijking uit hoofde ongerechtvaardigde verrijking als een vordering tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad? Ik zie daartegen geen bezwaar als aan alle vereisten voor beide vorderingen is voldaan. Ook in een dergelijk geval moet aan de hand van de regels van samenloop worden beslist of schuldeiser dient te kiezen tussen beide vorderingen, dan wel of hij beiden naast elkaar kan instellen.3
Een voorbeeld verduidelijkt dat een verrijkingsfeit zowel een inbreuk op een exclusieve rechtspositie kan zijn (en daarom een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking doet ontstaan) als een onrechtmatige daad (en daarom een vordering tot schadevergoeding doet ontstaan). Stel dat A van de overheid als enige een concessie verkrijgt om in de Noordzee naar olie te boren in de bodem van een bepaald kavel. Op grond van de concessie is A exclusief bevoegd om de olie te winnen die zich in de bodem van het kavel bevindt. Niettemin wint B deze olie. B’s handeling vormt een inbreuk op een exclusieve rechtspositie van A. Zijn handeling is daarom in beginsel onrechtmatig.4 B moet de schade vergoeden die A lijdt. Zijn handeling heeft ook een ongerechtvaardigde verrijking tot gevolg. Immers, op grond van de concessie is A als enige gerechtigd tot de exploitatievoordelen die liggen besloten in de concessie. Uit deze exclusieve gerechtigdheid volgt in de eerste plaats dat het winnen van olie een verrijking is die B ten koste van A geniet. In de tweede plaats volgt uit deze exclusieve gerechtigdheid dat de verrijking van B in beginsel ongerechtvaardigd is.
Ten slotte verdient het volgende opmerking. Zoals hierboven is gebleken, wordt onder inbreuk in hier voorgestelde uitleg van artikel 6:212 verstaan: het uitoefenen van een bevoegdheid die op grond van een rechtspositie exclusief toekomt aan de rechthebbende.5 Een dergelijke uitoefening zal doorgaans ook een onrechtmatige daad zijn. Voor het ontstaan van een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad is vereist dat de gedraging van de laedens niet alleen onrechtmatig is, maar ook aan hem kan worden toegerekend. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend indien zij is te wijten aan zijn schuld of op grond van de wet of verkeersopvattingen voor zijn rekening dient te komen. Dergelijke toerekenbaarheid – wegens schuld dan wel op grond van de wet of verkeersopvattingen – is niet vereist voor het ontstaan van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking.6