Hof Amsterdam, 22-11-2022, nr. 200.229.231/01, nr. 200.266.816/01 (Equilib), nr. 200.229.216/01, nr. 200.266.819/01 (SCC)
ECLI:NL:GHAMS:2022:3269
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
22-11-2022
- Zaaknummer
200.229.231/01
200.266.816/01 (Equilib)
200.229.216/01
200.266.819/01 (SCC)
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Internationaal privaatrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Mededingingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2022:3269, Uitspraak, Hof Amsterdam, 22‑11‑2022; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:415
ECLI:NL:GHAMS:2020:713, Uitspraak, Hof Amsterdam, 10‑03‑2020; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2020:714, Uitspraak, Hof Amsterdam, 10‑03‑2020; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
JOR 2020/183 met annotatie van Biemans, J.W.A.
Uitspraak 22‑11‑2022
Inhoudsindicatie
Luchtvrachtkartel. Mededingingsrecht. Vervolg op ECLI:NL:GHAMS:2021:1940, ECLI:NL:GHAMS:2020:713 en ECLI:NL:GHAMS:2020:714. Gevolgen schending waarheidsplicht (art. 21 Rv). Gevolgen ECLI:EU:C:2021:904 voor de vraag of luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden? Toepasselijk recht op kartelschadevorderingen van indirecte afnemers luchtvrachtdiensten. Het hof bekrachtigt grotendeels en verwijst terug naar de rechtbank. Verlof tussentijds cassatieberoep.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummers: 200.229.231/01 en 200.266.816/01 (Equilib)
200.229.216/01 en 200.266.819/01 (SCC)
zaak-/rolnummers rechtbank Amsterdam : C/13/486440 / HA ZA 11-944 (Equilib I) C/13/561169 / HA ZA 14-283 (Equilib II)
zaak-/rolnummers rechtbank Amsterdam : C/13/562256 / HA ZA 14-348 (SCC I) en C/13/604492 / HA ZA 16-301 (SCC II)
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 november 2022
in de zaken van:
1. Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
2. Martinair Holland N.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat: mr. J.S. Kortmann te Amsterdam,
de rechtspersonen naar vreemd recht
3. Deutsche Lufthansa A.G.,
gevestigd te Keulen (Duitsland),
4. Lufthansa Cargo A.G.,
gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),
advocaat: mr. P.N. Malanczuk te Rotterdam,
5. British Airways Plc,
gevestigd te Harmondsworth, West Drayton (Verenigd Koninkrijk),
advocaat: mr. D.J. Beenders te Amsterdam,
6. Société Air France S.A.,
gevestigd te Trembley en France (Frankrijk),
advocaat: mr. D.A.M.H.W. Strik te Amsterdam,
7. Singapore Airlines Limited,
8. Singapore Airlines Cargo Pte Ltd,
beide gevestigd te Singapore (Singapore),
advocaat: mr. I.W. VerLoren van Themaat te Amsterdam,
appellanten,
en in de zaken 200.229.216 en 200.266.819/01(SCC) ook van:
9. Swiss International Air Lines A.G.,
gevestigd te Basel (Zwitserland),
advocaat: mr. P.N. Malanczuk te Rotterdam,
10. Air Canada S.A.,
gevestigd te Saint Laurent (Canada),
advocaat: mr. K.A.J. Bisschop te Amsterdam,
11. Cathay Pacific Airways Limited,
gevestigd te Hong Kong (China),
advocaat: mr. Ph.W.M. ter Burg te Den Haag,
appellanten,
tegen
in de zaken 200.229.231/01 en 200.266.816/01
Equilib Netherlands B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
incidenteel appellante,
advocaat: mr. M.H.J. van Maanen te Den Haag,
en
in de zaken 200.229.216/01 en 200.266.819/01
Stichting Cartel Compensation,
gevestigd te Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J. van den Brande te Rotterdam.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna wederom de luchtvaartmaatschappijen en Equilib respectievelijk SCC genoemd. Waar nodig worden de luchtvaartmaatschappijen elk voor zich aangeduid als KLM, Martinair, Air France, Singapore Cargo, Singapore, Lufthansa Cargo, Deutsche Lufthansa, Swiss International, BA, Air Canada en Cathay.
In de zaken 200.229.231/01 (Equilib) en 200.229.216/01 (SCC) heeft het hof op 10 maart 2020 tussenarresten uitgesproken (ECLI:NL:GHAMS:2020:713 (SCC) en ECLI:NL:GHAMS:2020:714 (Equilib); hierna: de tussenarresten I). Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar de tussenarresten I.
Op 14 januari 2021 heeft een zitting plaatsgevonden in deze zaken alsmede in de zaken 200.266.816/01 (Equilib) en 200.266.819/01 (SCC), die op de rol met deze zaken gevoegd zijn. Op 6 juli 2021 heeft het hof arrest gewezen in laatstbedoelde zaken (ECLI:NL:GHAMS:2021:1940; hierna: het tussenarrest II). Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar het tussenarrest II.
Daarna hebben partijen in alle zaken de volgende stukken ingediend:
- -
akte na tussenarrest van de luchtvaartmaatschappijen, behoudens BA, met een productie;
- -
akte na tussenarrest van BA;
- -
antwoordakte van Equilib;
- -
antwoordakte van SCC;
- -
aktes van Equilib en SCC, houdende overlegging arrest HvJEU, d.d. 30 november 2021;
- -
de mail van de luchtvaartmaatschappijen d.d. 15 februari 2022;
- -
de aktes van Equilib, SCC en de luchtvaartmaatschappijen van 15 maart 2022, aangaande de betekenis van het arrest van het HvJEU en de finale, niet-vertrouwelijke versie van de kartelbeschikking van de Commissie;
- -
de antwoordaktes van Equilib, SCC en de luchtvaartmaatschappijen van 12 april 2022 over deze onderwerpen, met producties.
Vervolgens is wederom arrest gevraagd.
2. Inleiding
2.1.
Deze procedures betreffen collectieve acties, ingesteld door Equilib en SCC tegen een aantal luchtvaartmaatschappijen (hierna: de luchtvaartmaatschappijen). Volgens Equilib en SCC hebben de luchtvaartmaatschappen, in het verband van een wereldwijd kartel, in het verleden verboden afspraken gemaakt over de prijzen van hun luchtvrachtdiensten. Afnemers van luchtvrachtdiensten stellen daardoor schade te hebben geleden. Zij hebben hun gepretendeerde schadevorderingen op de luchtvaartmaatschappijen aan Equilib en SCC gecedeerd. Equilib en SCC trachten die vorderingen in rechte te innen.
2.2.
Equilib en SCC (hierna gezamenlijk ook: de claimvehikels) hebben daartoe ieder twee procedures aanhangig gemaakt bij de rechtbank Amsterdam (Equilib I en II, hierna gezamenlijk de Equilib-procedures, respectievelijk SCC I en II, hierna gezamenlijk de SCC-procedures). De Equilib-procedures respectievelijk de SCC-procedures zijn op de rol gevoegd.
2.3.
Tijdens een regiecomparitie bij de rechtbank Amsterdam op 22 juni 2016 zijn in alle procedures procesafspraken gemaakt die erop waren gericht de behandeling van de procedures te bespoedigen in afwachting van de uitkomst van een procedure bij het Gerecht van de Europese Unie (hierna: het Gerecht of het GEA). Deze procesafspraken komen, kort gezegd, erop neer dat een ‘meersporenbeleid’ wordt gevolgd waarbij verschillende deelonderwerpen afzonderlijk en (slechts) gedeeltelijk gelijktijdig worden behandeld en waarbij over een beperkt aantal deelonderwerpen reeds beslissingen worden genomen, voordat het partijdebat over de volle breedte is voltooid. Gelet op de verwantschap tussen de Equilib- en de SCC-procedures gaan zij daarbij, in elk geval ten dele, ‘gelijk op’.
2.4.
Tot die deelonderwerpen waarover alvast is beslist behoort de vraag of de door de claimvehikels gepretendeerde vorderingen rechtsgeldig aan hen zijn gecedeerd, althans of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten werken. De rechtbank heeft tussentijds appel opengesteld van haar vonnissen over dat deelonderwerp. Dit hof heeft in de tussenarresten I over de daarmee verband houdende vragen een voorlopig oordeel gegeven en voorts overwogen dat een definitief antwoord niet kan worden gegeven zolang niet vast staat door welk recht de kartelschadevorderingen worden beheerst.
2.5.
Dat laatste, het toepasselijk recht, ook wel het vorderingsstatuut genoemd, is eveneens een deelonderwerp waarover de rechtbank alvast heeft beslist; ook van die vonnissen is tussentijds appel opengesteld. Op 6 juli 2021, na een zitting op 14 januari 2021, heeft dit hof in tussenarrest II een oordeel gegeven over het recht dat de kartelschadevorderingen beheerst.
2.6.
In dit arrest wordt, aan de hand van dat oordeel, nader beslist over de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden. Tevens wordt, voor zover nodig, ingegaan op enige nieuwe ontwikkelingen en de stelling van SCC dat de luchtvaartmaatschappijen eerder art. 21 Rv hebben geschonden.
2.7.
Het gaat hier om tussentijdse hoger beroepen. Daarom, en omdat partijen – mede gelet op bedoelde door de rechtbank vastgestelde procesorde – niet wensen dat het hof de zaken aan zich houdt, worden de zaken terugverwezen naar de rechtbank.
3. De verdere beoordeling
3.1.
De situatie zoals weergeven in 3.5 van de tussenarresten I (zowel in de zaak van SCC als in die van Equilib) is gewijzigd. Het HvJEU heeft op 11 november 2021 arrest gewezen (ECLI:EU:C:2021:904) en de prejudiciële vragen van de rechtbank Amsterdam in deze zaak beantwoord. Bovendien is inmiddels een finale, niet-vertrouwelijke versie van de kartelbeschikking van de Commissie gepubliceerd op 10 december 2021 (hierna ook: de nieuwe versie van de Beschikking) en heeft het Gerecht van Eerste Aanleg (GEA) op 30 maart 2022 beslist op door de luchtvaartmaatschappijen ingestelde beroepen tegen de Beschikking.
3.2.
Wat partijen na tussenarrest II hebben aangevoerd, geeft het hof geen aanleiding om terug te komen van de beslissingen in de tussenarresten I en het tussenarrest II en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. De hiervoor genoemde nieuwe ontwikkelingen nopen daartoe niet en de aanvullende argumentatie evenmin. Het hof blijft bij die beslissingen en overwegingen, met dien verstande dat deze hierna op enige punten aangevuld worden.
De finale, niet-vertrouwelijke versie van de Beschikking
Het beroep op art. 21 Rv
3.3.
In de nieuwe versie van de Beschikking zijn veel passages te lezen die eerder onleesbaar waren gemaakt. Uit deze versie (waarin overigens nog steeds delen onleesbaar zijn) blijkt dat in de eerdere versie veel passages, bewoordingen of zinnen waren geredigeerd die zien op het wereldwijde karakter van het kartel. Zo blijkt in het dispositief te staan:
‘By coordinating their pricing behaviour in the provision of airfreight services on a global basis [nadruk hof] with respect to the fuel surcharge, the security surcharge and the payment of commission payable on surcharges, the following undertakings have committed the following single and continuous infringement (…)’.
SCC heeft, tegen die achtergrond, betoogd dat de luchtvaartmaatschappijen art. 21 Rv meermalen ernstig hebben geschonden. De luchtvaartmaatschappijen kenden – als enigen in de procedures – de tekst van de Beschikking, ook op de onleesbaar gemaakte punten. Juist op die onleesbaar gemaakte punten hebben zij in deze procedures de inhoud van de Beschikking onjuist voorgesteld. SCC wijst bijvoorbeeld op enige vindplaatsen in de processtukken in eerste aanleg en op de memorie van grieven d.d. 20 februari 2018, nr. 72:
‘Bovendien is onjuist dat de in het Vonnis aangehaalde “documenten van
diverse mededingingsautoriteiten” zien op “afspraken[ ... ] met betrekking
tot al het vrachtvervoer dat tussen de kartelleden wereldwijd werd
verzorgd.”’
Uit de nieuwe versie van de Beschikking blijkt dat de Beschikking wel degelijk ziet op de wereldwijde scope en omvang van het kartel, hetgeen de luchtvaartmaatschappijen wisten, omdat zij de ongeredigeerde versie van de Beschikking kenden, aldus SCC.
SCC wenst dat daaraan consequenties worden verbonden, zoals het onmiddellijk toewijzen van alle vorderingen.
3.4.
Het hof stelt vast dat de luchtvaartmaatschappijen in de processtukken hebben ontkend dat de Beschikking op meerdere plaatsen verwees naar wereldwijde afspraken, hoewel zij wisten dat dat wel het geval was. Anders dan zij thans aanvoeren, hebben zij niet slechts ontkend dat het ging om een wereldwijde inbreuk op de mededingingsregels. Niet ter zake doet dat zij het met die teksten van de Commissie niet eens waren. Zij hebben door die onjuiste ontkenningen art. 21 Rv geschonden. Aan die schending zullen echter geen consequenties worden verbonden, omdat in het persbericht van de Commissie al werd gerept van een wereldwijd kartel. Zowel in de bestreden vonnissen als in de tussenarresten (zie tussenarrest II, rov 5.7) is ook reeds aangenomen dat een wereldwijd kartel bestond. De onjuiste stellingen hebben dus in zoverre de rechter niet om de tuin geleid. Voor het overige zijn deze onjuiste stellingen voor de vragen die thans aan het hof voorliggen (of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden en welk recht de vorderingen beheerst) niet van belang. Tegen die achtergrond is het niet nodig of aangewezen om aan die schending consequenties te verbinden en evenmin om, zoals de luchtvaartmaatschappijen verzoeken, een zitting te gelasten.
De overige consequenties van de nieuwe versie van de Beschikking
3.5.
De nieuwe versie heeft ook overigens geen consequenties; de overwegingen in de tussenarresten gelden na kennisneming van de nieuwe versie van de Beschikking nog onverkort.
Arrest GEA
3.6.
De beroepen die de meeste luchtvaartmaatschappijen (en enige andere karteldeelnemers die geen partij zijn in deze procedures) tegen de Beschikking hadden ingesteld zijn bij beslissingen van het GEA van 30 maart 2022 grotendeels verworpen. De punten waarop de beroepen van BA (partij in zowel de Equilib als de SCC-procedures) en Air Canada (partij in de Equilib procedures) gegrond zijn verklaard, zien op het onderdeel van de inbreuk dat betrekking heeft op het betalen van commissie over de toeslagen. Niet gesteld of gebleken is dat dat onderdeel een rol speelt in de nu aan dit hof voorliggende tussentijdse hoger beroepen.
3.7.
Omdat nog hoger beroep openstaat bij het HvJEU en kennelijk (sommige van) de luchtvaartmaatschappijen die beroepsmogelijkheid ook benutten, is nog steeds geen sprake van een onherroepelijk en definitief oordeel van de Unierechter. In zoverre gelden ook de overwegingen in de tussenarresten over de voorlopigheid van het oordeel (bijv. tussenarrest II, 5.2.6) nog onverkort.
Voor het overige maakt de beslissing van het GEA geen verschil voor de inhoudelijke en feitelijke grondslag van de overwegingen en beslissingen in de tussenarresten, nu de Beschikking op de mogelijk relevante punten is bekrachtigd.
Arrest HvJEU
3.8.
De prejudiciële vragen die de rechtbank aan het HvJEU heeft gesteld zijn bij arrest van 11 november 2021 als volgt beantwoord (ECLI:EU:C:2021:904):
‘De artikelen 81, 84 en 85 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 moeten aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter bevoegd is om in een privaatrechtelijk geschil betreffende een na de inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 [EG] bij hem ingestelde vordering tot schadevergoeding, artikel 81 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte toe te passen op gedragingen van ondernemingen in de sector van het luchtvervoer tussen een lidstaat en een ander derde land dan Zwitserland die hebben plaatsgevonden vóór 1 mei 2004, op gedragingen van ondernemingen in de sector van het luchtvervoer tussen een lidstaat en Zwitserland die hebben plaatsgevonden vóór 1 juni 2002, en op gedragingen van ondernemingen in de sector van het luchtvervoer tussen een tot de Europese Economische Ruimte behorend land dat geen lidstaat is en een derde land die hebben plaatsgevonden vóór 19 mei 2005, ook al is met betrekking tot die gedragingen geen besluit krachtens artikel 84 EG dan wel artikel 85 EG vastgesteld, voor zover die gedragingen de handel tussen lidstaten respectievelijk de handel tussen de partijen bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte ongunstig konden beïnvloeden.’
Het HvJEU heeft deze beantwoording als volgt gemotiveerd:
’35 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de artikelen 81, 84 en 85 EG en artikel 53 van de EEROvereenkomst aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale rechter bevoegd is om in een privaatrechtelijk geschil betreffende een na de inwerkingtreding van verordening nr. 1/2003 bij hem ingestelde vordering tot schadevergoeding, artikel 81 EG of artikel 53 van de EEROvereenkomst toe te passen op gedragingen van ondernemingen in de sector van het luchtvervoer tussen een lidstaat en een ander derde land dan Zwitserland die hebben plaatsgevonden vóór 1 mei 2004, op gedragingen van ondernemingen in de sector van het luchtvervoer tussen een lidstaat en Zwitserland die hebben plaatsgevonden vóór 1 juni 2002, en op gedragingen van ondernemingen in de sector van het luchtvervoer tussen een EERland dat geen lidstaat is en een derde land die hebben plaatsgevonden vóór 19 mei 2005, ook al hebben de autoriteiten van de lidstaten of de Commissie met betrekking tot die gedragingen geen besluit krachtens artikel 84 EG dan wel artikel 85 EG vastgesteld
(…)
42 In het onderhavige geval vielen de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde gedragingen, voor zover die om te beginnen hebben plaatsgevonden tussen 1999 en 1 mei 2004, voorts rechtstreeks betrekking hadden op luchtvervoersdiensten tussen luchthavens van de Unie en derde landen en tevens de handel tussen de lidstaten ongunstig konden beïnvloeden in de zin van artikel 81, lid 1, EG – hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan –, niet onder de krachtens artikel 83 EG vastgestelde bepalingen, maar enkel onder de regelingen voor de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 84 en 85 EG.
43 Hetzelfde geldt voor de gedragingen in de hoofdgedingen die hebben plaatsgevonden tussen 1999 en de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, te weten 1 juni 2002, voor zover zij rechtstreeks betrekking hadden op luchtvervoersdiensten tussen luchthavens van de Unie en die van Zwitserland en de handel tussen de lidstaten ongunstig konden beïnvloeden, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan. Zoals blijkt uit artikel 1, lid 2, van deze overeenkomst, gelezen in samenhang met de bijlage erbij, worden de luchthavens op het Zwitserse grondgebied sinds de inwerkingtreding van deze overeenkomst immers beschouwd als „luchthavens van de [Unie]” in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 3975/87 en artikel 1 van verordening nr. 3976/87, en niet meer als luchthavens van derde landen.
(…)
51 De nationale rechterlijke instanties zijn dus bevoegd om artikel 81 EG in met name privaatrechtelijke geschillen toe te passen en ontlenen deze bevoegdheid aan de rechtstreekse werking van dit artikel (…).
52 Volgens vaste rechtspraak dient de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheden belast is met de toepassing van het Unierecht, immers niet alleen de volle werking van dat recht te verzekeren maar ook de daarin aan particulieren toegekende rechten te beschermen (…). Het staat aan deze rechterlijke instanties om te zorgen voor de rechtsbescherming die voor de justitiabelen voortvloeit uit de rechtstreekse werking van Unierechtelijke bepalingen (…).
53 Ten derde moet worden benadrukt dat, zoals de advocaat-generaal in essentie heeft opgemerkt in de punten 43 en 44 van zijn conclusie, de in punt 51 van dit arrest bedoelde bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties niet wordt aangetast door de toepassing van de artikelen 84 en 85 EG, aangezien geen van deze twee bepalingen – die betrekking hebben op de administratieve uitvoering van de mededingingsregels van de Unie door respectievelijk de autoriteiten van de lidstaten en de Commissie – de toepassing van artikel 81 EG door de nationale rechterlijke instanties, met name in privaatrechtelijke geschillen, beperkt. (…)’
3.9.
Daarmee staat vast dat de door Equilib en SCC ingestelde vorderingen, voor zover zij strekken tot het verkrijgen van (verklaringen voor recht met het oog op nog vast te stellen) schadevergoeding en gebaseerd zijn op de stelling dat sprake is van onrechtmatig handelen bestaande in schendingen van het mededingingsrecht van de Europese Unie, beoordeeld kunnen worden door de Nederlandse rechter op grond van (thans) art. 101 VWEU, ook voor zover zij zien op vrachtvluchten die dateren van vóór 1 mei 2004, 1 juni 2002 respectievelijk 19 mei 2005 op de aan de orde zijnde trajecten. (Partijen duiden deze ook aan als de Asjes-vluchten). Daarbij zal uiteraard nog wel in rechte moeten worden vastgesteld of de gestelde schendingen de handel tussen de lidstaten dan wel de EER-landen en Zwitserland ongunstig konden beïnvloeden en of overigens is voldaan aan de eisen die gesteld worden aan een schending van het mededingingsrecht van de Europese Unie. Aan die taak zal de rechtbank zich in deze zaken hebben te zetten. Dit hof kan en zal daarover, in het kader van deze tussentijdse hoger beroepen over de ‘sporen’ cessies en toepasselijk recht, geen beslissingen nemen.
3.10.
Voor de thans voorliggende vragen of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden en welk recht toepasselijk is op de kartelschadevorderingen is de hiervoor geciteerde beslissing van het HvJEU verder niet rechtstreeks relevant. Partijen gaan daarvan kennelijk evenzeer uit. Zij hebben weliswaar deze beslissing (met goedvinden van het hof) in het geding gebracht, doch zij hebben zich daarbij niet op het standpunt gesteld dat deze voor de thans te beslissen geschilpunten moet leiden tot wijziging van hun eerder ingenomen posities of tot heroverweging van de door het hof genomen beslissingen. Het hof zal daaraan dan ook geen consequenties verbinden, behoudens voor zover het gaat om de door Equilib gewenste verduidelijking, waarop hierna onder 3.12 wordt teruggekomen.
Op de kartelschadevorderingen toepasselijk recht (Equilib)
3.11.
In het tussenarrest II is het hof tot de conclusie gekomen dat de follow on-kartelschadevorderingen, voor zover die zien op vluchten die vallen binnen het bereik van de Beschikking, worden beheerst door Nederlands recht. Daarbij heeft het hof overwogen (onder 5.2.4-5.2.6 en 5.21) dat het hier een voorlopig oordeel betreft en dat een definitief oordeel pas aan de orde is als de relevante feiten vaststaan en indien en voor zover de juistheid van (de feiten in) de Beschikking in rechte is vastgesteld. De procedure daarover bij het HvJEU is nog niet afgerond. Het voorlopig karakter van het oordeel over de toepasselijkheid van het Nederlandse recht geldt voor zover dat oordeel steunt op de Beschikking.
3.12.
Equilib heeft verzocht om verduidelijking in het (dit) eindarrest van het oordeel van het hof inzake het toepasselijke recht. Equilib stelt daarover in haar antwoordakte (onder nr. 13):
‘Teneinde te voorkomen dat uw beslissing in Tussenarrest II slechts zo wordt begrepen, dat louter (zuivere) follow-on vorderingen worden beoordeeld naar Nederlands recht, verzoekt Equilib uw Gerechtshof om te verduidelijken dat uw beslissing over het toepasselijk recht tevens van toepassing is op de schadevorderingen van Equilib voor zover die zijn gebaseerd op een schending van het Europees mededingingsrecht ten aanzien van de hierboven in randnummer 7 (a)-(c) genoemde luchtvrachtdiensten.’
Dat randnummer luidt:
‘De schadevorderingen van Equilib zijn immers ook gebaseerd op een schending van het Europees mededingingsrecht ten aanzien [van] luchtvrachtdiensten uitgevoerd vanaf december 1999 (de aanvang van het kartel) tot:
(a) 1 mei 2004, tussen luchthavens in de EU en luchthavens buiten de EER;
(b) 19 mei 2005, tussen luchthavens in IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en luchthavens buiten de EER; en
(c) 1 juni 2002 tussen luchthavens in de EU en luchthavens in Zwitserland.
In zoverre is, naar Equilib terecht aanvoert, geen sprake van (zuivere) follow on-vorderingen maar van stand alone-vorderingen, omdat deze buiten het bereik van de Beschikking vallen (de eerder genoemde Asjes-vluchten).
3.13.
Het verzoek om verduidelijking ziet anderzijds op vorderingen die wel als follow on-vorderingen zijn aan te merken, doch die een andere periode bestrijken.
De antwoordakte luidt op dat punt (nr. 14):
De schadevorderingen die Equilib heeft ingesteld, hebben ook betrekking op luchtvrachtdiensten in de periode na de kartelperiode, wegens de (door Equilib gestelde) na ijlende effecten van de door de Commissie vastgestelde schending van het Europees mededingingsrecht. Equilib heeft gesteld dat deze na-ijlende effecten in ieder geval hebben geduurd tot en met 31 december 2008. Het deel van de schadevorderingen met betrekking tot luchtvrachtdiensten in deze jaren na de kartelperiode heeft Equilib separaat aan zich laten cederen en in de procedure in eerste aanleg ingediend.
3.14.
Wat betreft de stand alone-vorderingen als bedoeld onder 3.12, is de reden dat deze vorderingen buiten het bereik van de Beschikking vallen louter dat de Commissie zich (temporeel) niet bevoegd achtte. De beslissing van het HvJEU brengt mee, dat dit in zoverre zonder belang is dat de Nederlandse rechter desondanks bevoegd is de vorderingen die gebaseerd zijn op (thans) art. 101 VWEU te beoordelen. Voor de vraag welk recht van toepassing is op deze vorderingen wordt het tussenarrest II verduidelijkt in die zin dat het ook ziet op deze vorderingen en dat daarop dus Nederlands recht van toepassing is, indien en voor zover de Nederlandse rechter zal vaststellen dat zich een schending van het mededingingsrecht van de Unie heeft voorgedaan, die tot een rechtstreekse en aanzienlijke verstoring van de mededinging op de Nederlandse markt heeft geleid en dat ook overigens is voldaan aan de (bij wijze van analogie toe te passen) eisen van art. 6 lid 3 onder b Rome II-Verordening (vgl. tussenarrest II onder 5.15 e.v,). Indien aan deze veronderstelling wordt voldaan, gelden (mutatis mutandis) de argumenten die het hof in het tussenarrest heeft genoemd voor de toepasselijkheid van Nederlands recht op follow-on-vorderingen. Partijen hebben ten aanzien van de hier bedoelde stand alone-vorderingen in de voor het tussenarrest II gewisselde stukken geen relevante aparte, afwijkende standpunten verdedigd, zodat het hof ervan uitgaat dat alles wat zij hebben aangevoerd evenzeer ziet op deze vorderingen.
3.15.
Wat betreft de follow-on-vorderingen als bedoeld in rov. 3.13 (gebaseerd op de na-ijleffecten), geldt dat voor zover het tussenarrest II op dit punt tot misverstand kan leiden, thans verduidelijkt wordt dat onderscheid gemaakt moet worden tussen de periode waarin de schade is ontstaan waarvan Equilib vergoeding vordert en het tijdvak van de mededingingsbeperkende gedragingen waarop de Beschikking ziet. Nu de stelling van Equilib is dat die gedragingen ook latere transacties hebben beïnvloed en dus na afloop van het kartel nog schade hebben veroorzaakt, is er geen reden om op die schadeposten ander dan Nederlands recht van toepassing te achten. Elke shipper heeft immers, zoals overwogen onder 5.11.6 van tussenarrest II, één enkele schadevordering op elke kartellist. Daarmee is uiteraard niet gezegd dat of in hoeverre van dergelijke na-ijlende schade werkelijk sprake is geweest. Daarover zal de rechtbank hebben te beslissen.
Op de kartelschadevorderingen toepasselijk recht bij extra-Europese vluchten (SCC)
3.16.
Het verzoek van SCC om dit arrest aan te houden totdat het HvJEU uitspraak op de prejudiciële vragen heeft gedaan is achterhaald omdat het HvJEU deze vragen inmiddels heeft beantwoord. De beslissing van het HvJEU brengt mee, dat de Nederlandse rechter bevoegd is de vorderingen die gebaseerd zijn op (thans) art. 101 VWEU te beoordelen.
Dat betekent echter, anders dan ten aanzien van de stand alone-vorderingen van Equilib als bedoeld onder 3.12, niet dat over de stand alone-vorderingen van SCC nu beslissingen kunnen worden genomen. Die vorderingen zijn gebaseerd op (gestelde) mededingingsbeperkingen die buiten het geografische bereik van de Beschikking vallen. Zoals onder 5.18 van tussenarrest II is vastgesteld zijn deze vorderingen van SCC, waaraan in het partijdebat wel apart aandacht is besteed, tot dusver onvoldoende toegelicht. De goede procesorde staat eraan in de weg dat het hof de stellingen die SCC in haar laatste akte onder nrs. 11-15 heeft ingenomen, waarop de luchtvaartmaatschappijen niet hebben kunnen reageren, in zijn oordeel betrekt.
Dat betekent dus dat het hof blijft bij hetgeen is overwogen onder 5.21 van tussenarrest II. Het is aan de rechtbank om hieromtrent nadere beslissingen te nemen.
Toepasselijk recht in alle zaken - conclusie
3.17.
De conclusie is dus, uitgaande van de rechtsgeldigheid van de Beschikking, dat Nederlands recht toepasselijk is op alle follow on-vorderingen. Verdere definitieve beslissingen over die vorderingen kunnen pas worden genomen nadat het oordeel van het HvJEU over de Beschikking bekend is.
Nederlands recht is eveneens van toepassing op de stand alone-vorderingen van Equilib als bedoeld in 3.12, indien en voor zover is voldaan aan de veronderstelling als hiervoor onder 3.15 bedoeld.
In de zaak 200.266.816/01 heeft Equilib incidenteel appel ingesteld onder de voorwaarde dat het hof zou oordelen dat de rechtbank niet mocht beslissen dat zij Nederlands recht zou (mogen) toepassen op alle schadevorderingen van Equilib. Uit het voorgaande blijkt dat deze voorwaarde niet is vervuld, zodat het hof niet toekomt aan het incidenteel appel van Equilib.
Het is aan de rechtbank om nader te beslissen over het toepasselijk recht op de onder 3.11 bedoelde stand alone-vorderingen van SCC.
Cessies algemeen
3.18.
Geen van partijen is concreet ingegaan op de in tussenarrest II (onder 5.22) gegeven mogelijkheid om zich nader uit te laten over de gevolgen van tussenarrest II voor het oordeel over de cessies als vervat in tussenarresten I.
Nu in tussenarrest II is vastgesteld dat Nederlands recht van toepassing is op de kartelschadevorderingen, blijkt de veronderstelling in tussenarresten I juist en kunnen alle in die arresten op basis van die veronderstelling gegeven oordelen worden gehandhaafd, inclusief het oordeel omtrent het bezitsvermoeden. Het hof volgt niet de stelling van de luchtvaartmaatschappijen dat van hen niet mocht worden verlangd zich uit te laten over de gevolgen van tussenarrest II voor het oordeel over de cessies uit tussenarresten I, zolang tussenarrest II niet onherroepelijk is. De conclusie luidt dat de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden.
Cessies - Equilib
3.19.
Equilib heeft eerder al wel, in haar akte van april 2020, laten weten dat zij geen gebruik zal maken van de haar geboden gelegenheid (tussenarrest I Equilib onder 4.22.2) om nadere documentatie over te leggen aangaande twee shippers, Leo van der Weijden BV en Plantas del Caribe BV, ten aanzien van wie de geldigheid van de cessie in geschil was. Equilib heeft haar vorderingen ingetrokken, voor zover deze gebaseerd zijn op schade die deze shippers hebben geleden. De vorderingen van Equilib behoeven in zoverre geen nadere bespreking.
3.20.
Het hof heeft in tussenarrest I Equilib onder 4.24 beslist dat de vermeerderde eis in incidenteel appel, inhoudend alsnog te verklaren voor recht dat de Fransrechtelijke Cessies naar het cessiestatuut rechtsgeldig zijn, toewijsbaar is in die zin dat het hof begrijpt dat gevorderd wordt voor recht te verklaren dat de luchtvaartmaatschappijen die tegen zich hebben te laten gelden.
Cessies - SCC
3.21.
SCC heeft erop gewezen (in haar eerste antwoordakte) dat zij haar vorderingen niet slechts kan instellen omdat deze aan haar gecedeerd zijn, maar ook, subsidiair, omdat zij gevolmachtigd is om dat, op eigen naam, namens de betrokken shippers te doen. Wat daarvan zij, voor de thans voorliggende beslissingen is dat niet van belang. De rechtbank kan zich daar te zijner tijd, zo nodig, over buigen.
Slotsom en kosten
3.22.
De in de verschillende zaken aangevoerde grieven behoeven geen nadere bespreking en van ter zake doende bewijsaanbiedingen is geen sprake. Gelet op het voorgaande zullen de bestreden vonnissen worden vernietigd voor zover daarbij verklaringen voor recht zijn gegeven en voor het overige worden bekrachtigd.
Voorts zal de door Equilib in incidenteel appel (in zaak 200.229.231/01) gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen.
Er is geen grond (als bedoeld in artikel 355 Rv) om de zaak in hoogste ressort af te doen. Het hof zal de zaken terugverwijzen naar de rechtbank opdat daarop verder wordt beslist, met inachtneming van de daar in overleg met partijen vastgestelde procesorde.
3.23.
De luchtvaartmaatschappijen worden, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen, veroordeeld in de kosten van de vier hogerberoepsprocedures, het incidenteel appel in de zaak 200.266.816/01 daaronder begrepen. Bij de vaststelling van het salaris is gerekend met € 5.705 per punt.
Tussentijds cassatieberoep
3.24.
Ter zitting en in diverse processtukken hebben de luchtvaartmaatschappijen verzocht tussentijds beroep in cassatie open te stellen. Zij hebben daartoe aangevoerd dat het gaat om verstrekkende en principiële (en naar hun idee ook controversiële) beslissingen in deze complexe zaken, die nog lang niet tot een einde zijn gekomen en waarin aanzienlijke kosten voor het vervolg gemaakt zullen moeten worden. SCC heeft bezwaar gemaakt en gewezen op de te verwachten vertraging. Equilib heeft laten weten dat zij geen bezwaar heeft tegen tussentijds cassatieberoep, mits gedurende de periode dat die cassatieprocedure loopt de procedure bij de rechtbank blijft doorlopen, zoals dat tijdens deze tussentijdse hoger beroepen ook steeds het geval geweest is.
Het hof zal het verzoek om tussentijds cassatieberoep open te stellen toewijzen. De aard van de thans genomen beslissingen brengt mee, dat een uitzondering op het wettelijk uitgangspunt gerechtvaardigd is. De rechtbank gaat, naar het hof aanneemt, intussen verder met een ander spoor in de procedures (met name de vaststelling van de schade). De luchtvaartmaatschappijen hebben laten weten dat zij daar geen bezwaar tegen hebben en dat zij er ook van uitgaan dat de rechtbank dit procesbeleid tijdens de cassatieprocedure zal voortzetten. Daarbij komt dat het om grote (financiële) belangen gaat en dat hoe dan ook niet valt te verwachten dat de rechtbank spoedig tot een eindvonnis zal kunnen komen. Ten slotte weegt het hof mee, dat dit arrest ten aanzien van de vordering van Equilib in incidenteel appel (strekkende tot een verklaring voor recht aangaande de Fransrechtelijke cessies) een beslissing op het gevorderde inhoudt, zodat het voor dat deel is aan te merken als een eindarrest. In zoverre staat cassatieberoep dus open zonder dat verlof vereist is. Omdat het wenselijk is dat de zaken bij elkaar blijven weegt dat aspect mee.
4. Beslissing
Het hof:
in de zaken met zaaknummers 200.229.231/01, 200.229.216/01, 200.266.816/01 en 200.266.819/01
vernietigt de bestreden vonnissen voor zover daarbij verklaringen voor recht zijn gegeven;
bekrachtigt deze vonnissen voor het overige;
in incidenteel appel in de zaak met 200.266.816/01
verklaart voor recht dat de luchtvaartmaatschappijen de Fransrechtelijke cessies aan Equilib tegen zich moeten laten gelden;
in de zaak 200.229.231/01 :
veroordeelt de luchtvaartmaatschappijen hoofdelijk in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Equilib begroot op € 716 aan verschotten en € 51.345 voor salaris;
in de zaak 200.266.816/01:
veroordeelt de luchtvaartmaatschappijen hoofdelijk in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Equilib begroot op € 741 aan verschotten en € 34.230 voor salaris;
in de zaak 200.266.819/01:
veroordeelt de luchtvaartmaatschappijen in de kosten van het geding in appel tot op heden aan de zijde van SCC begroot op € 741 aan verschotten en € 34.230 voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
in de zaak 200.229.216/01:
veroordeelt de luchtvaartmaatschappijen in de kosten van het geding in appel tot op heden aan de zijde van SCC begroot op € 716 aan verschotten en € 51.345 voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
in alle zaken:
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde;
bepaalt dat tegen dit arrest, voor zover het een tussenarrest is, tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, J.M. de Jongh en A.P. Wessels en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 november 2022.
Uitspraak 10‑03‑2020
Inhoudsindicatie
Luchtvaartkartel. Cessie vorderingen aan claimvehikel. Heeft schuldenaar belang bij vaststelling geldigheid cessie of is voor schuldenaar beslissend of hij op redelijke gronden moet aannemen dat (kan betwijfelen of) cessie geldig is? Art. 6:34 en 6:37 BW. Op cessie-overeenkomst toepasselijk recht (art. 14 Rome I; art. 10:135 BW). Mededelingsplicht; informatierecht schuldenaar (art. 3:94 lid 1 en 4 BW). Redelijke grond tot twijfel indien cessieovereenkomst wordt beheerst door Duits of Frans recht. Cessie aan claimvehikel strijdig met fiduciaverbod (art. 3:84 lid 3 BW)? Bepaaldheidsvereiste. Belang schuldenaar bij betwisting geldigheid handtekening cessieakte en bij vaststelling bevoegde vertegenwoordiging cedent in cessieakte. Bezitsvermoeden vordering (art. 3:119 BW). Is vordering vatbaar voor bezit? Samenhang met ECLI:NL:GHAMS:2020:714
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.229.216/01
zaak-/rolnummers rechtbank Amsterdam : C/13/562256 / HA ZA 14-348 (SCC I) en C/13/604492 / HA ZA 16-301 (SCC II)
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 maart 2020
1. Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
2. Martinair Holland N.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat: mr. J.S. Kortmann te Amsterdam,
de rechtspersonen naar vreemd recht
3. Deutsche Lufthansa A.G.,
gevestigd te Keulen (Duitsland),
4. Lufthansa Cargo A.G.,
gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),
advocaat: mr. P.N. Malanczuk te Rotterdam,
5. British Airways Plc,
gevestigd te Harmondsworth, West Drayton (Verenigd Koninkrijk),
advocaat: mr. D.J. Beenders te Amsterdam,
6. Société Air France S.A.,
gevestigd te Trembley en France (Frankrijk),
advocaat: mr. D.A.M.H.W. Strik te Amsterdam,
7. Singapore Airlines Limited,
8. Singapore Airlines Cargo Pte Ltd,
beide gevestigd te Singapore (Singapore),
advocaat: mr. I.W. VerLoren van Themaat te Amsterdam,
appellanten,
tegen
Stichting Cartel Compensation,
gevestigd te Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J. van den Brande te Rotterdam.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna KLM, Martinair, Deutsche Lufthansa, Lufthansa Cargo, BA, Air France, Singapore, Singapore Cargo (gezamenlijk: de luchtvaartmaatschappijen) en SCC genoemd. Deutsche Lufthansa en Lufthansa Cargo zullen hierna gezamenlijk (in enkelvoud) Lufthansa worden genoemd; Singapore en Singapore Cargo zullen hierna gezamenlijk (in enkelvoud) Singapore Airlines worden genoemd.
De luchtvaartmaatschappijen zijn bij dagvaarding van 31 oktober 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2017 in gevoegde zaken onder bovenvermelde zaak-/rolnummers gewezen tussen SCC als eiseres en de luchtvaartmaatschappijen als gedaagden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven van de zijde van Lufthansa, met producties;
- memorie van grieven van de zijde van KLM, Air France en Martinair, waarin zij zich hebben aangesloten bij de grieven en het petitum van de zijde van Lufthansa;
- memorie van grieven van de zijde van BA, waarin zij zich heeft aangesloten bij de grieven en het petitum van de zijde van Lufthansa;
- memorie van grieven van de zijde van Singapore Airlines, waarin zij zich heeft aangesloten bij de grieven en het petitum van de zijde van Lufthansa;
- memorie van antwoord, met producties.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 4 juni 2019 doen bepleiten, en wel als volgt:
- -
KLM en Martinair door mr. Kortmann voornoemd aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd;
- -
Lufthansa door mr. Malanczuk voornoemd en mr. J.P. van der Klein, advocaat te Amsterdam aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd;
- -
BA door mr. Beenders voornoemd en mr. M.J. Portman, advocaat te Amsterdam;
- -
Air France door mr. Strik voornoemd;
- -
Singapore Airlines door mrs. N.T. Dempsey en J.H.G. Hordijk, advocaten te Amsterdam;
- -
SCC door mr. Van den Brande voornoemd en mrs. J.T. Verheij en B.D. van der Ven, advocaten te Rotterdam.
Lufthansa heeft nog producties in het geding gebracht.
Op 5 juni 2019 is een (regie)comparitie gehouden.
Ten slotte is arrest gevraagd.
De luchtvaartmaatschappijen hebben gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog de vorderingen van SCC zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten met nakosten en rente.
SCC heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van de luchtvaartmaatschappijen in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
2. Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.23 de feiten weergegeven die zij als vaststaand heeft aangenomen. Voor zover met grief II.1 tot en met II.9 wordt geklaagd over de juistheid van de door de rechtbank vastgestelde feiten zal het hof deze klachten in aanmerking nemen bij onderstaande samenvatting van de feiten. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
2.1.
De Europese Commissie (hierna: de Commissie) heeft in een besluit van 9 november 2010 geoordeeld dat diverse luchtvaartmaatschappijen – waaronder de luchtvaartmaatschappijen – in de periode vanaf december 1999 tot 14 februari 2006 brandstof- en veiligheidstoeslagen ten aanzien van vluchten van, naar en binnen de Europese Economische Ruimte hebben gecoördineerd, hetgeen in strijd is met artikel 101 WVEU (respectievelijk de daaraan temporeel voorafgaande Verdragsbepalingen). Aan elf luchtvaartmaatschappijen zijn geldboetes opgelegd voor een totaalbedrag van € 799.445.000 wegens deelname aan een internationaal kartel. Dit besluit (hierna: het oude besluit) is aan de luchtvaartmaatschappijen bekend gemaakt. Voorts heeft de Europese Commissie daaromtrent een persbericht doen uitgaan.
2.2.
Tegen het oude besluit is door alle twintig geadresseerden daarvan, met uitzondering van Qantas Airways Limited (hierna: Qantas), beroep ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie (hierna: het Gerecht). Bij arresten van 16 december 2015 heeft het Gerecht de beroepen gegrond verklaard en het oude besluit van de Commissie (ten aanzien van BA gedeeltelijk) nietig verklaard. De Commissie heeft geen beroep ingesteld tegen deze arresten.
2.3.
BA heeft tegen het arrest van het Gerecht beroep ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU), dat door het hof bij arrest van 17 november 2017 is afgewezen.
2.4.
De Europese Commissie heeft op 17 maart 2017 een nieuw besluit genomen en dit bekend gemaakt (Besluit van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 53 van de EER-overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (Zaak AT.39258 – Luchtvracht)); hierna: het nieuwe besluit). Daarin heeft de Europese Commissie wederom geoordeeld dat in de hiervoor onder 2.1 genoemde periode sprake was van een internationaal kartel en heeft zij aan een aantal luchtvaartmaatschappijen – waaronder de luchtvaartmaatschappijen – geldboetes opgelegd voor een totaalbedrag van € 776.465.000 voor deelname aan dat kartel. Alle beboete luchtvaartmaatschappijen (met uitzondering van Qantas) hebben tegen het nieuwe besluit beroep ingesteld bij het Gerecht. Ten tijde van het wijzen van dit arrest is deze procedure nog aanhangig.
2.5.
Er zijn, zo stelt SCC, brandstoftoeslagen en andere toeslagen aan de afzenders van goederen die luchtvrachtdiensten hebben afgenomen (hierna: de shippers) in rekening gebracht via expediteurs (hierna ook: de freight forwarders).
2.6.
SCC is een Nederlandse stichting die speciaal is opgericht om schadevergoedingsvorderingen (die zijn ontstaan door mededingingsrechtelijke inbreuken) in rechte te verhalen, in dit geval de vorderingen die een aantal shippers meent te hebben op de luchtvaartmaatschappijen ter zake van het hiervoor bedoelde kartel. SCC is opgericht door Omni Bridgeway, een vennootschap die zich bezighoudt met het financieren en begeleiden van bedrijven bij het terugvorderen van verliezen die zij hebben geleden als gevolg van illegale prijsafspraken. Omni Bridgeway is tevens enig bestuurder van SCC.
2.7.
SCC koopt de vorderingen op, bundelt deze en gaat deze vervolgens in eigen naam innen. Hiertoe cederen degenen die menen een schadevordering te hebben (in dit geval de shippers) hun (vermeende) vorderingen aan SCC. De door SCC overgelegde cessiedocumentatie – ten aanzien van de vorderingen van uiteindelijk 266 shippers (die op de lijst staan die door SCC is overgelegd als productie 56) – betreft de tot cessie strekkende overeenkomsten (hierna: de cessieovereenkomsten) tussen deze shippers als (beoogd) cedenten en SCC als beoogd cessionaris (Assignment Debt & Purchase Agreements, ADPA’s), de akten van cessie tussen de shippers en SCC (Assignments) en de bevestiging van de shippers ten aanzien van de omvang van de door hen aan SCC overgedragen vorderingen (Acknowledgment & Clarifications, A&C’s).
2.8.
Onder de 266 shippers bevinden zich (groepsmaatschappijen van) de Duitse ondernemingen Siemens A.G. en Infineon Technologies A.G. (hierna: de Siemens-groep, respectievelijk de Infineon-groep).
2.9.
In het kader van deze procedure heeft SCC de shippers onderverdeeld in drie groepen. De eerste groep shippers omvat de shippers die in (de lijst overgelegd als productie 1 bij) de dagvaarding in de SCC I procedure zijn genoemd. De tweede groep shippers omvat de shippers die in (de lijst overgelegd als productie 44 bij) de akte wijziging eis van 13 mei 2015 in de SCC I procedure, alsook in (de lijst overgelegd als productie 1 bij) de dagvaarding in de SCC II procedure zijn genoemd. In de lijst overgelegd als productie 1 bij de dagvaarding in de SCC II procedure is tevens de derde groep shippers opgenomen.
2.10.
SCC heeft verder, voor zover van belang, interne cessiedocumentatie met betrekking tot (shippers die behoren tot) de Siemens-groep en de Infineon-groep overgelegd. Volgens SCC hebben binnen die groepen sommige groepsmaatschappijen hun vorderingen eerst bij een Agreement on the Sale, Assignment and Transfer of Rights (ASATR) intern aan de moedermaatschappij verkocht en overgedragen. Daarnaast hebben de desbetreffende groepsmaatschappijen de moedermaatschappij op basis van een Agency Agreement (AA) gemachtigd om hun vorderingen namens hen aan SCC over te dragen en/of namens hen tegen de luchtvaartmaatschappijen in te (laten) stellen. Volgens SCC heeft de moedermaatschappij de desbetreffende vorderingen van de groepsmaatschappijen vervolgens op basis van een cessieovereenkomst aan SCC overgedragen. Ten aanzien van andere groepsmaatschappijen heeft de moedermaatschappij hun vorderingen aan SCC overgedragen door de cessieakte mede namens deze groepsmaatschappijen te tekenen. De desbetreffende groepsmaatschappijen hebben deze vertegenwoordiging door de moedermaatschappij vervolgens bevestigd in zogenaamde ‘Confirmations’, aldus steeds SCC.
2.11.
De cessieovereenkomsten (ADPA’s), tevens akten van cessie, tussen de shippers (die geen deel van een van de hiervoor onder 2.8 of 2.10 bedoelde groepen uitmaken) en SCC zijn op hoofdlijnen gelijkluidend en luiden als volgt, voor zover hier relevant:
‘A. Background
I. The Assignor:
(i) purchased international air cargo services for routes to, from and/or within Europe between 1 January 2000 and 31 December 2006, either directly or indirectly (for example through a freight forwarder);
(ii) is likely to be entitled to recover the amount overpaid for those services as a result of the illegal and anticompetitive price-fixing which is detailed in Schedule A; (…)
II. The Assignor and the Cartel Compensation Foundation have agreed that:
(i) the Assignor will sell and transfer that claim to Cartel Compensation Foundation and (ii) Cartel Compensation Foundation will pay a purchase price comprising the possibility that the Claim will yield a return for the Assignor, plus (...)% of the recovery actually received, on the terms detailed below.
B. Terms
(…) 1.1. In this agreement, the terms below have the following meanings:
(…) 1.1.5. Claim The claim of the Assignor referred to in clauses I (i) and I (ii) of the Background of this agreement set out above, plus any similar or related claim. (…)
2 Assignment
2.1.
In consideration of the Purchase Price the Assignor hereby sells, assigns and transfers in full, and Cartel Compensation Foundation hereby buys and acquires complete legal and beneficial ownership, title and interest in, the Claim and all rights and entitlements incidental in any way thereto, including but not limited to the right to bring suit for the Claim as the owner thereof in Proceeding whatsoever.’
In deze cessieovereenkomsten is steeds een rechtskeuze voor Frans recht opgenomen.
2.12.
De cessieovereenkomst (ADPA), tevens cessie-akte, tussen de moedermaatschappij van de Siemens-groep, Siemens A.G., en SCC luidt als volgt, voor zover hier relevant:
‘A. Background
I. The Assignor and its Affiliates:
(i) purchased international air cargo services for global shipping routes between 1 January 2000 and 31 December 2006, either directly or indirectly (for example, through a freight forwarder);
(ii) are likely to be entitled to recover the amount overpaid for those services as a result of the illegal and anti competitive price-fixing which is detailed in Schedule A; (…)
II. The Assignor and the Cartel Compensation Foundation have agreed that:
(i) the Assignor will sell and transfer, on its own behalf and in name and on behalf of its Affiliates, those claims to Cartel Compensation Foundation to the maximum extent it has capacity to do so; and
(ii) Cartel Compensation Foundation will pay a purchase price comprising the possibility that the claims will yield a return for the Assignor and its Affiliates, plus (...)% of the recovery actually received, on the terms detailed below.
B. Terms
(…) 1.1. In this agreement, the terms below have the following meanings:
(…) 1.1.6. Claims The claims of the Assignor and its Affiliates as described in Section 1 of the Background of this Agreement set out above, plus any similar or related claims, relating to international air cargo services from Defendants. (…)
2. Assignment
2.1.
To the maximum extent it has capacity to do so and in consideration of the Purchase Price the Assignor - on its own behalf and in the name and on behalf of its Affiliates - hereby sells, assigns and transfers in full, and Cartel Compensation Foundation hereby buys and acquires complete legal and beneficial ownership, title and interest in, the Claims and all rights and entitlements incidental in any way thereto, including but not limited to the right to bring suit for the Claims as the owner thereof in any Proceeding whatsoever.’
In deze cessieovereenkomst is een rechtskeuze voor Nederlands recht opgenomen.
2.13.
De cessieovereenkomst (ADPA), tevens cessie-akte tussen de moedermaatschappij van de Infineon-groep, Infineon Technologies A.G., en SCC luidt, voor zover hier relevant:
‘A. Background
I. The Assignor:
(i) purchased international air cargo services for routes to, from and/or within Europe between 1 January 2000 and 31 December 2006, either directly or indirectly (for example, through a freight forwarder);
(ii) are likely to be entitled to recover the amount overpaid for those services as a result of the illegal and anti competitive price-fixing which is detailed in Schedule A; (…)
II. The Assignor and the Cartel Compensation Foundation have agreed that:
(i) the Assignor will sell and transfer the Claim to Cartel Compensation Foundation and
(ii) Cartel Compensation Foundation will pay a purchase price comprising the possibility that the Claim will yield a return for the Assignor, plus (...)% of the recovery actually received, on the terms detailed below.
B. Terms
(…) 1.1. In this agreement, the terms below have the following meanings:
(…) 1.1.2. Assignor The party other than Cartel Compensation Foundation that has executed this agreement, and that party’s successors, heirs or assignees (as the case may be), for itself and as representative of its affiliates as set out in Schedule 1 hereto (the “Affiliates”).
(…) 1.1.5. Claim The claim of the Assignor referred to in clauses I (i) and I (ii) of the Background of this agreement set out above, plus any similar or related claim, and any of such claims of the Affiliates. (…)
2. Assignment
2.1.
In consideration of the Purchase Price the Assignor hereby sells, assigns and transfers in full, and Cartel Compensation Foundation hereby buys and acquires complete legal and beneficial ownership, title and interest in, the Claim and all rights and entitlements incidental in any way thereto, including but not limited to the right to bring suit for the Claims as the owner thereof in any Proceeding whatsoever.’
In deze cessieovereenkomst is een rechtskeuze voor Frans recht opgenomen.
2.14.
De cessieovereenkomst (ADPA), tevens cessie-akte tussen de moedermaatschappij van de STM groep, STMicroelectronics International N.V. en SCC luidt, voor zover hier relevant:
‘A. Background
I. The Assignor (either directly or through its affiliated companies):
(i) purchased international air cargo services for routes to, from and/or within Europe between 1 January 2000 and 31 December 2006, either directly or indirectly (for example through a freight forwarder);
(ii) is likely to be entitled to recover the amount overpaid for those services as a result of the illegal and anti competitive price-fixing which is detailed in Schedule A; (…)
II. The Assignor and the Cartel Compensation Foundation have agreed that:
(i) the Assignor will sell and transfer (and/or will cause its relevant affiliated companies to sell and transfer) that claim to Cartel Compensation Foundation; and
(ii) Cartel Compensation Foundation will pay a purchase price comprising the possibility that the Claim will yield a return for the Assignor, plus (…)% of the recovery actually received,
on the terms detailed below.
B. Terms
(…) 1.1. In this agreement, the terms below have the following meanings:
(…) 1.1.5. Claim The claim of the Assignor referred to in clauses I (i) and I (ii) of the Background of this agreement set out above, plus any similar or related claim. (…)
1.1.7.
Claims The claims of all Assignors which are similar or related to the Claim. (…)
2. Assignment
2.1.
In consideration of the Purchase Price the Assignor hereby sells, assigns and transfers (and will cause the affiliated companies listed in Schedule B to sell, assign and transfer) in full, and Cartel Compensation Foundation hereby buys and acquires complete legal and beneficial ownership, title and interest in, the Claim and all rights and entitlements incidental in any way thereto, including but not limited to the right to bring suit for the Claim as the owner thereof in Proceeding whatsoever.’
In deze cessieovereenkomst is een rechtskeuze voor Frans recht opgenomen.
2.15.
De akten van cessie (Assignments) tussen de eerste groep shippers en SCC luiden als volgt, voor zover hier relevant:
‘1. The Assignor (…)
a. purchased international air cargo services between 1 January 2000 and 31 December 2006; and
b. is likely to be entitled to recover the amount overpaid for those services as a result of illegal and anti competitive price-fixing, from members of a cartel in the market for provision of those services, the existence of which has been established by a decision of the European Commission announced 9 November 2010.
2. The Assignor hereby assigns and transfers in full, and Cartel Compensation Foundation, the Assignee, hereby takes complete legal and beneficial ownership, title and interest in, the Claim refererd to in the preceding paragraph, plus any similar or related claim, and all rights and entitlements incidental in any way thereto, including but not limited to the right to bring suit for that claim as the owner thereof in any Proceeding whatsoever.
3. In the proceeding paragraph Proceeding includes any judicial, quasi-judicial, arbitral, consensual mediation process, alternative dispute resolution process, appellate, informal process or process initiated by a defendant (…), and / or any similar process.’
De akten van cessie tussen de tweede en derde groep shippers en SCC zijn op hoofdlijnen gelijkluidend aan die tussen de eerste groep shippers en SCC. De afwijkingen betreffen de periode waarin de luchtvrachtdiensten zijn verleend (die zich bij de tweede en derde groep veelal uitstrekt tot eind 2007) en de routes van de luchtvrachtdiensten.
2.16.
De A&C’s luiden voor zover van belang steeds als volgt:
‘This clarification serves to acknowledge and confirm in so far as necessary that the claim which is assigned by the Assignor to the SCC in a schedule to the Agreement, and which is equally the subject of the aforementioned schedule as well as the balance of the Agreement, includes, whether by virtue of the words “plus any similar or related claim” or otherwise, any and all claims relating to any and all air cargo services:
(a) for routes all over the world, from any origin to any destination; and
(b) between 1 January 2000 and 31 December 2007,
whether or not the subject of the decision of the European Commission announced on 9 November 2010 in a press release with reference IP/10/1487, and that the operation of the Agreement in this manner was intended and meant by us at the time when the Agreement was originally made between us.’
2.17.
In de A&C van Siemens ten aanzien van de aan SCC overgedragen vorderingen wordt verwezen naar vorderingen betreffende luchtvrachtverkeer in
‘all years in which the amounts to be paid for international air cargo services were increased, or damage was otherwise suffered by the Assignor and its Affiliates (...)’.
2.18.
De cessieovereenkomsten, tevens akten van cessie, tussen de groepsmaatschappijen die onderdeel zijn van de Siemens-groep en Siemens A.G. (ASATR’s) luiden als volgt, voor zover hier relevant:
‘WHEREAS, 14 airlines and their respective affiliates (“AIRLINES”) are likely to have illegally fixed fuel and security surcharge on all shipments and, by means of a cartel, artificially inflated their international air freight charges within the European Economic Area between December 1999 and February 2006 (the “CARTEL PERIOD”);
WHEREAS, the European Commission imposed fines totaling € 799m against most of the AIRLINES in November 2010;
WHEREAS, ASSIGNOR is an affiliated company of ASSIGNEE that directly and/or indirectly purchased during the CARTEL PERIOD international air freight services from all or any of the AIRLINES within, from or to Europe and, as a result of the illegal price fixing of fuel and surcharges by the AIRLINES, has suffered economic and financial loss and damage due to payment of increased freight charges;
WHEREAS, ASSIGNOR has compensation claims against the AIRLINES for the economic and financial loss and damage it suffered as a result of the illegal and anti competitive pricefixing (“CLAIMS”);
WHEREAS, in addition to the CLAIMS, ASSIGNOR has rights ancillary to the CLAIMS,
including but not limited to unilateral rights of declaration (…) and dependent and independent rights, including but not limited to interest (…) under or in connection with the CLAIMS (“ACCESSORY RIGHTS”);
WHEREAS, ASSIGNEE intends to sell, assign and transfer the CLAIMS and ACCESSORY
RIGHTS to an external litigation service provider (“SERVICE PROVIDER”) in order to enforce
the CLAIMS and ACCESSORY RIGHTS against all or any AIRLINES and gain compensation from the AIRLINES which shall be distributed among ASSIGNEE, ASSIGNOR and other parties that have assigned claims to the SERVICE PROVIDER;
WHEREAS, the PARTIES wish to ensure effective pooling of the CLAIMS and ACCESSORY
RIGHTS with the purpose of enabling the SERVICE PROVIDER to enforce them collectively
in one or more civil actions;
NOW THEREFORE, the PARTIES hereto agree as follows:
Article 1 - Sale, Assignment and Transfer
1.1
ASSIGNOR hereby sells, assigns and transfers in full the CLAIMS and ACCESSORY
RIGHTS to ASSIGNEE on the terms and conditions of this AGREEMENT.
1.2
ASSIGNEE hereby accepts the sale, assignment and transfer of the CLAIMS and
ACCESSORY RIGHTS and acquires the complete ownership and possession of the
CLAIMS and the ACCESSORY RIGHTS.
1.3
For the avoidance of doubt, the PARTIES agree that ASSIGNEE is entitled to sell,
assign and transfer in full any or all of the CLAIMS and ACCESSORY RIGHTS to
SERVICE PROVIDER or any other third party.’
In deze cessieovereenkomsten is steeds een rechtskeuze voor Duits recht opgenomen.
2.19.
De cessieovereenkomsten tussen de groepsmaatschappijen die onderdeel zijn van de Infineon-groep en Infineon Technologies A.G. hebben op de thans relevante punten een gelijke inhoud aan die van de Siemens-groep (zie productie 94 en 95 SCC).
2.20.
De groepsmaatschappijen behorend tot de Siemens-groep hebben met Siemens A.G. zogenoemde Agency Agreements (AA’s) gesloten, waarin is bepaald:
‘WHEREAS, 14 airlines and their respective affiliates (“AIRLINES”) are likely to have illegally fixed fuel and security surcharge on all shipments and, by means of a cartel, artificially inflated their international air freight charges within the European Economic Area between December 1999 and February 2006 (the “CARTEL PERIOD”);
WHEREAS, the European Commission imposed fines totaling € 799m against most of the AIRLINES in November 2010;
WHEREAS, PRINCIPAL is an affiliated company of SIEMENS AG that directly and/or indirectly purchased during the CARTEL PERIOD international air freight services from all or any of the AIRLINES within, from or to Europe and, as a result of the illegal price fixing of fuel and surcharges by the AIRLINES, has suffered economic and financial loss and damage due to payment of increased freight charges;
WHEREAS, PRINCIPAL has compensation claims against the AIRLINES for the economic
and financial loss and damage it suffered as a result of the illegal and anti competitive pricefixing (“CLAIMS”);
WHEREAS, in addition to the CLAIMS, PRINCIPAL has rights ancillary to the CLAIMS, including but not limited to unilateral rights of declaration (…) and dependent and independent rights, including but not limited to interest (…) under or in connection with the CLAIMS (“ACCESSORY RIGHTS”);
WHEREAS, SIEMENS AG and the PRINCIPAL intend to sell, assign and transfer the CLAIMS and ACCESSORY RIGHTS to an external litigation service provider (“SERVICE PROVIDER”) in order to ensure effective pooling of the CLAIMS and ACCESSORY RIGHTS with the purpose to enabling the SERVICE PROVIDER to enforce them collectively in one civil action against all or any AIRLINES and gain compensation from the AIRLINES which shall be distributed among SIEMENS AG, PRINCIPAL and other parties that have assigned claims to the SERVICE PROVIDER;
WHEREAS, the PARTIES wish to ensure that SIEMENS AG is authorized to assign the PRINCIPAL’s CLAIMS and ACCESSORY RIGHTS to the SERVICE PROVIDER even if and to the extent the sale, assignment and/or transfer of the CLAIMS and ACCESSORY RIGHTS to SIEMENS AG in the “Agreement on the Sale, Assignment and Transfer of Rights” executed in parallel by SIEMENS AG and the PRINCIPAL was not successful (…)
NOW THEREFORE, the PARTIES hereto agree as follows (…)
Article 1 – Scope of Authorization and Agreement
To ensure effective pooling of the CLAIMS and ACCESSORY RIGHTS, by way of precaution, PRINCIPAL and SIEMENS AG, hereby agree as follows:
1.1
SIEMENS AG is hereby authorized to sell, assign and transfer in the name and on behalf of the PRINCIPAL any and all of the CLAIMS and ACCESSORY RIGHTS to the SERVICE PROVIDER or any other third party to pursue a recovery for the CLAIMS and ACCESSORY RIGHTS.’
2.21.
SCC heeft zogenoemde ‘Confirmations’ tussen een aantal groepsmaatschappijen en de moedermaatschappijen overgelegd. De ‘Confirmation’ tussen Siemens A.G. en haar groepsmaatschappijen luidt, voor zover hier relevant:
‘WHEREAS:
(A) On [datum, hof], the Siemens Affiliate and Siemens entered into (…) (the ASATR), and (…) (the AA);
(B) Persuant to the ASATR, the Siemens Affiliate assigned its Air Cargo Damages Claim to Siemens;
(C) On 19 December 2013, Siemens and the Cartel Compensation Foundation (the CCF) entered into (…) (the ADPA);
(D) Pursuant to the ADPA, Siemens assigned – on its own behalf, and also in the name and on behalf of the corporations, companies and entities identified in Schedule D to the ADPA (the Named Affiliates) – its own Air Cargo Damages Claim and the Air Cargo Damages Claims of the Named Affiliates to the CCF; (…)
(F) On 16 March 2015, Siemens and the CCF executed the Acknowledgement & Clarification (in respect of the scope of the assigned Air Cargo Damages Claim) (…) (the Scope Acknowledgement & Clarification);
(G) Pursuant to the Scope Acknowledgement & Clarification, Siemens – on its own behalf, and also in the name and on behalf of the Named Affiliates – and the CCF acknowledged and confirmed that the Air Cargo Damages Claim assigned to the CCF pursuant the ADPA includes any and all claims relating to any and all air cargo services:
(a) for routes all over the world, from any origin to any destination; and
(b) in all years in which the amounts to be paid for international air cargo services were increased, or damage was otherwise suffered by Siemens and/or the Named Affiliates, as a result of illegal and anticompetitive price-fixing, which for the avoidance of doubt in any event includes but is in no way limited to, any and all international air cargo services between 1 January 2000 and 31 December 2007 inclusive,
whether or not the subject of the decision of the European Commission announced on 9 November 2010 in a press release with reference IP/10/1487, and that the operation of the ADPA in this manner was intended and meant by Siemens and the CCF at the time when the ADPA was originally made between the Siemens and the CCF;
HEREBY ACKNOWLEDGE AND CONFIRM:
1. that the Air Cargo Damages Claim assigned by the Siemens Affiliate to Siemens pursuant to the ASATR includes any and all claims relating to any and all air cargo services:
(a) for routes all over the world, from any origin to any destination; and
(b) in all years in which the amounts to be paid for international air cargo services were increased, or damage was otherwise suffered by the Siemens Affiliate, as a result of illegal and anticompetitive price-fixing, which for the avoidance of doubt in any event includes but is in no way limited to, any and all international air cargo services between 1 January 2000 and 31 December 2007 inclusive,
whether or not the subject of the decision of the European Commission announced on 9 November 2010 in a press release with reference IP/10/1487;
2 that the operation of the ASATR in this manner was intended and meant by the Siemens Affiliate and Siemens at the time when the ASATR was originally made between the Siemens Affiliate and Siemens;
TO THE EXTENT NECESSARY HEREBY ACKNOWLEDGE AND CONFIRM:
3 that Siemens was – as per the date of the ADPA – pursuant to the AA authorised to assign the Air Cargo Damages Claim of the Siemens Affiliate to the CCF by executing the ADPA also in the name and on behalf of the Siemens Affiliate;
4 that Siemens was – as per the date of the Scope Acknowledgement & Clarification – pursuant to the AA authorised to acknowledge and confirm the scope of the Air Cargo Damages Claim of the Siemens Affiliate as assigned to the CCF pursuant to the ADPA, by executing the Scope Acknowledgement & Clarification also in the name and on behalf of the Siemens Affiliate;
TO THE EXTENT NECESSARY HEREBY RATIFY AND CONFIRM:
5 whatever Siemens has done in its capacity as agent under the AA, including, but not limited to:
(i) executing the ADPA also in the name and on behalf of the Siemens Affiliate;
(ii) assigning the Air Cargo Damages Claim of the Siemens Affiliate to the CCF pursuant to the ADPA;
(iii) empowering the CCF to resolve the Air Cargo Damages Claim of the Siemens Affiliate in its own name for the account of the Siemens Affiliate pursuant to, and in accordance with, clause 2.3 of the ADPA, which empowerment is governed by the laws of the Netherlands; (…)
(v) executing the Scope Acknowledgement & Clarification also in the name and on behalf of the Siemens Affiliate; and
(vi) acknowledging and confirming the scope of the Air Cargo Damages Claim of the Siemens Affiliate as assigned to the CCF pursuant to the ADPA, in accordance with the Scope Acknowledgement & Clarification.’
2.22.
Siemens A.G. heeft een brief van 19 december 2013 met als geadresseerde ‘whom it may concern’ en als onderwerp ‘Assignment of Claims’ ondertekend, bedoeld om te verstrekken aan de luchtvaartmaatschappijen. Deze brief luidt, voor zover hier relevant:
‘(…) (“Siemens”) and one or more of the Siemens Affiliates listed in Annex A (“Affiliates”) purchased, either directly or indirectly (for example, through a freight forwarder), international air cargo services and suffered significant losses as a consequence of the unlawful price-fixing between 1 January 2000 and 31 December 2006 relating to those international air cargo services. Siemens and its Affiliates therefore have claims against you and the other airlines involved in the price-fixing activities (collectively, the “Claims”).
This letter constitutes notice that, Stichting Cartel Compensation (“Foundation”) has acquired the complete legal and beneficial ownership, title and interest in and to the Claims and all rights and entitlements incidental in any way thereto, including but not limited to the right to bring suit for the Claims as the owner, agent or other beneficiary thereof in any proceedings whatsoever (“Incidental Rights”).
Siemens sold, transferred and assigned the Claims and Incidental Rights on its own behalf and in the name and on behalf of its Affiliates. Siemens was authorized to sell, assign and transfer the Claims and Incidental Rights of the Affiliates to the Foundation and/or the Claims and Incidental Rights of the Affiliates were sold, assigned and transferred to Siemens by the Affiliates before the further sale, transfer and assignment to the Foundation.’
2.23.
Bij verscheidene exploten, uitgebracht in 2013 en 2015, hebben SCC als cessionaris en de in de bijlage bij die exploten vermelde cedenten (welke cedenten worden aangeduid als ‘Partijen’) aan de onderscheiden luchtvaartmaatschappijen aangezegd
‘dat hierbij mededeling gedaan wordt van het feit dat aan SCC zijn overgedragen alle vorderingen die de Partijen hebben op [naam luchtvaartmaatschappij – hof] in verband met de schade die deze Partijen hebben geleden door het kartel met betrekking tot luchtvrachtvervoer waarvan [naam luchtvaartmaatschappij – hof] in de periode van 1999 tot en met 2006 deel heeft uitgemaakt. Deze overdracht omvat alle daaraan gerelateerde vorderingen van de Partijen op [naam luchtvaartmaatschappij – hof] en alle vergelijkbare vorderingen van de Partijen op [naam luchtvaartmaatschappij – hof], geen enkele vordering uitgezonderd.’
3. Procedure in eerste aanleg
3.1.
SCC vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven:
(i) een verklaring voor recht dat de luchtvaartmaatschappijen door de introductie, onderlinge afstemming en toepassing van de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag in de periode van 2000 tot en met 2006 onrechtmatig hebben gehandeld jegens de shippers vermeld in productie 56 SCC; en
(ii) hoofdelijke veroordeling van de luchtvaartmaatschappijen tot betaling van € 243.932.063,12 en € 34.847.437,59 alsmede schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander te vermeerderen met rente en kosten.
3.2.
Tijdens een regiecomparitie van 22 juni 2016 heeft de rechtbank, kennelijk mede gelet op de nog aanhangige procedure voor het HvJEU, onder meer bepaald dat de rechtsgeldigheid van de cessies in het stadium waarin de procedure op dat moment verkeerde, zou worden beoordeeld aan de hand van het cessiestatuut en dat het vorderingsstatuut vooralsnog buiten beschouwing zou worden gelaten. Met het cessiestatuut is bedoeld het recht dat van toepassing is op de tot cessie verplichtende overeenkomst. Met partijen zijn vervolgens procesafspraken gemaakt die daarmee in overeenstemming zijn en die er, kort gezegd, op neerkomen dat een ‘meersporenbeleid’ wordt gevolgd. Blijkens het proces-verbaal van de regiezitting is SCC in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat de vorderingen rechtsgeldig aan haar zijn gecedeerd. De luchtvaartmaatschappijen hebben vervolgens bij akte van 8 maart 2017 hun bezwaren tegen de rechtsgeldigheid van de cessies uiteengezet. SCC heeft op 29 maart 2017 een antwoordakte genomen.
3.3.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de cessies van de in productie 56 van SCC vermelde 266 shippers als cedenten aan SCC als cessionaris naar het cessiestatuut rechtsgeldig zijn, met dien verstande dat dit ten aanzien van STMicroelectronics International NV uitsluitend geldt voor zover zij zelf als shipper een vordering uit onrechtmatige daad (te weten schending van mededingingsregels) heeft in verband met door haar zelf (als opdrachtgever) al dan niet via een freight forwarder afgenomen luchtvrachtdiensten. Bij vonnis van 22 november 2017 heeft de rechtbank tussentijds hoger beroep opengesteld.
3.4.
Tijdens voormelde regiecomparitie van 22 juni 2016 heeft de rechtbank partijen voorts in de gelegenheid gesteld aktes te nemen over het op de vorderingen van SCC toepasselijk recht. Dit ‘spoor’ in de procedure heeft ertoe geleid dat de rechtbank bij vonnis van 17 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2040 prejudiciële vragen aan de Hoge Raad heeft gesteld. Bij arrest van 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:345 heeft de Hoge Raad afgezien van beantwoording van deze vragen. Bij vonnis van 1 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3392, heeft de rechtbank voor recht verklaard dat Nederlands recht van toepassing is op de (aan SCC gecedeerde) vorderingen van de shippers tot vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van het kartel. De luchtvaartmaatschappijen hebben inmiddels gebruik gemaakt van de (door de rechtbank opengestelde) mogelijkheid om tussentijds hoger beroep van dit vonnis in te stellen. Op 18 februari 2020 is in dat hoger beroep, aanhangig onder zaaknummer 200.266.819/01, de memorie van antwoord genomen.
3.5.
Na het voornemen daartoe bij vonnis van 1 mei 2019, (ECLI:NL:RBAMS:2019:3394) te hebben aangekondigd heeft de rechtbank, onder meer in de onderhavige procedure, bij vonnis van 18 september 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:9966) aan het HvJEU een prejudiciële vraag gesteld over haar bevoegdheid om in een civiele procedure tussen private partijen vast te stellen dat sprake is van een inbreuk op de Europese mededingingsregels, met name een inbreuk op het verbod van artikel 101 VWEU, en schadevergoeding toe te kennen aan benadeelde partijen wegens inbreuk op dit verbod, voor vluchten die plaatsvonden vóór 1 mei 2004 respectievelijk 19 mei 2005, in de periode dat het overgangsregime van de artikelen 104 en 105 VWEU gold voor deze vluchten. Ten tijde van het wijzen van dit arrest heeft het HvJEU deze vraag nog niet beantwoord.
3.6.
Bij vonnis van 11 september 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:9965) heeft de rechtbank SCC in de gelegenheid gesteld de (door de shippers aan haar gecedeerde) vorderingen nader met stukken te onderbouwen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de stelplicht van SCC zich tevens uitstrekt tot de door haar gestelde en aan haar vorderingen ten grondslag liggende upstream pass on (de stelling dat de freight forwarders de toeslagen (volledig) aan de shippers hebben doorberekend). De rechtbank heeft SCC en de luchtvaartmaatschappijen in de gelegenheid gesteld daartoe achtereenvolgens een akte te nemen.
4. Beoordeling
Uitgangspunten bij de beoordeling in hoger beroep
4.1.
Het hoger beroep van de luchtvaartmaatschappijen is gericht tegen de onder 3.3 samengevat weergegeven beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Uit het onder 3 sterk verkort weergegeven overzicht van de procedure in eerste aanleg blijkt dat het in deze procedure gaat om een complex geschil waarin tal van feitelijke en rechtsvragen spelen die op elkaar ingrijpen. De thans voorliggende vragen betreffen maar een klein deel van de onderwerpen die partijen verdeeld houden. Voorts hebben de regie-beslissingen van de rechtbank ingrijpende gevolgen voor de inrichting van het partijdebat.
4.2.
SCC maakt in deze procedure vorderingen tot schadevergoeding geldend die zij stelt door cessie (al dan niet indirect) te hebben verkregen van 266 shippers. De luchtvaartmaatschappijen hebben de rechtsgeldigheid van de cessies betwist en gesteld dat het op de weg van SCC ligt de rechtsgeldigheid van alle cessies in alle (door hen aan de orde gestelde) opzichten te bewijzen.
Het hof stelt voorop dat de luchtvaartmaatschappijen geen rechtens te respecteren belang hebben bij een debat over de vraag of de cessies jegens anderen dan henzelf rechtsgeldig zijn. Aan de orde kan slechts zijn de vraag – zoals het hof op de zitting van 5 juni 2019 met partijen heeft besproken – of de cessies jegens hen werking hebben, dat wil zeggen, of zij de cessies tegen zich moeten laten gelden. Uit artikel 14 lid 2 van Verordening (EG) 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I) volgt dat voor de (definitieve) beantwoording van de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden, onder meer moet worden vastgesteld welk recht op die vorderingen van toepassing is. Het recht dat op de gepretendeerde kartelschadevorderingen van toepassing is, bepaalt immers de betrekkingen tussen cessionaris en schuldenaar, alsmede de voorwaarden waaronder de cessie aan de schuldenaar kan worden tegengeworpen en of de schuldenaar door betaling is bevrijd (vgl. ook artikel 10:135 lid 3 BW).
4.3.
Partijen twisten over de vraag welk recht op de gepretendeerde kartelschadevorderingen van toepassing is; de rechtbank heeft geoordeeld dat de litigieuze vorderingen alle worden beheerst door Nederlands recht (zie 3.4).
Bij die stand van zaken gaat het hof in het navolgende, veronderstellenderwijs, ervan uit dat op de (beweerdelijk) aan SCC overgedragen kartelschadevorderingen Nederlands recht van toepassing is. Deze aanname heeft gevolgen voor de beslissing in het thans voorliggende geschil. In dit stadium wordt bijvoorbeeld ervan uitgegaan dat de vorderingen overdraagbaar zijn.
4.4.
Artikel 14 lid 1 Rome I, gelezen in samenhang met de preambule onder 38 en artikel 27 lid 2 van die verordening heeft geen betrekking op het goederenrechtelijke regime in de rechtsverhouding tussen de cessionaris en de schuldenaar, zodat die vraag aan de hand van het nationale recht moet worden beantwoord. Ingevolge artikel 10:135 lid 2 BW moet volgens het recht dat van toepassing is op de overeenkomst die tot cessie verplicht, worden bepaald welke vereisten gelden voor een overdracht die ertoe leidt dat de vordering van het vermogen van de cedent naar het vermogen van de cessionaris gaat.
Over het recht dat van toepassing is op de overeenkomsten die tot cessie verplichten, bestaat tussen partijen geen verschil van mening. Partijen zijn het erover eens dat een deel van die overeenkomsten wordt beheerst door Frans recht, een deel door Duits recht en een deel door Nederlands recht.
Rechtsverhouding tussen cessionaris en schuldenaar; stelplicht en bewijslast
4.5.
SCC stelt dat de shippers hun vorderingen jegens de luchtvaartmaatschappijen rechtstreeks of na een interne cessie binnen de groep aan haar hebben overgedragen. Op de verschillende overeenkomsten die verplichten tot cessie is Nederlands, Frans, respectievelijk Duits recht van toepassing. De luchtvaartmaatschappijen bestrijden de rechtsgeldigheid van de cessies langs verschillende invalshoeken. Wat betreft de rechtsverhouding tussen de cessionaris en de schuldenaar en stelplicht en bewijslast dienaangaande stelt het hof het volgende voorop.
4.5.1.
Voor zover de cessieovereenkomst door Nederlands recht wordt beheerst, vereist de overdracht van de kartelschadevorderingen jegens de luchtvaartmaatschappijen door de shippers aan SCC een daartoe bestemde akte. In de akte dient de te leveren vordering in voldoende mate te zijn bepaald. Daartoe is het voldoende dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan, aangevuld met objectieve gegevens uit de administratie van de cedent, kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. De omstandigheid dat de akte niet de precieze (deel)vorderingen vermeldt doch enkel tot welk bedrag de vorderingen zijn gecedeerd, behoeft aan voldoende bepaaldheid niet in de weg te staan (HR 19 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2530, NJ 1998/690 (Zuidgeest/Furness)).
4.5.2.
Voorts dient de akte van cessie in geval van een openbare cessie door de cedent of cessionaris aan de schuldenaar te worden meegedeeld. Deze mededeling kan ook vóór de totstandkoming van de akte van cessie worden gedaan (Parl. Gesch. Boek 3, p. 398). De mededeling behoeft niet nauwkeurig de inhoud van de akte weer te geven, maar de schuldenaar aan wie de mededeling wordt gedaan – in dit geval de luchtvaartmaatschappijen – kan wel verlangen dat hem een uittreksel van de akte en titel ter hand wordt gesteld (artikel 3:94 lid 4 BW). De vraag of de schuldenaar aanspraak kan maken op meer stukken, is door de minister ontkennend beantwoord (Parl. Gesch. Boek 3, p. 396):
‘Verder dan tot afgifte van een uittreksel strekt de verplichting jegens de hier bedoelde persoon of personen [in dit geval de schuldenaar – hof] dus niet, al zal uiteraard ook wanneer een volledig afschrift wordt afgegeven, aan die verplichting voldaan zijn. (…) Het mag (…) niet in de macht van deze derde staan om – wellicht tegen de wens van de vervreemder en verkrijger beiden – de overgang van het recht op een bepaald moment te bewerkstelligen.’
Dat de schuldenaar in beginsel niet op meer stukken recht heeft, volgt ook uit de tweede en derde volzin van artikel 3:94 lid 4 BW: bedingen die voor de schuldenaar van geen belang zijn, behoeven in het afschrift niet te worden opgenomen. Is van een titel geen akte opgemaakt, dan moet de inhoud voor zover voor [de schuldenaar] van belang, schriftelijk worden meegedeeld.
4.5.3.
In de verhouding tussen de cessionaris (SCC) en de schuldenaar (de luchtvaartmaatschappijen) is niet zonder meer beslissend of de overdracht van een vordering geldig is geschied. Ook als aan die overdracht gebreken kleven, komt het in de verhouding tussen cessionaris en schuldenaar erop aan of de schuldenaar de overdracht tegen zich moet laten werken. Consequentie van hetgeen hiervoor werd overwogen over het Nederlandse recht, is dat de schuldenaar op zijn beurt in beginsel mag afgaan op de mededeling, het uittreksel van de akte en de titel. Betaalt hij vervolgens aan iemand die niet bevoegd was de betaling te ontvangen, dan kan de schuldenaar aan degene aan wie moest worden betaald, tegenwerpen dat hij bevrijdend heeft betaald, indien hij in het licht van de mededeling, het uittreksel van de akte en de titel op redelijke gronden heeft aangenomen dat aan die ontvanger moest worden betaald (artikel 6:34 lid 1 BW). Als hij op redelijke gronden twijfelt aan wie de betaling moet geschieden, kan hij een beroep doen op een opschortingsrecht (artikel 6:37 BW).
4.5.4.
Het hof onderkent dat aan dit stelsel consequenties verbonden kunnen zijn die de schuldenaar onder omstandigheden als bezwaarlijk kan ervaren. Zo kan hij zich gedwongen zien om zich, nadat hij bevrijdend aan de pseudo-cessionaris heeft betaald, jegens de werkelijke schuldeiser te beroepen op een derdenbeschermende bepaling. Deze mogelijkheid vloeit echter voort uit de keuze van de wetgever. Die keuze brengt tegelijk mee dat op de schuldenaar in beginsel geen zware onderzoeksplicht met betrekking tot de geldigheid van de cessie rust.
4.5.5.
Stelplicht en bewijslast dat de luchtvaartmaatschappijen de cessie jegens zich moeten laten werken, rusten op SCC. SCC heeft, nog steeds uitgaande van het Nederlands recht als het recht dat zowel de kartelschadevordering als de overeenkomst die verplicht tot de cessie beheerst, in beginsel aan haar stelplicht voldaan indien de akte op de voet van artikel 3:94 lid 1 BW aan de luchtvaartmaatschappijen is meegedeeld en een uittreksel van de akte en titel aan hen is overgelegd (vgl. artikel 3:94 lid 4 BW).
Het ligt vervolgens op de weg van de luchtvaartmaatschappijen om in het kader van de onderbouwing van hun verweer te beargumenteren dat en waarom de geldigheid van de cessie op redelijke gronden moet worden betwijfeld. Gelet op de informatie waarop zij als schuldenaren ingevolge artikel 3:94 lid 1 en 4 BW recht hebben, het feit dat artikel 3:94 lid 4 BW beperkingen stelt aan de documenten waarop zij als schuldenaren aanspraak kunnen maken en de hiervoor besproken bescherming van de luchtvaartmaatschappijen als, ten opzichte van de cessie-overeenkomst, derden, is ter onderbouwing van bedoelde twijfel onvoldoende het enkele feit dat zij niet beschikken over alle informatie aan de hand waarvan de geldigheid van de overdracht in de verhouding tussen cedent en cessionaris kan worden vastgesteld. Die eventuele ongeldigheid raakt hen immers niet, althans niet zonder meer.
Cessie-overeenkomsten naar Duits of Frans recht
4.6.
Indachtig het uitgangspunt dat de kartelschadevorderingen door Nederlands recht worden beheerst, dient de vraag of de luchtvaartmaatschappijen door betaling aan SCC kunnen worden bevrijd ingevolge artikel 14 lid 2 Rome I (vgl. ook artikel 10:135 lid 3 BW) steeds aan de hand van het Nederlandse recht te worden beantwoord. Dit geldt ook ten aanzien van de kartelschadevorderingen met betrekking waartoe cessie-overeenkomsten zijn gesloten die worden beheerst door Duits of Frans recht. Ook ten aanzien van die vorderingen geldt derhalve het bepaalde in artikel 6:34 lid 1 BW en artikel 6:37 BW, zij het dat voor het antwoord op de vraag of de luchtvaartmaatschappijen op redelijke gronden mogen aannemen dat, dan wel betwijfelen of ze aan SCC bevrijdend kunnen betalen, in beginsel beslissend is of de schuldenaar, in het bijzonder gelet op de wijze waarop hij van de overdracht van de vordering in kennis is gesteld, redelijkerwijs mocht aannemen dat naar Duits, respectievelijk Frans recht sprake was van een rechtsgeldige cessie. De luchtvaartmaatschappijen hebben onvoldoende beargumenteerd dat, mede gelet op het bepaalde in §409, respectievelijk §410 Bürgerliches Gesetzbuch (hierna: BGB) en artikel 1690 Code civil, redelijke grond bestond voor twijfel als hiervoor bedoeld.
In aanmerking genomen dat SCC steeds een uittreksel van de akte en de titel heeft verschaft, brengt het vorenstaande mee dat op de luchtvaartmaatschappijen in beginsel geen nadere onderzoeksplicht rust met betrekking tot de geldigheid van de cessies in de verhouding tussen shipper en SCC, ook niet voor zover de cessie-overeenkomsten door Duits of Frans recht worden beheerst. In beginsel rust op hen evenmin een onderzoeksplicht naar de echtheid van de handtekening.
Beoordeling van de grieven
4.7.
Met grief I klagen de luchtvaartmaatschappijen dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de geldigheid van de cessies. De grief berust op de veronderstelling dat in dit geding moet worden beoordeeld of de cessies als zodanig geldig zijn. Die veronderstelling is onjuist. SCC vordert schadevergoeding en geen verklaring voor recht dat de cessies geldig zijn en de luchtvaartmaatschappijen hebben evenmin een verklaring voor recht gevorderd. De vraag naar de geldigheid van de cessies behoeft dus in beginsel geen beantwoording. De stelplicht van SCC strekt zich daartoe in beginsel ook niet uit.
In dit stadium van het geding behoeft slechts te worden beoordeeld of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden. Aan artikel 3:94 lid 4 BW ligt de gedachte ten grondslag dat bedingen die voor de schuldenaar niet van belang zijn, niet behoeven te worden verstrekt, zo stelt SCC terecht. Naar Duits en Frans recht geldt, voor zover van belang, hetzelfde. Grief I kan daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.
Fiduciaverbod
4.8.
Volgens grief III.1, gelezen in verbinding met productie 136 en 137, is de cessie door de moedermaatschappij van het Siemens-concern (hierna: Siemens A.G.), die ook ziet op vorderingen van haar dochtermaatschappijen en die door Nederlands recht wordt beheerst, in strijd met het fiduciaverbod dat is neergelegd in artikel 3:84 lid 3 BW. Naar de luchtvaartmaatschappijen betogen, is de ADPA in kwestie slechts erop gericht SCC het recht te geven de aan haar overgedragen vorderingen te gelde te maken om zich uit de opbrengst daarvan te voldoen, onder gehoudenheid een overschot te voldoen aan een van de vennootschappen die tot het Siemens-concern behoren. Voorts betogen zij dat sprake is van een wanverhouding tussen de waarde van de aan SCC overgedragen vordering en de door SCC aan de desbetreffende Siemens-vennootschap verschuldigde vergoeding.
4.8.1.
Uit de onder 2.12 aangehaalde ADPA tussen Siemens A.G. en SCC valt niet af te leiden dat deze de strekking mist de vordering in het vermogen van SCC te doen vallen. Integendeel. De ADPA bepaalt juist:
‘Seller (…) hereby sells, assigns and transfers in full, and Cartel Compensation Foundation hereby buys and acquires complete legal and beneficial ownership, title and interest in, the Claims and all rights and entitlements incidental in any way thereto, including but not limited to the right to bring suit for the Claims as the owner thereof in any Proceeding whatsoever.’
Daaruit blijkt onmiskenbaar dat partijen een werkelijke overdracht beogen. Dat wordt niet anders indien in aanmerking wordt genomen dat SCC de vordering niet zonder toestemming van Siemens A.G. aan een derde mag cederen. Ook indien aan die bepaling goederenrechtelijke werking zou worden toegekend, zou deze niet meebrengen dat geen werkelijke overdracht aan SCC is beoogd. De bepaling lijkt juist te impliceren dat de vordering in ieder geval niet door Siemens A.G. kan worden overgedragen, wat een aanwijzing vormt dat een werkelijke overdracht aan SCC is beoogd.
4.8.2.
Evenmin kan worden geoordeeld dat de cessie strekt tot zekerheid voor de vorderingen van SCC op Siemens A.G. ter zake van commissie. SCC loopt het risico van het verlies van de procedure en mag anderzijds een percentage van de opbrengst behouden. De hoogte van de opbrengst is daarbij afhankelijk van de uitkomst van de procedure. Anders dan de luchtvaartmaatschappijen betogen, valt zonder nadere toelichting niet in te zien hoe een dergelijke afspraak moet worden aangemerkt als strijdig met het fiduciaverbod. Ook de stelling dat sprake is van een wanverhouding tussen de waarde van de aan SCC overgedragen vordering en de door SCC aan een Siemens-vennootschap verschuldigde vergoeding is naar het oordeel van het hof onvoldoende toegelicht. Het gaat hier om een ingewikkelde en langdurige procedure die van de zijde van SCC de nodige investeringen vergt, terwijl de uitkomst onzeker is. Dat SCC onder die omstandigheden bedingt dat zij ten minste 30% van de opbrengst mag behouden, kan althans in het kader van het beroep op artikel 3:84 lid 3 BW niet als wanverhouding worden aangemerkt. Of een dergelijk percentage toelaatbaar is en, meer in zijn algemeenheid, of de eisen die ingevolge de sedert 1 januari 2020 in werking getreden Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (Stb. 2019/130) aan een claimvehikel worden gesteld, een rol kunnen spelen in het kader van een ontvankelijkheidsverweer tegen een partij die vergoeding van massaschade op basis van het cessiemodel (en niet als stichting in de zin van artikel 3:305a BW) vordert, kan thans in het midden blijven.
4.8.3.
Voor zover de luchtvaartmaatschappijen aanvoeren dat SCC bepaalde passages heeft zwart gemaakt en dat deze passages zouden kunnen bevestigen dat de cessie door Siemens A.G. in strijd met het fiduciaverbod is, faalt hun betoog evenzeer. Het gaat hier niet om documentatie waarop de luchtvaartmaatschappijen ingevolge artikel 3:94 leden 1 en 4 BW recht hebben. Spiegelbeeldig brengt dit mee dat de luchtvaartmaatschappijen aan artikel 6:34 BW bescherming zullen kunnen ontlenen in het geval de ADPA op grond van de zwart gemaakte passages inderdaad strijdig blijkt te zijn met het fiduciaverbod. In zoverre missen zij voldoende belang bij de grief.
4.8.4.
De grief kan daarom niet slagen.
Bepaaldheid
4.9.
Grief III.2 strekt tot betoog dat de overgedragen vorderingen onvoldoende bepaald en bepaalbaar zijn. De in de ADPA van Siemens (en in andere ADPA’s) opgenomen zinsnede similar or related claims bevat volgens de luchtvaartmaatschappijen onvoldoende gegevens om vast te stellen om welke vorderingen het gaat. De grief klaagt verder over het oordeel van de rechtbank dat op dit moment nog niet behoeft te worden vastgesteld welke shippers welke vluchten hebben afgenomen. Daarbij voeren de luchtvaartmaatschappijen aan dat zijzelf niet over die gegevens beschikken, omdat zij veelal geen directe relatie met de shippers hadden; doorgaans hebben de shippers hun luchtvrachtvervoersdiensten immers via expediteurs (freight forwarders) afgenomen. Voorts memoreren de luchtvaartmaatschappijen dat de relevante periode in de A&C van Siemens en SCC (en in andere A&C’s) is opgerekt. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat uit de cessiedocumentatie en exploten voldoende duidelijk blijkt dat het gaat om vorderingen van de shippers tot vergoeding van alle schade als gevolg van het kartel, zo betogen de luchtvaartmaatschappijen.
Bepaaldheid voor zover Nederlands recht op de cessie van toepassing is
4.9.1.
Alleen met betrekking tot de cessie door Siemens A.G. (zie hiervoor, onder 2.12) hebben de luchtvaartmaatschappijen hun betoog uitgewerkt. De goederenrechtelijke aspecten van deze cessie, waaronder de vraag of de overgedragen vorderingen voldoende bepaald dan wel bepaalbaar zijn, zijn aan Nederlands recht onderworpen. Naar Nederlands recht is voor de bepaling van de inhoud van een akte van cessie niet slechts van belang hetgeen uit de akte zelf blijkt. In de verhouding tussen cedent en cessionaris komt het aan op de zin die zij, derhalve Siemens AG en SCC, in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
Een van die uitleg te onderscheiden en zelfstandig te beoordelen vraag is of is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste. Daaraan is voldaan als de cessieakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat.
4.9.2.
In het geval van de ADPA met Siemens zijn de in die overeenkomst bedoelde Claims overgedragen. Deze worden gedefinieerd als
‘The claims of the Assignor and its Affiliates as described in Section 1 of the Background of this Agreement set out above, plus any similar or related claims, relating to international air cargo services from Defendants.’
Partijen hebben de over te dragen vorderingen nader bepaald door te verwijzen naar Section 1 waarin wordt gerefereerd aan wereldwijde luchtvrachtdiensten verleend door, kort gezegd, de leden van het kartel. De vorderingen zijn verder bepaald doordat deze in verband dienen te staan met internationale luchtvrachtdiensten van de in de ADPA gedefinieerde Defendants. Binnen dat kader is toegevoegd dat mede worden overgedragen any similar or related claims. Daarmee wordt voldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht dat alle gelijksoortige of hiermee verband houdende vorderingen uit onrechtmatige daad eveneens worden overgedragen. De overgedragen vorderingen zijn verder bepaald door de toevoeging dat zij verband dienen te houden met internationale luchtvrachtdiensten die zijn afgenomen van de Defendants, waarmee de luchtvaartmaatschappijen bedoeld zijn. Tegen de achtergrond van het aldus afgebakende kader staat het generieke karakter van de gekozen formulering van de betrokken vorderingen niet eraan in de weg dat deze omschrijving voldoet aan het bepaaldheidsvereiste. In overeenstemming met het bepaaldheidsvereiste blijkt reeds uit de ADPA voldoende duidelijk dat de shippers hun gehele schadevergoedingsvorderingen uit hoofde van het kartel hebben willen overdragen. Daarbij moet worden bedacht dat reeds uit de APDA (ook voor derden) voldoende duidelijk blijkt dat deze ertoe strekt om een efficiënte inning van alle (eventuele) vorderingen uit de als onrechtmatige daad aan te merken mededingingsinbreuken op de luchtvaartmaatschappijen door SCC mogelijk te maken, zodat binnen het aldus afgebakende kader een ruime uitleg aan de ADPA moet worden gegeven.
4.9.3.
De luchtvaartmaatschappijen betogen op zichzelf terecht dat het bepaaldheidsvereiste in geval van een generieke omschrijving van de vordering vereist dat aan de hand van die omschrijving op grond van andere objectieve gegevens kan worden vastgesteld welke vorderingen zijn geleverd. De omstandigheid dat deze vaststelling in dit stadium van deze complexe procedure nog niet heeft plaatsgevonden, brengt echter niet mee dat aan dit vereiste niet is voldaan. De ADPA behoefde ook niet te bepalen langs welke weg objectief kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. Ook in zoverre kan de grief niet slagen.
4.9.4.
Van de vraag of aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan, moet worden onderscheiden of de cessie naar behoren aan de schuldenaar is meegedeeld. De mededeling behoeft niet nauwkeurig de inhoud van de akte weer te geven. De vraag hoe specifiek die gegevens dienen te zijn, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. In ieder geval moet de mededeling de naam van de cedent bevatten, opdat de schuldenaar verweermiddelen kan aanvoeren die hij tegen de cedent had kunnen aanvoeren (vgl. HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162). Voor het overige is in beginsel voldoende dat de schuldenaar redelijkerwijze uit de aan hem gerichte verklaring moet hebben kunnen begrijpen dat deze is gericht op de totstandkoming van cessie van een nader door de akte bepaalde vordering op hem.
4.9.5.
Blijkens de onder 2.23 aangehaalde mededeling zien de cessies op alle vorderingen van cedenten met betrekking tot luchtvrachtvervoer in verband met het kartel. Weliswaar wordt in de mededeling vermeld dat de luchtvaartmaatschappijen in de periode van 1999 tot en met 2006 deel van het kartel hebben uitgemaakt, maar die kwalificatie sluit niet uit dat dat lidmaatschap langer heeft geduurd. Die kwalificatie ziet bovendien op het lidmaatschap van het kartel en niet op de vraag welke vorderingen zijn overgedragen. Gelet op de erop volgende volzin kunnen de luchtvaartmaatschappijen de mededeling ook niet redelijkerwijze aldus hebben begrepen, dat uitsluitend de vorderingen met betrekking tot die periode waren overgedragen. In de laatste volzin wordt immers buiten twijfel gesteld dat de overdracht omvat alle daaraan gerelateerde vorderingen op de kartelleden en alle vergelijkbare vorderingen op de kartelleden, geen enkele uitgezonderd. Aldus bevat de mededeling ook de temporele gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat (vgl. antwoordakte rechtsgeldigheid cessies, nr. 220 (iii), 224 (iii) en 226). Ten overvloede voegt het hof hieraan toe dat in elk geval in de onderhavige procedure voldoende duidelijk en tijdig aan de luchtvaartmaatschappijen is meegedeeld dat het gaat om any similar and related claims tot vergoeding van alle schade als gevolg van het kartel, het jaar 2007 daarbij inbegrepen.
4.9.6.
In het verlengde hiervan kan ook niet slagen de klacht die is gericht tegen de overweging dat uit de cessiedocumentatie voldoende duidelijk blijkt dat is beoogd om over te dragen de vorderingen tot vergoeding van alle schade als gevolg van het kartel met inbegrip van meerprijs, rente, gemiste winst en kosten. Het gaat hier wat betreft de inbegrepen schadeposten zonder meer om met de vordering tot vergoeding van kartelschade onmiddellijk samenhangende en dus related claims. Gelet op de ruime bewoordingen van de ADPA en de ook voor derden kenbare strekking van de ADPA blijkt dit ook voldoende duidelijk uit de ADPA zelf.
Bepaaldheid voor zover Frans of Duits recht op de cessie van toepassing is
4.9.7.
Voor de overige cessies, die hetzij door Frans hetzij door Duits recht worden beheerst, biedt het betoog van de luchtvaartmaatschappijen geen aanknopingspunten voor een ander oordeel dan hiervoor voor de cessie door Siemens A.G. is gegeven.
4.9.8.
Grief III.2 is daarmee evenmin gegrond.
Data; nemo plus-regel; echtheid handtekeningen
4.10.
Grief III.3 klaagt over ontbrekende data in een aantal cessieaktes. Zonder datum kunnen de beschikkingsbevoegdheid en de vertegenwoordigingsbevoegdheid op het moment van ondertekening niet worden gecontroleerd, aldus de luchtvaartmaatschappijen. Hoewel de luchtvaartmaatschappijen op zichzelf terecht betogen dat mededeling ook kan geschieden vóór ondertekening van de akte en de mededeling van de cessie hun dus nog geen zekerheid biedt dat de cessieakte voor die datum is getekend, kan de grief niet slagen nu de luchtvaartmaatschappijen de beschikkingsbevoegdheid van de cedent en de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de persoon die namens de cedent de cessieakte tekent in beginsel niet behoeven te onderzoeken. Met de overlegging van de cessiedocumentatie heeft SCC voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die het oordeel kunnen dragen dat de luchtvaartmaatschappijen de cessie tegen zich moeten laten gelden. De stelplicht van SCC strekt zich in beginsel niet uit tot de beschikkingsbevoegdheid van de cedent en evenmin tot de vertegenwoordigingsbevoegdheid van degene die in de cessieakte optreedt. Met de grief hebben de luchtvaartmaatschappijen aldus onvoldoende gemotiveerd aangevoerd dat op redelijke gronden moet worden betwijfeld dat zij door betaling aan SCC van hun betalingsverplichting kunnen worden bevrijd (dan wel, in voorkomend geval, dat zodanige onzekerheid bestaat dat zij kunnen opschorten).
4.11.
De grieven III.4 en III.6 betreffen het door de luchtvaartmaatschappijen aangeduide ‘gebrek 4’ en ‘gebrek 6’. Bij akte van 4 juni 2019, p. 2/3 hebben zij te kennen gegeven dat deze gebreken niet langer aan de orde zijn. Daarmee behoeven deze grieven geen verdere behandeling.
4.12.
Grief III.5 betreft de cessies van vorderingen die eerst aan een groepsvennootschap van de shipper zijn overgedragen, voordat zij aan SCC werden overgedragen. Daarbij gaat het om vennootschappen behorend tot het Siemens-concern. Volgens de luchtvaartmaatschappijen is de omvang van de interne cessie beperkter dan is beoogd met de cessie aan SCC, omdat de omschrijving van de vordering in de documentatie van de interne cessie beperkter is dan in die van de cessie aan SCC. Als gevolg van de nemo plus-regel is de cessie aan SCC daarmee beperkt tot de vordering die op grond van de interne cessie is overgedragen. Ook voor zover de Siemens-groepsmaatschappijen aan Siemens A.G. een volmacht hebben gegeven tot cessie van hun vorderingen aan SCC, is de beschrijving van de vorderingen beperkt tot een kortere periode en minder routes dan in de ADPA op grond waarvan de vorderingen aan SCC zijn gecedeerd, aldus de luchtvaartmaatschappijen.
4.12.1.
Wat de interne cessies binnen het Siemensconcern betreft, gaat het om de onder 2.18 bedoelde ASATR’s, die ingevolge de daarin opgenomen rechtskeuze worden beheerst door Duits recht. Daarin worden overgedragen de claims met bijbehorende accessory rights. De claims worden gedefinieerd als
‘compensation claims against the AIRLINES for the economic and financial loss and damage it suffered as a result of the illegal and anti competitive pricefixing.’
De accessory rights zien op
‘rights ancillary to the CLAIMS, including but not limited to unilateral rights of declaration (…) and dependent and independent rights, including but not limited to interest (…) under or in connection with the CLAIMS.’
In deze zeer ruime definities wordt niet gerefereerd aan een bepaalde kartelperiode of de soort vluchten waarop de vordering betrekking heeft. Voor zover de luchtvaartmaatschappijen, gelet op de formulering van de voorliggende vorderingen, al belang hebben bij hun betoog dat in een inleidende overweging van de ASATR’s wordt gerefereerd aan de kartelperiode van 1 januari 2000 – 31 december 2006 en vluchten binnen, van of naar Europa, miskennen zij dat daarbij het voorbehoud is opgenomen dat ten tijde van de cessie nog geen volledige duidelijkheid bestond omtrent het kartel en daarmee de kartelschadevordering (de luchtvaartmaatschappijen ‘are likely to have illegally fixed fuel and security surcharge on all shipments’). Gelet op die onzekerheid en de ruime bewoordingen van de definities van de begrippen claims en accessory rights komt bij de uitleg van de ASATR’s overeenkomstig § 133 en § 157 BGB geen beslissend gewicht toe aan de omstandigheid dat in de overwegingen wordt verwezen naar de periode 1 januari 2000 – 31 december 2006 en vluchten binnen, van of naar Europa. Hetzelfde geldt voor de onder 2.20 bedoelde, door Duits recht beheerste, Agency Agreements, die – voor zover hier van belang – dezelfde formuleringen hanteren voor de reikwijdte van de daarin neergelegde volmachten aan Siemens A.G. De grief faalt om die reden.
4.13.
Met grief III.7 betwisten de luchtvaartmaatschappijen de echtheid van de onder alle cessiedocumentatie geplaatste handtekeningen. Het gaat daarbij om enkele honderden handtekeningen. Zij stellen, met een beroep op artikel 159 lid 2 Rv, dat SCC de echtheid van alle namens de shippers geplaatste handtekeningen op de cessiedocumentatie dient te bewijzen.
4.13.1.
Voor de cessie door een elftal shippers hebben de luchtvaartmaatschappijen de betwisting van de echtheid van de handtekeningen bij memorie van grieven (onder 218) toegelicht. Zij stellen dat de handtekeningen van dezelfde persoon die beweerdelijk namens deze shippers verschillende documenten heeft ondertekend, ofwel aanzienlijk van elkaar afwijken ofwel identiek en dus kennelijk gekopieerd zijn. Bij pleidooi is de betwisting van de echtheid van de handtekening niet gehandhaafd voor vier van deze elf shippers. De luchtvaartmaatschappijen dienen in het kader van hun betwisting te beargumenteren dat zij redelijke grond hebben te betwijfelen dat zij aan SCC dienen te betalen. Het enkele betoog dat handtekeningen van elkaar afwijken of juist identiek zijn, is daartoe onvoldoende. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat niet in geschil is dat de cessiedocumentatie van de shippers afkomstig is. Er is voorts niets concreets aangevoerd of gebleken dat erop wijst dat een van de shippers zich niet gebonden acht aan de van haar afkomstige cessiedocumentatie.
4.13.2.
Wat A. Lo (shippers 58.29 en 58.30, beide behorende tot het ZF-concern) betreft, heeft SCC verder het gebruik van twee verschillende handtekeningen aldus verklaard dat A. Lo niet alleen een handtekening in het Chinese schrift, maar ook één in het Romeinse schrift heeft. Voorts heeft SCC bij memorie van antwoord een confirmation van shipper 58.29 in het geding gebracht waarin staat dat degene die tezamen met A. Lo de ADPA namens deze shipper heeft ondertekend zelfstandig bevoegd was deze shipper aan de cessie te binden. Daarin staat voorts dat A. Lo namens shipper 58.29 haar Chinese handtekening heeft gezet en namens shipper 58.30 haar Engelse handtekening. De luchtvaartmaatschappijen hebben hier geen feiten en omstandigheden tegenovergesteld die de conclusie kunnen dragen dat redelijke grond tot twijfel bestaat aan de gebondenheid van de shippers 58.29 en 58.30 aan de namens hen ondertekende cessie-akten. Wat Moors (shippers 22.01, 22.03-22.06, behorend tot de Fashion Linq groep) betreft, heeft SCC de aanwezigheid van identieke handtekeningen aldus toegelicht dat een medewerker van hem zijn handtekening heeft ingescand (zie de e-mail van 18 juni 2012; productie 215-1). SCC heeft voorts een confirmation van de directeur van de topholding van de Fashion Linq groep overgelegd, waarin wordt bevestigd dat de shippers in kwestie bevoegdelijk vertegenwoordigd zijn door Moors. De luchtvaartmaatschappijen hebben hier onvoldoende tegenover gesteld om te kunnen aannemen dat redelijke grond voor twijfel bestaat aan de gebondenheid van de shippers 22.01 en 22.03-22.06 aan de namens hen ondertekende cessie-akten.
4.13.3.
Met een beroep op artikel 159 lid 2, tweede volzin, Rv betwisten de luchtvaartmaatschappijen de echtheid van nog enkele honderden andere handtekeningen. Deze betwisting hebben zij evenwel niet nader toegelicht.
Het hof gaat aan deze ontkenning van de echtheid voorbij. In deze procedure gaat het immers (slechts) om de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten werken. SCC heeft daartoe voldoende gesteld. Het ligt vervolgens op de weg van de luchtvaartmaatschappijen om in het kader van de onderbouwing van hun verweer uiteen te zetten dat zij redelijke grond hebben om te betwijfelen of zij aan SCC bevrijdend kunnen betalen. In het kader van de vraag of zij hun verweer voldoende hebben onderbouwd, weegt mee dat hun onderzoeksplicht in beginsel niet zo ver gaat dat zij als schuldenaar handtekeningen in de cessiedocumentatie op echtheid moeten controleren. Zij mogen in beginsel op die echtheid vertrouwen en worden in dat vertrouwen in beginsel beschermd. Het had daarom op de weg van de luchtvaartmaatschappijen gelegen om hun stelling dat zij de echtheid van de handtekeningen in de cessiedocumentatie betwisten van nadere concrete onderbouwing te voorzien, die de conclusie kan dragen dat op redelijke grond aan de rechtsgeldigheid van de cessie kan worden getwijfeld. Nu zij hun verweer op dit punt onvoldoende hebben gestaafd, missen zij voldoende belang bij hun betwisting van de echtheid van deze honderden handtekeningen.
Strijd met openbare orde of goede zeden
4.14.
Grief III.8 betreft de vraag of de cessies nietig zijn wegens strijd met de openbare orde en/of goede zeden. De rechtbank heeft overwogen dat dit punt geen bespreking behoeft, nu de luchtvaartmaatschappijen op grond van het cessiestatuut hieromtrent niets hebben aangevoerd. De grief begrijpt deze overweging aldus, dat de rechtbank heeft overwogen dat naar het cessiestatuut moet worden beoordeeld of de cessies ongeldig zijn wegens strijd met de openbare orde en/of goede zeden. Uitgaande van deze lezing wordt de juistheid van deze overweging bestreden.
4.14.1.
De grief kan niet slagen. Het oordeel van de rechtbank moet worden gelezen tegen de achtergrond van de procesafspraak om eerst een oordeel te vragen over de geldigheid van de cessies naar het cessiestatuut, derhalve het recht dat de overeenkomst die tot cessie verplicht beheerst. De vraag of de cessieovereenkomst strijdig is met openbare orde of goede zeden, wordt inderdaad beheerst door het vorderingsstatuut.
Beoordeeld naar Nederlands recht valt overigens ook niet in te zien dat de cessies met de openbare orde of goede zeden in strijd zijn. Naar Nederlands recht wordt niet aangenomen dat cessie van vorderingen aan een partij die (anders dan de cedent) ten tijde van de cessie niet in staat is een eventuele proceskostenveroordeling te voldoen, nietig is wegens strijd met de goede zeden. Het verdienmodel van SCC maakt dat niet anders.
Vertegenwoordigingsbevoegdheid
4.15.
De grieven IV.1-IV.6 hebben betrekking op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van verschillende personen die namens cedenten of cessionarissen hebben opgetreden. Het hof oordeelt als volgt.
4.15.1.
Uitgangspunt blijft dat de gepretendeerde vorderingen door Nederlands recht worden beheerst. Aan de orde is (nog steeds) de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten werken. SCC heeft daartoe voldoende gesteld. Zij heeft niet alleen uitvoerige cessiedocumentatie in het geding gebracht; ook heeft zij onbetwist gesteld dat zij de shippers regelmatig informeert over de voortgang van de procedure. Het ligt vervolgens op de weg van de luchtvaartmaatschappijen – zoals hiervoor onder 4.5.5 overwogen – om in het kader van de onderbouwing van hun verweer te beargumenteren dat en waarom de geldigheid van de cessie op redelijke gronden moet worden betwijfeld. In het kader van de vraag of zij hun verweer voldoende hebben onderbouwd, weegt mee dat hun onderzoeksplicht in beginsel niet zo ver gaat dat zij als schuldenaar moeten verifiëren of degene die namens de cedent de cessiedocumentatie heeft ondertekend daartoe op dat moment bevoegd was dan wel, indien dat niet het geval is, of de (gestelde) cedent op andere wijze aan de overeenkomst tot cessie en de akte van levering gebonden is geraakt. Zij mogen in beginsel op die bevoegdheid en gebondenheid vertrouwen en worden in dat vertrouwen in beginsel beschermd. Daar komt in dit geval nog bij dat het om vele honderden cedenten gaat en dat van geen enkele cedent is gesteld of gebleken dat deze zich hetzij met een eigen vordering bij de luchtvaartmaatschappijen heeft gemeld hetzij heeft getracht de vordering via een ander claimvehikel te innen, dan wel anderszins heeft laten blijken zich aan de cessie niet gebonden te achten. Het had daarom op de weg van de luchtvaartmaatschappijen gelegen om hun stelling dat zij de gebondenheid van de (gestelde) cedenten aan de in het geding gebrachte cessiedocumentatie betwisten van nadere concrete onderbouwing te voorzien, die de conclusie kan dragen dat op redelijke grond aan de rechtsgeldigheid van de cessie moet worden getwijfeld. Dit hebben zij onvoldoende gedaan. Niet voldoende is in dit verband dat de uitvoerige bevoegdheidsdocumentatie die SCC in het geding heeft gebracht voor een deel van de shippers nog niet bewijst dat zij aan de overeenkomst tot cessie en/of de leveringsakte gebonden zijn. Mede in het licht van het vorenstaande is onvoldoende dat deze documentatie voor enkele shippers ontbreekt, de datum van de bevoegdheidsdocumentatie verschilt van die van de ondertekening van de cessiedocumentatie, dat namen van ondertekenaars niet goed leesbaar zijn of dat de reikwijdte van de vertegenwoordigingsbevoegdheid onduidelijk is. Anders dan de luchtvaartmaatschappijen betogen, strekt de stelplicht en bewijslast van SCC zich immers in beginsel niet uit tot de gebondenheid van de (gestelde) cedent aan de namens hen getekende cessiedocumentatie. Het is aan de luchtvaartmaatschappijen om ter onderbouwing van hun verweer feiten of omstandigheden aan te dragen die erop wijzen dat de shippers bij de ondertekening daarvan niet bevoegdelijk zijn vertegenwoordigd.
4.15.2.
In aanmerking genomen het uitgangspunt dat de gepretendeerde vorderingen door Nederlands recht worden beheerst, behoeft de schuldenaar, ongeacht of de overeenkomst die tot cessie verplicht wordt beheerst door Nederlands, Duits of Frans recht, niet te worden geïnformeerd over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van degene die namens een der partijen bij een cessie optreedt. Nog daargelaten dat de vraag over de vertegenwoordigingsbevoegdheid in beginsel wordt beoordeeld naar het incorporatiestatuut, is deze kwestie ingevolge artikel 3:94 lid 1 BW immers in beginsel niet beslissend in het kader van de vraag of de schuldenaar op de voet van artikel 6:34 lid 1 BW bevrijdend kan betalen, dan wel of hij een beroep kan doen op een opschortingsrecht als bedoeld in artikel 6:37 BW.
De shippers en SCC hebben zich, in hun onderlinge verhouding, blijkens de cessiedocumentatie, niet op enig gebrek beroepen maar eventuele gebreken juist geheeld. De luchtvaartmaatschappijen voeren ook geen feiten of omstandigheden aan die de conclusie kunnen dragen dat op redelijke gronden moet worden betwijfeld of zij door betaling aan SCC van hun betalingsverplichtingen kunnen worden bevrijd (dan wel zich op opschorting kunnen beroepen). Daarmee kunnen ook deze grieven niet slagen. Hetzelfde geldt, voor zover met grief II.9 wordt geklaagd over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van functionarissen die de Confirmations namens vennootschappen behorend tot de Infineon-groep hebben getekend.
Dictum en overig
4.16.
Gegrond is evenwel grief V waarmee de luchtvaartmaatschappijen opkomen tegen het dictum waarin voor recht wordt verklaard dat de cessie van de shippers als cedenten aan SCC als cessionaris naar het cessiestatuut rechtsgeldig zijn. Tot een dergelijke verklaring voor recht strekt het petitum zich immers niet uit. Het vonnis zal daarom op dit punt moeten worden vernietigd.
4.17.
Met grief VI komen de luchtvaartmaatschappijen op tegen de overweging dat de bezwaren tegen de cessies die bij productie 80 of tijdens pleidooi zijn aangevoerd, strijdig zijn met de goede procesorde. Bij deze grief hebben de luchtvaartmaatschappijen geen belang, nu zij in hoger beroep de gelegenheid hebben gehad om die bezwaren alsnog aan het hof voor te leggen.
Bezit; beroep op artikel 3:119 BW
4.18.
SCC heeft nog een beroep gedaan op artikel 3:119 lid 1 BW. Naar SCC betoogt, geniet zij geruime tijd het ongestoorde bezit van de (gepretendeerde) vorderingen. Ingevolge artikel 3:119 lid 1 BW wordt zij daarom vermoed rechthebbende te zijn op vorderingen waarvan zij stelt dat zij deze door middel van cessie heeft verkregen. De luchtvaartmaatschappijen betwisten het betoog van SCC. Het hof overweegt hierover ten overvloede als volgt.
4.18.1.
Zoals onder 4.3 is overwogen, wordt thans ervan uitgegaan dat het Nederlandse recht van toepassing is op de door SCC gepretendeerde kartelschadevorderingen. Ingevolge artikel 10:13 BW dient daarom de vraag of SCC een beroep toekomt op een bewijsvermoeden (voortvloeiend uit het bezit van de vordering), te worden beoordeeld naar Nederlands recht.
4.18.2.
Naar Nederlands recht kan bezit zich mede uitstrekken tot vorderingen op naam (vgl. met betrekking tot verkrijgende verjaring door de bezitter van een vordering Parl. Gesch. Boek 3, p. 418). Dit brengt mee dat ook de bezitter van een vordering op naam een beroep kan doen op het bewijsvermoeden dat in artikel 3:119 BW is vervat. Voor zover de luchtvaartmaatschappijen met een beroep op HR 9 februari 1939, ECLI:NL:HR:1939:32, NJ 1939/865 (Woldijk/Nijman) het tegendeel betogen, wordt hun stelling verworpen. Dit arrest is gewezen onder oud recht en heeft geen betrekking op het bezit van een vordering op naam.
4.18.3.
Uit hetgeen hierboven is overwogen, alsmede uit de uitvoerige cessiedocumentatie die SCC heeft overgelegd, valt af te leiden dat SCC de door haar gepretendeerde vorderingen voor zichzelf houdt. Uit die documentatie blijkt de uiterlijk waarneembare wil van SCC om de in de documentatie bedoelde (gepretendeerde) vorderingen voor zichzelf te gaan houden. Aan die uiterlijk waarneembare wil doet niet af dat zij onder bepaalde omstandigheden gehouden is de gerechtigdheid tot de desbetreffende vordering terug over te dragen aan de oorspronkelijke cedent. Met het oordeel dat SCC de vorderingen voor zichzelf houdt, strookt het gegeven dat is gesteld noch gebleken dat een van de 266 cedenten wier (gepretendeerde) vorderingen SCC stelt te hebben verkregen, zelf jegens de luchtvaartmaatschappijen (na de gestelde cessies) op enig moment aanspraak heeft gemaakt op betaling daarvan dan wel zich (anderszins) op het standpunt heeft gesteld zélf nog bezitter van enige van deze vorderingen te zijn (gebleven). Wat Siemens (AG) betreft, volgt dit ook uit de onder 2.22 aangehaalde verklaring. Aan het voorgaande moet te meer gewicht moet worden gehecht nu – naar onbetwist is gesteld – SCC de cedenten op de hoogte heeft gehouden van de voortgang van haar pogingen tot inning van de vordering terwijl geen aanwijzingen zijn gesteld of gebleken waaruit zou kunnen volgen dat een van de shippers zich niet aan de (gestelde) cessies gebonden acht.
4.18.4.
Het voorgaande brengt mee dat SCC een beroep toekomt op artikel 3:119 lid 1 BW indien komt vast te staan, gelijk thans is aangenomen, dat Nederlands recht van toepassing is op de door SCC gepretendeerde vorderingen.
Verdere regie; (rol)voeging met andere appelzaak
4.19.
Tijdens de regiezitting van 5 juni 2019 heeft het hof met partijen gesproken over de verhouding tussen het recht dat van toepassing is op de kartelschadevordering en het recht dat van toepassing is op de overeenkomst die tot cessie verplicht. Partijen hebben er toen voor gekozen om arrest te vragen in dit hoger beroep; zij vreesden dat voeging – in enigerlei vorm – van onderhavige zaak en het hoger beroep tegen het vonnis van 1 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3392, thans bij dit hof aanhangig onder zaaknummer 200.266.819/01 zich slecht zou verdragen met de regiebeslissingen van de rechtbank en ook overigens vertraging en complicaties zou veroorzaken. Partijen wensten eerst de visie van het hof in het onderhavige geschil te vernemen.
Die visie kennen zij nu. Uit het voorgaande blijkt dat in dit stadium nog geen definitief oordeel kan worden gegeven over de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden, omdat het recht dat de kartelschadevordering beheerst niet vaststaat.
4.20.
Als het hof de zaak nu, in deze stand, terugverwijst naar de rechtbank, terwijl bij het hof nog voorligt de vraag naar het recht dat van toepassing is op de kartelschadevorderingen, dreigt een met een goede procesorde niet verenigbare situatie te ontstaan. De rechtbank heeft met haar regiebeslissing kennelijk willen bereiken dat voor het vervolg van de procedure in ieder geval vast staat dat SCC degene is die van de luchtvaartmaatschappijen betaling van de schadevergoeding wegens inbreuken op het kartelverbod kan verlangen. Dat punt kan nu niet bereikt worden, zolang niet is beslist op het tweede tussentijds hoger beroep. De rechtbank kan, in voorkomend geval, voor de situatie komen te staan dat zij zich enerzijds dient te richten naar het in dit arrest gegeven oordeel en dus vandaaruit de procedure voortzet doch vervolgens, als het hof anders oordeelt over het op de kartelschadevordering toepasselijk recht, opnieuw moet oordelen over de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies nu wel tegen zich dienen te laten gelden en (dus) bevrijdend aan SCC kunnen betalen.
4.21.
In die situatie acht het hof voorshands (rol)voeging van dit tussentijds appel met het andere wenselijk. Dat zou betekenen, dat de beslissing in deze zaak wordt aangehouden totdat in de andere zaak de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, waarna dan in beginsel beslist wordt over het toepasselijk recht. Daarna kan partijdebat volgen over de eventuele gevolgen van die beslissing voor de in deze zaak voorliggende vraag of de luchtvaartmaatschappijen bevrijdend aan SCC kunnen betalen. Na de beslissing op dat punt zal de zaak dan worden terugverwezen naar de rechtbank.
Mede gelet op voormelde eerdere bespreking ter zitting zal het hof partijen de gelegenheid te geven zich over dat voornemen uit te laten bij akte.
4.22.
De zaak zal derhalve naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte door beide partijen met het doel als vermeld onder 4.21.
4.23.
Het hof ziet aanleiding ambtshalve te bepalen dat van dit arrest geen tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld.
5. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 2 juni 2020 teneinde als onder 4.21 vermeld;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, J.M. de Jongh en A.P. Wessels en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2020.
Uitspraak 10‑03‑2020
Inhoudsindicatie
Luchtvaartkartel. Cessie vorderingen aan claimvehikel. Heeft schuldenaar belang bij vaststelling geldigheid cessie of is voor schuldenaar beslissend of hij op redelijke gronden moet aannemen dat (kan betwijfelen of) cessie geldig is? Art. 6:34 en 6:37 BW. Op cessie-overeenkomst toepasselijk recht (art. 14 Rome I; art. 10:135 BW). Mededelingsplicht; informatierecht schuldenaar (art. 3:94 lid 1 en 4 BW). Redelijke grond tot twijfel indien cessieovereenkomst wordt beheerst door Duits of Frans recht. Cessie aan claimvehikel strijdig met fiduciaverbod (art. 3:84 lid 3 BW)? Bepaaldheidsvereiste. Belang schuldenaar bij betwisting geldigheid handtekening cessieakte en bij vaststelling bevoegde vertegenwoordiging cedent in cessieakte. Bezitsvermoeden vordering (art. 3:119 BW). Is vordering vatbaar voor bezit? Samenhang met ECLI:NL:GHAMS:2020:713.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.229.231/01
zaak-/rolnummers rechtbank Amsterdam : C/13/486440 / HA ZA 11-944 (Equilib I) C/13/561169 / HA ZA 14-283 (Equilib II)
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 maart 2020
1. Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
2. Martinair Holland N.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat: mr. J.S. Kortmann te Amsterdam,
de rechtspersonen naar vreemd recht
3. Société Air France S.A.
gevestigd te Tremblay en France (Frankrijk),
advocaat: mr. D.A.M.H.W. Strik te Amsterdam,
4. Singapore Airlines Cargo Pte Ltd,
5. Singapore Airlines Limited,
beide gevestigd te Singapore (Singapore),
advocaat: mr. I.W. VerLoren van Themaat te Amsterdam,
6. Lufthansa Cargo A.G.,
gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),
7. Deutsche Lufthansa A.G.,
gevestigd te Keulen (Duitsland),
8. Swiss International Air Lines A.G.,
gevestigd te Basel (Zwitserland),
advocaat: mr. P.N. Malanczuk te Rotterdam,
9. British Airways Plc,
gevestigd te Harmondsworth, West Drayton (Verenigd Koninkrijk),
advocaat: mr. D.J. Beenders te Amsterdam,
10. Air Canada S.A.,
gevestigd te Saint Laurent (Canada),
advocaat: mr. K.A.J. Bisschop te Amsterdam,
11. Cathay Pacific Airways Limited,
gevestigd te Hong Kong (China),
advocaat: mr. Ph.W.M. ter Burg te Den Haag,
appellanten,
incidenteel geïntimeerden,
tegen
EQUILIB NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
incidenteel appellante
advocaat: mr. M.H.J. van Maanen te Den Haag.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna KLM, Martinair, Air France, Singapore Cargo, Singapore, Lufthansa Cargo, Deutsche Lufthansa, Swiss International, BA, Air Canada, Cathay (gezamenlijk: de luchtvaartmaatschappijen) en Equilib genoemd. Singapore Cargo en Singapore zullen hierna gezamenlijk (in enkelvoud) Singapore Airlines worden genoemd; Lufthansa Cargo, Deutsche Lufthansa en Swiss International zullen hierna gezamenlijk (in enkelvoud) Lufthansa worden genoemd.
De luchtvaartmaatschappijen zijn bij dagvaarding van 10 november 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2017 in gevoegde zaken onder bovenvermelde zaak-/rolnummers gewezen tussen Equilib als eiseres en – in de zaak met zaak-/rolnummer C/13/486440 / HA ZA 11-944 (hierna: Equilib I) – appellanten 1 tot en met 3 als gedaagden en de overige appellanten als gevoegde partijen respectievelijk – in de zaak met zaak-/rolnummer C/13/561169 / HA ZA 14-283 (Equilib II) – appellanten 1 tot en met 3, 6, 7 en 9 als gedaagden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven van de zijde van de luchtvaartmaatschappijen, met producties;
- memories van grieven van de zijde van achtereenvolgens Singapore, Lufthansa, BA, Air Canada en Cathay, waarin zij zich hebben aangesloten bij de grieven en het petitum uit de memorie van grieven van de luchtvaartmaatschappijen;
- memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens houdende bezwaar eiswijziging, van de zijde van KLM, Martinair en Air France;
- akte tot referte en memories van antwoord in incidenteel appel van de overige luchtvaartmaatschappijen, waarin zij zich hebben aangesloten bij de inhoud van de memorie van antwoord in incidenteel appel van KLM, Martinair en Air France.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 5 juni 2019 doen bepleiten, en wel als volgt:
- -
KLM, Martinair en Air France door mr. Strik voornoemd, mr. T.M. Welling, advocaat te Amsterdam, en mr. Kortmann voornoemd aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd;
- -
Lufthansa door mr. Malanczuk voornoemd en mr. J.P. van der Klein, advocaat te Amsterdam;
- -
BA door mr. Beenders voornoemd en mrs. M.J. Portman en I. Peijster, advocaten te Amsterdam;
- -
Singapore Airlines door mrs. N.T. Dempsey, advocaat te Amsterdam;
- -
Air Canada door mr. Bisschop voornoemd;
- -
Cathay door mr. Ter Burg voornoemd;
- -
Equilib door mr. Van Maanen voornoemd en mrs. T.S. Hoyer en H.B. de Hek, advocaten te Den Haag, aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.
BA heeft nog producties in het geding gebracht.
Aansluitend aan de pleidooien is op 5 juni 2019 een (regie)comparitie gehouden.
Ten slotte is arrest gevraagd.
De luchtvaartmaatschappijen hebben gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog de vorderingen van Equilib zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten met nakosten en rente.
Equilib heeft geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep van de luchtvaartmaatschappijen, heeft in incidenteel appel gevorderd dat het bestreden vonnis deels wordt vernietigd, en heeft in principaal en incidenteel appel – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van de luchtvaartmaatschappijen gevorderd in de kosten van het geding in beide instanties.
De luchtvaartmaatschappijen hebben in incidenteel appel bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van Equilib en geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel appel, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten met nakosten en rente.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
2. Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.27 de feiten weergegeven die zij als vaststaand heeft aangenomen. Voor zover met grief V wordt geklaagd over de juistheid van de door de rechtbank vastgestelde feiten zal het hof deze klachten in aanmerking nemen bij onderstaande samenvatting van de feiten. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
2.1.
De Europese Commissie (hierna: de Commissie) heeft in een besluit van 9 november 2010 geoordeeld dat diverse luchtvaartmaatschappijen – waaronder de luchtvaartmaatschappijen – in de periode vanaf december 1999 tot 14 februari 2006 brandstof- en veiligheidstoeslagen ten aanzien van vluchten van, naar en binnen de Europese Economische Ruimte hebben gecoördineerd, hetgeen in strijd is met artikel 101 WVEU (respectievelijk de daaraan temporeel voorafgaande Verdragsbepalingen). Aan elf luchtvaartmaatschappijen zijn geldboetes opgelegd voor een totaalbedrag van € 799.445.000 wegens deelname aan een internationaal kartel. Dit besluit (hierna: het oude besluit) is aan de luchtvaartmaatschappijen bekend gemaakt. Voorts heeft de Europese Commissie daaromtrent een persbericht doen uitgaan.
2.2.
Tegen het oude besluit is door alle twintig geadresseerden daarvan, met uitzondering van Qantas Airways Limited (hierna: Qantas), beroep ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie (hierna: het Gerecht). Bij arresten van 16 december 2015 heeft het Gerecht de beroepen gegrond verklaard en het oude besluit van de Commissie (ten aanzien van BA gedeeltelijk) nietig verklaard. De Commissie heeft geen beroep ingesteld tegen deze arresten.
2.3.
BA heeft tegen het arrest van het Gerecht beroep ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU), dat door het hof bij arrest van 17 november 2017 is afgewezen.
2.4.
De Europese Commissie heeft op 17 maart 2017 een nieuw besluit genomen en dit bekend gemaakt (Besluit van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 53 van de EER-overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (Zaak AT.39258 – Luchtvracht); hierna: het nieuwe besluit). Daarin heeft de Europese Commissie wederom geoordeeld dat in de hiervoor onder 2.1 genoemde periode sprake was van een internationaal kartel en heeft zij aan een aantal luchtvaartmaatschappijen – waaronder de luchtvaartmaatschappijen – geldboetes opgelegd voor een totaalbedrag van € 776.465.000 voor deelname aan dat kartel. Alle beboete luchtvaartmaatschappijen (met uitzondering van Qantas) hebben tegen het nieuwe besluit beroep ingesteld bij het Gerecht. Ten tijde van het wijzen van dit arrest is deze procedure nog aanhangig.
2.5.
Er zijn, zo stelt Equilib, brandstoftoeslagen en andere toeslagen aan de afzenders van goederen die luchtvrachtdiensten hebben afgenomen (hierna: de shippers) in rekening gebracht via expediteurs (hierna ook: de freight forwarders).
2.6.
Equilib, sinds 18 december 2012 na een fusie de rechtsopvolger onder algemene titel van Equilib S.A.R.L. (een vennootschap naar Frans recht), is een Nederlandse vennootschap die schadevergoedingsvorderingen (die zijn ontstaan door mededingingsrechtelijke inbreuken) in rechte tracht te verhalen (ook wel genoemd een ‘litigation vehicle’ of ‘claim vehicle’), in dit geval de vorderingen die een aantal shippers meent te hebben op de luchtvaartmaatschappijen ter zake van het hiervoor bedoelde kartel.
2.7.
Equilib koopt de vorderingen op, bundelt deze en gaat deze vervolgens in eigen naam innen. Hiertoe laat Equilib haar ‘cliënten’ (shippers) hun (vermeende) vorderingen aan haar cederen. De door Equilib overgelegde cessiedocumentatie betreft:
i. i) de cessieovereenkomsten/leveringsakten (“hoofdovereenkomsten”) tussen enerzijds de cedenten (shipper en/of moedermaatschappij van een dochtermaatschappij die als shipper luchtvrachtdiensten heeft afgenomen) en anderzijds Equilib (Assignment of Rights Agreements),
ii) de overeenkomsten tussen de dochtermaatschappijen, de moedermaatschappijen en Equilib (Intragroup Assignment and Mandate Agreements),
iii) de leveringsakten tussen de dochtermaatschappijen en de moedermaatschappijen (Assignments from Subsidiary to Parent),
iv) de leveringsakten tussen de moedermaatschappijen en Equilib (Assignments from Parent to Equilib),
v) de cessieovereenkomsten/leveringsakten tussen een aantal shippers en Equilib (Supplementary Assignment of Rights Agreements) waarin de eerdere cessies worden bevestigd en waarbij is beoogd vorderingen uit de periode december 1999 en/of vorderingen uit de periode tussen 15 februari 2006 en eind 2008 over te dragen.
2.8.
Equilib heeft voor de cessiedocumentatie diverse modellen gehanteerd, die hierna, voor zover relevant, zullen worden weergegeven.
Volgens Equilib zijn de verschillende modellen in grote lijnen in te delen in modellen met een ‘oude’ considerans waarin nog werd aangenomen dat het kartel van 2000-2007 duurde. In modellen met een ‘nieuwe’ considerans wordt uitgegaan van een kartel tussen december 1999 en 14 februari 2006. De Supplementary Assignment of Rights Agreements zijn aparte modellen die gebaseerd zijn op de daaraan voorafgaande cessies. Deze zijn ingedeeld afhankelijk van de vraag of de voorgaande cessiedocumentatie een ‘oude’ of ‘nieuwe’ considerans had en of sprake is van dochtermaatschappijen. Ten slotte zijn de meest recente cessies ook in een nieuw model gegoten en aangeduid als het ‘2016-model’ (A5, B5, C5 en D5), aldus steeds Equilib. De door de shippers getekende cessiedocumentatie wijkt op onderdelen af van de door Equilib overgelegde modellen. De afwijkingen zijn weergegeven in productie 3 bij akte van 9 november 2016 van Equilib.
2.9.
Het door Equilib overgelegde model “A1- Agreement Assignment of Rights oude considerans DEF” tussen de cedent, al dan niet een moedermaatschappij, (in het model aangeduid als ‘Claimant’ of ‘Assignor’) en Equilib (in het model aangeduid als ‘Assignee’) luidt, voor zover hier relevant:
“WHEREAS
A. The Commission of the European Communities (…) and several national competition authorities have initiated investigations and/or actual and potential prosecutions against certain major airlines (the “Airlines”) for allegedly having taken part between 2000 and 2007 (the “Cartel Period”) in a cartel which fixed prices, surcharges and levies in relation to international air freight services provided by the Airlines from and to member states of the European Union and other countries (the “Cartel”).
B. The Airlines include but are not limited to: Air France-KLM Airlines, Alitalia, Air Canada, Air New Zealand, All Nippon Airways, Cathay Pacific, Cargolux, Japan Airlines, LAN Airlines, Lufthansa, Malaysian Airlines, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Thai A(i)rways.
C. It is alleged that the Airlines have, by means of the Cartel, artificially inflated their international air freight charges during the Cartel Period in an anticompetitive manner and without any valid legal justification. The amount of the artificial inflation in the charges is referred to as the “Overcharge”.
D. Companies that directly and/or indirectly purchased international air freight services from any of the Airlines during the Cartel Period are likely to have suffered loss and damage as a result of the Overcharge and may have one or more claims against the Airlines for compensation.
E. The Claimant directly and/or indirectly purchased international air freight services from one or more of the Airlines during the Cartel Period and has suffered economic and financial loss and damage as a result of the Overcharge (the “Losses”). The Airlines are jointly and severally liable for the Losses.
F. The Claimant has rights to recover compensation for the Losses (the “Rights”) against all or any of the Airlines which have partaken in the Cartel in breach of competition law. Depending upon where, when and how the Losses were incurred, these Rights may be of different nature, legal status and time limitations.
G. In addition to the Rights, the Claimant enjoys all rights accessory to or otherwise necessary for the effective resolution and enforcement of the Rights, including the right to bring legal proceedings for damages in an appropriate jurisdiction against all or any of the Airlines, the right to settle or compromise the Rights in negotiation with all or any of the Airlines and the right to be paid damages, settlement monies, interest, costs and all other forms of monetary compensation whatsoever which may be payable or recoverable in respect of the Rights (the “Accessory Rights”).
H. The Claimant wishes to assign the Rights and the Accessory Rights (the “Assignment”) to Equilib on the terms and conditions of this Agreement, in order for Equilib to resolve the Rights through either an action for damages or a settlement. Equilib will, subject to the terms of this Agreement, bear all the costs and risks of resolving and enforcing the Rights assigned to it. In consideration for the Assignment, Equilib undertakes to pay to the Claimant a share of any payment that may be made by the Airlines to Equilib in relation to
the Rights.
(…)
2. Assignment of the Rights and the Accessory Rights
2.1
The Assignor hereby assigns and transfers, in full, the Rights and all of the Accessory Rights to the Assignee on the terms and conditions of this Agreement.
2.2
The Assignee hereby acquires the complete ownership and possession of the Rights and the Accessory Rights. The Assignee may henceforth exercise the Rights and the Accessory Rights in its own name, at its own expense and risk, free from any restriction or interference by the Assignor.
2.3
The Assignee shall at its expense, where legally required, make the appropriate notification of the existence and terms of this Assignment to such of the Airlines as the Assignee wishes to resolve or enforce the Rights against.
3. Price of the Assignment
3.1
In consideration for the Assignment, the Assignor will be entitled to a Price equivalent to (…) of the Compensation (…).
3.3
The Assignor acknowledges that the quantum and payment of the Price depends entirely on the Assignee successfully resolving and enforcing the Rights for value through Proceedings or Alternative Resolution.
(…)
8. Buy-Back Option
8.1
With respect to the Rights, should the Assignee within the Performance Period;
(a) fail to commence Proceedings or seek Alternative Resolution (clause 4.2);
(b) decide not to seek to resolve or enforce the Rights following a Negative Opinion notified to the Assignor (clause 4.3); or
(c) cause an event of Default as provided for under clause 4.8;
the Assignor will be granted by the Assignee the right to call back the Rights and the Accessory Rights (the “Buy-Back Option”) in accordance with clause 8.2 below.
(…)
12. Governing law and jurisdiction
This Agreement shall be construed in accordance with and governed by the law of the Netherlands.”
2.10.
Het door Equilib overgelegde model “A2- Agreement Assignment of Rights nieuwe considerans DEF” tussen de cedent, al dan niet een moedermaatschappij, (in het model aangeduid als ‘Claimant’ of ‘Assignor’) en Equilib (in het model aangeduid als ‘Assignee’) luidt, voor zover hier relevant:
“WHEREAS
A. On the 9th November 2010 the Commission of the European Communities (the “EC”) announced that it had completed investigations into a worldwide cartel (“the Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14ͭ ͪ February 2006 (the “Cartel Period”). 14 airlines (the “Airlines”) were found to have illegally fixed fuel and security surcharges on all shipments and the EC imposed fines totalling €799m.
B. The airlines are Air Canada, Air France, British Airways, Cargolux, Cathay Pacific Airways, Japan Airlines, KLM Airlines, LAN Chile, Lufthansa, Martinair, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Swiss International Air Lines.
C. The Airlines have, by means of the Cartel, artificially inflated their international air freight charges during the Cartel Period in an anticompetitive manner and without any valid legal justification. The amount of the artificial inflation in the charges is referred to as the “Overcharge”.
D. Companies that directly and/or indirectly purchased international air freight services from any of the Airlines during the Cartel Period are likely to have suffered loss and damage as a result of the Overcharge and may have one or more claims against the Airlines for compensation.
E. The Claimant directly and/or indirectly purchased international air freight services from one or more of the Airlines during the Cartel Period or have paid fuel and/or security surcharges during the Cartel Period and has suffered economic and financial loss and damage as a result of the Overcharge (the “Losses”). The Airlines are jointly and severally liable for the Losses.
F. The Claimant has rights to recover compensation for the Losses (the “Rights”) against all or any of the Airlines which have partaken in the Cartel in breach of competition law. Depending upon where, when and how the Losses were incurred, these Rights may be of different nature, legal status and time limitations.
G. In addition to the Rights, the Claimant enjoys all rights accessory to or otherwise necessary for the effective resolution and enforcement of the Rights, including the right to bring legal proceedings for damages in an appropriate jurisdiction against all or any of the Airlines, the right to settle or compromise the Rights in negotiation with all or any of the Airlines and the right to be paid damages, settlement monies, interest, costs and all other forms of monetary compensation whatsoever which may be payable or recoverable in respect of the Rights (the “Accessory Rights”).
H. The Claimant wishes to assign the Rights and the Accessory Rights (the “Assignment”) to Equilib on the terms and conditions of this Agreement, in order for Equilib to resolve the Rights through either an action for damages or a settlement. Equilib will, subject to the terms of this Agreement, bear all the costs and risks of resolving and enforcing the Rights assigned to it. In consideration for the Assignment, Equilib undertakes to pay to the Claimant a share of any payment that may be made by the Airlines to Equilib in relation to the Rights.
(…)
2. Assignment of the Rights and the Accessory Rights
2.1
The Assignor hereby assigns and transfers, in full, the Rights and all of the Accessory Rights to the Assignee on the terms and conditions of this Agreement.
2.2
The Assignee hereby acquires the complete ownership and possession of the Rights and the Accessory Rights. The Assignee may henceforth exercise the Rights and the Accessory Rights in its own name, at its own expense and risk, free from any restriction or interference by the Assignor.
2.3
The Assignee shall at its expense, where legally required, make the appropriate notification of the existence and terms of this Assignment to such of the Airlines as the Assignee wishes to resolve or enforce the Rights against.
3. Price of the Assignment
3.1
In consideration for the Assignment, the Assignor will be entitled to a Price equivalent to (…) of the Compensation (…).
3.3
The Assignor acknowledges that the quantum and payment of the Price depends entirely on the Assignee successfully resolving and enforcing the Rights for value through Proceedings or Alternative Resolution.
(…)
8. Buy-Back Option
8.1
With respect to the Rights, should the Assignee;
(a) decide not to seek to resolve or enforce the Rights following a Negative Opinion notified to the Assignor (clause 4.1); or
(b) cause an event of Default as provided for under clause 4.5;
the Assignor will be granted by the Assignee the right to call back the Rights and the Accessory Rights (the “Buy-Back Option”) in accordance with clause 8.2 below.
(…)
12. Governing law and jurisdiction
This Agreement shall be construed in accordance with and governed by the law of the Netherlands. (…)”.
2.11.
Het door Equilib overgelegde model “A5- Agreement Assignment of Rights 2016-model DEF” tussen de cedent, al dan niet een moedermaatschappij, (in het model aangeduid als ‘Claimant’ of ‘Assignor’) en Equilib (in het model aangeduid als ‘Assignee’) luidt, voor zover hier relevant:
“WHEREAS
A. On 9 November 2010 the European Commission announced that it had rendered a decision that day (the “Decision”) in respect of a cartel (the “Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14th February 2006 (the “Cartel Period”) finding 14 Airlines (the “Airlines”) guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (the “Cartel Conduct”). (…)
B. The Airlines are: Air Canada, Air France, British Airways, Cargolux, Cathay Pacific Airways, Japan Airlines, KLM Airlines, LAN Chile, Lufthansa, Martinair, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Swiss International Air Lines. (…)
C. The Airlines have, by means of the Cartel, artificially inflated their international air freight charges during the Cartel Period in an anticompetitive manner and without any valid legal justification. The amount of the artificial inflation in the charges is referred to as the “Overcharge”.
D. Companies that directly and/or indirectly purchased international air freight services from any of the Airlines during the Cartel Period are likely to have suffered loss and damage as a result of the Overcharge and may have one or more claims against the Airlines for compensation. The damages for which compensation can be sought include damages incurred as a result of the effects that the Cartel Conduct has had on the conduct and pricing policy of other airlines that were not a member of the Cartel (“Umbrella Effects”).
E. Recent (preliminary) studies offer strong indications that the Cartel Conduct has caused further damage after the Cartel Period, through lingering effects in respect of the surcharges from 15 February 2006 to the end of 2008 (the “Post-Cartel Period”).
F. The Claimant directly and/or indirectly purchased international air freight services from one or more of the Airlines and other airlines during the Cartel Period and the Post-Cartel Period and has suffered economic and financial loss and damage as a result of the Overcharge and the Umbrella Effects (the “Losses”). The Airlines are jointly and severally liable for the Losses.
G. The Claimant has rights to recover compensation for the Losses (the “Rights”) against all or any of the Airlines which have partaken in the Cartel in breach of competition law. The Rights may differ including in respect of applicable law, their legal status and the applicable limitation periods.
H. In addition to the Rights, the Claimant enjoys all rights accessory to or otherwise necessary for the effective resolution and enforcement of the Rights, including the right to bring legal proceedings for damages in an appropriate jurisdiction against all or any of the Airlines, the right to settle or compromise the Rights in negotiation with all or any of the Airlines and the right to be paid damages, settlement monies, interest, costs and all other forms of compensation whatsoever which may be payable or recoverable in respect of the Rights (the “Accessory Rights”). (…)
I. The Claimant wishes to sell and assign the Rights and the Accessory Rights (the “Assignment”) to Equilib on the terms and conditions of this Agreement, in order for Equilib to resolve the Rights through either an action for damages or a settlement. Equilib will, subject to the terms of this Agreement, bear all the costs and risks of resolving and enforcing the Rights assigned to it. In consideration for the Assignment, Equilib undertakes to pay to the Claimant a share of any payment that may be made by the Airlines to Equilib in relation to the Rights.
(…)
2. Assignment of the Rights and the Accessory Rights
2.1
The Assignor hereby assigns and transfers, in full, the Rights and all of the Accessory Rights to the Assignee on the terms and conditions of this Agreement.
2.2
The Assignee hereby acquires the complete ownership and possession of the Rights and the Accessory Rights. The Assignee may henceforth exercise the Rights and the Accessory Rights in its own name, at its own expense and risk, free from any restriction or interference by the Assignor.
2.3
The Assignee shall at its expense, where legally required, make the appropriate notification of the existence and terms of this Assignment to such of the Airlines as the Assignee wishes to resolve or enforce the Rights and the Accessory Rights against.
3. Price of the Assignment
3.1
In consideration for the Assignment, the Assignor will be entitled to a Price equivalent to (…) of the Compensation (…).
3.3
The Assignor acknowledges that the quantum and payment of the Price depends entirely on the Assignee successfully resolving and enforcing the Rights and the Accessory Rights for value through Proceedings or Alternative Resolution.
(…)
8. Buy-Back Option
8.1
With respect to the Rights and the Accessory Rights, should the Assignee;
(a) decide not to seek to resolve or enforce the Rights and the Accessory Rights or continue to do so following a Negative Opinion notified to the Assignor (clause 4.1); or
(b) cause an event of Default as provided for under clause 4.5;
the Assignor will be granted by the Assignee the right to call back the Rights and the Accessory Rights (the “Buy-Back Option”) in accordance with clause 8.2 below.
(…)
12. Governing law and jurisdiction
This Agreement shall be construed in accordance with and governed by the law of the Netherlands.”
2.12.
Het door Equilib overgelegde model “B1- Intragroup Assignment and Mandate Agreement oude considerans DEF”, gesloten tussen Equilib, de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Parent’) en de dochtermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Subsidiary’), luidt, voor zover hier relevant:
“WHEREAS:
a. The European Commission is investigating alleged cartel behaviour by various airlines believed to have occurred between 1ˢᵗ January 2000 – 14ͭ ͪ February 2007 (“the Cartel Period”) which affected competition within the European Union. The above airlines (“the Airlines”) are believed to include, but are not limited to KLM, Martinair, British Airways, Air France, Asiana, Cargolux, Cathay Pacific, El Al, Japan Air Lines, Korean Airlines, LAN Carco, Aerolinhas Brasileiras, Nippon Cargo Airlines, Qantas, SAS and Lufthansa.
b. The alleged cartel behaviour relates to air cargo services and the fixing of various so-called surcharges between competitors (“the Cartel Conduct”). If proven, this conduct would infringe Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union.
c. Subsidiary has directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo transportation services from one or more of the Airlines during the Cartel Period, and thus, as a result of the Cartel Conduct, has incurred damages, for which the Subsidiary holds the Airlines both individually and jointly and severally liable (“the Subsidiary’s Claims”);
d. Parent and Equilib have entered into an agreement, concluded on (…), which provides inter alia for Parent to assign (cederen) claims of its own similar to the Subsidiary’s Claims (“the Parent’s Claims”) to Equilib;
e. Parent and Equilib wish to include in the Parent’s Claims the Subsidiary’s Claims and Subsidiary therefore agrees to assign the Subsidiary’s Claims to Parent;
f. Subsidiary grants Equilib a mandate (“last”) under Articles 7:414 (…) Dutch Civil Code to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Subsidiary’s Claims.
g. This agreement is governed by Dutch law; for this reason Subsidiary as assignor and Parent as assignee will assign by separate deed the Subsidiary’s Claims in accordance with Dutch law, more specifically in accordance with Article 3:94 (1) Dutch Civil Code;
SUBSIDIARY, PARENT AND EQUILIB COVENANT AS FOLLOWS
1. Subsidiary will assign to Parent by separate deed the Subsidiary’s Claims against the Airlines.
2. Subsidiary mandates Equilib pursuant to Articles 7:414 (…) Dutch Civil Code to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Subsidiary’s Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings.”
2.13.
Het door Equilib overgelegde model “B2 Intragroup Assignment and Mandate Agreement nieuwe considerans DEF”, gesloten tussen Equilib, de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Parent’) en de dochtermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Subsidiary’), bevat dezelfde bepalingen als het onder 2.12 genoemde model, behoudens onder a en b, die als volgt luiden:
“a. The European Commission has completed its investigation into a worldwide cartel (“the Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14ͭ ͪ February 2006 (“the Cartel Period”) finding the Airlines guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (“the Cartel Conduct”).
b. This conduct infringes Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union and entitles companies affected to claim damages for the harm caused.”
2.14.
Het door Equilib overgelegde model “B5 Intragroup Assignment and Mandate Agreement 2016-model DEF”, gesloten tussen Equilib., de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Parent’) en de dochtermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Subsidiary’), luidt, voor zover hier relevant:
“WHEREAS:
a. On 9 November 2010 the European Commission announced that it had rendered a decision that day (the “Decision”) in respect of a cartel (the “Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14th February 2006 (the “Cartel Period”) finding 14 Airlines (the “Airlines”) guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (“the Cartel Conduct”). (…)
b. The Airlines are: Air Canada, Air France, British Airways, Cargolux, Cathay Pacific Airways, Japan Airlines, KLM Airlines, LAN Chile, Lufthansa, Martinair, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Swiss International Air Lines. (…)
c. The Airlines have, by means of the Cartel, artificially inflated their international air freight charges during the Cartel Period in an anticompetitive manner and without any valid legal justification. The amount of the artificial inflation in the charges is referred to as the “Overcharge”.
d. Companies that directly and/or indirectly purchased international air freight services from any of the Airlines during the Cartel Period are likely to have suffered loss and damage as a result of the Overcharge and may have one or more claims against the Airlines for compensation. The damages for which compensation can be sought include damages incurred as a result of the effects that the Cartel Conduct has had on the conduct and pricing policy of other airlines that were not a member of the cartel (“Umbrella Effects”).
e. Recent (preliminary) studies offer strong indications that the Cartel Conduct has caused further damage after the Cartel Period, through lingering effects in respect of the surcharges from 15 February 2006 to the end of 2008 (the “Post-Cartel Period”).
f. Subsidiary has directly and/or indirectly purchased air freight services from one or more of the Airlines and other airlines during the Cartel Period and the Post-Cartel Period and have suffered economic and financial loss and damage as a result of the Overcharge and the Umbrella Effects (the “Losses”). The Airlines are jointly and severally liable for the Losses.
g. The Subsidiary has rights to recover compensation for the Losses (the “Rights”) against all or any of the Airlines which have partaken in the Cartel in breach of competition law. The Rights may differ including in respect of applicable law, their legal status and the applicable limitation periods.
h. In addition to the Rights, the Subsidiary enjoys all rights accessory to or otherwise necessary for the effective resolution and enforcement of the Rights, including the right to bring legal proceedings for damages in an appropriate jurisdiction against all or any of the Airlines, the right to settle or compromise the Rights in negotiation with all or any of the Airlines and the right to be paid damages, settlement monies, interest, costs and all other forms of compensation whatsoever which may be payable or recoverable in respect of the Rights (the “Accessory Rights”). The Rights and the Accessory Rights are hereinafter together referred to as the “Subsidiary’s Claims”.
i. Parent and Equilib have entered into an agreement, concluded on (…), which provides inter alia for Parent to sell and assign (cederen) claims of its own similar to the Subsidiary’s Claims (“the Parent’s Claims”) to Equilib; that same agreement contains the actual assignment of the Parent’s Claims to Equilib;
j. Subsidiary hereby wishes to agree to sell and assign the Subsidiary’s Claims to Parent and Parent hereby wishes to agree to subsequently sell and reassign (doorcederen) these claims to Equilib. Equilib wishes to agree to acquire these claims and accept the assignment thereof. (…)
k. Subsidiary, insofar as necessary, grants Equilib a mandate (“last”) under Articles 7:414 Dutch Civil Code to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Subsidiary’s Claims.
l. This agreement is governed by Dutch law; for this reason Subsidiary as assignor and Parent as assignee will assign by separate deed the Subsidiary’s Claims in accordance with Dutch law, more specifically in accordance with Article 3:94 (1) Dutch Civil Code;
SUBSIDIARY, PARENT AND EQUILIB COVENANT AS FOLLOWS
1. Subsidiary and Parent agree that Subsidiary will sell and assign to Parent by
separate deed the Subsidiary’s Claims against the Airlines.
2. Parent and Equilib agree that Parent will sell and reassign to Equilib by separate
deed the Subsidiary’s Claims against the Airlines. (…)
4. Subsidiary, insofar as necessary, hereby mandates Equilib pursuant to Articles 7:414 Dutch Civil Code to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Subsidiary’s Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings.”
2.15.
In het door Equilib overgelegde model “C1 - Assignment from Subsidiary to Parent oude considerans DEF” tussen de dochtermaatschappij en de moedermaatschappij staat vermeld, voor zover hier relevant:
“Dear [PARENT],
Pursuant to our agreement, concluded on [DATE INTRAGROUP ASSIGNMENT & MANDATE AGREEMENT WAS SIGNED…..], providing for the reassigning (doorcederen) of our claims (“the Claims”) by you to Equilib, we hereby assign (cederen) to you our Claims against certain airlines which are believed to include, but are not limited to KLM, Martinair, British Airways, Air France, Asiana, Cargolux, Cathay Pacific, El Al, Japan Air Lines, Korean Airlines, LAN Cargo, Aerolinhas Brasileiras, Nippon Cargo Airlines, Qantas, SAS and Lufthansa (“the Airlines”).
If you are required to notify the Airlines of this assignment you may do so by giving them a copy of this letter which summaries the background to the assignments as follows:
a. The European Commission is investigating alleged cartel behaviour by the Airlines believed to have occurred between 1ˢͭ January 2000 – 14ͭ ͪ Februari 2007 (“the Cartel Period”) which affected competition within the European Union.
b. The alleged cartel behaviour relates to air cargo services and the fixing of various so-called surcharges between competitors (“the Cartel Conduct”). If proven, this conduct would infringe Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union.
c. We have directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo transportation services from one or more of the Airlines during the Cartel Period, and thus, as a result of the Cartel Conduct, have incurred damages, for which we hold the Airlines both individually and jointly and severally liable by means of the Claims.
d. We have assigned (gecedeerd) to you our Claims concerning the aforementioned damages.
e. Our agreement mentioned above is governed by Dutch law; for this reason the present assignment occurs in accordance with Dutch law.”
2.16.
In het door Equilib overgelegde model “C2 - Assignment from Subsidiary to Parent nieuwe considerans DEF” tussen de dochtermaatschappij en de moedermaatschappij staat vermeld, voor zover hier relevant:
“Dear Parent,
Pursuant to our agreement, concluded on [DATE INTRAGROUP ASSIGNMENT & MANDATE AGREEMENT WAS SIGNED…..], providing for the reassigning (doorcederen) of our claims (“the Claims”) by you to Equilib Netherlands B.V., we hereby assign (cederen) to you our Claims against certain airlines which are believed to include, but are not limited to Air Canada, Air France, British Airways, Cargolux, Cathay Pacific Airways, Japan Airlines, KLM Airlines, LAN Chile, Lufthansa, Martinair, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Swiss International Air Lines. (“the Airlines”).
If you are required to notify the Airlines of this assignment you may do so by giving them a copy of this letter which summaries the background to the assignments as follows:
a. The European Commission has completed its investigations into a worldwide cartel (“the Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14ͭ ͪ February 2006 (the “Cartel Period”) finding the Airlines guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (the “Cartel Conduct”).
b. This conduct infringes Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union and entitles companies affected to claim damages for the harm caused.
c. We have directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo transportation services from one or more of the Airlines during the Cartel Period, and thus, as a result of the Cartel Conduct, have incurred damages, for which we hold the Airlines both individually and jointly and severally liable by means of the Claims.
d. We have assigned (gecedeerd) to you our Claims concerning the aforementioned damages.
e. Our agreement mentioned above is governed by Dutch law; for this reason the present assignment occurs in accordance with Dutch law.”
2.17.
In het door Equilib overgelegde model “C5 - Assignment from Subsidiary to Parent 2016-model DEF” tussen de dochtermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Subsidiary’) en de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Parent’) staat vermeld, voor zover hier relevant:
“WHEREAS
a. On [DATE INTRAGROUP ASSIGNMENT & MANDATE AGREEMENT WAS SIGNED…..], Subsidiary, Parent and Equilib Netherlands B.V. entered into an Intragroup Assignment and Mandate Agreement;
b. The aforementioned agreement inter alia provides for the sale and assignment of the Subsidiary’s Claims (as defined therein) by Subsidiary to Parent and the subsequent sale and reassignment (doorcederen) of the Subsidiary’s Claims by Parent to Equilib Netherlands B.V.
SUBSIDIARY HEREBY ASSIGNS TO PARENT AS FOLLOWS
1. Subsidiary hereby assigns (cederen) to Parent the Subsidiary’s Claims and Parent hereby accepts the assignment of the Subsidiary’s Claims.
2. The above agreement between Subsidiary, Parent and Equilib Netherlands B.V. is governed by Dutch law; for this reason this assignment is in accordance with Dutch law, more specifically in accordance with Article 3:94 (1) Dutch Civil Code (…)”.
2.18.
Het door Equilib overgelegde model “D1 - Assignment from Parent to Equilib oude considerans DEF” tussen de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Assignor’ en Equilib (in het model aangeduid als ‘Assignee’) luidt, voor zover hier relevant:
“WHEREAS:
a. The European Commission is investigating alleged cartel behaviour by various airlines (“the Airlines”) believed to have occurred between 1ˢͭ January 2000 – 14ͭ ͪ February 2007 (“the Cartel Period”) which affected competition within the European Union. The above airlines are believed to include, but are not limited to KLM, Martinair, British Airways, Air France, Asiana, Cargolux, Cathay Pacific, El Al, Japan Air Lines, Korean Airlines, LAN Cargo, Aerolinhas Brasileiras, Nippon Cargo Airlines, Qantas, SAS and Lufthansa.
b. The alleged cartel behaviour relates to air cargo services and the fixing of various so-called surcharges between competitors (“the Cartel Conduct”). If proven, this conduct would infringe Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union.
c. The following subsidiaries: (…) have directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo transportation services from one or more of the Airlines during the Cartel Period, and thus, as a result of the Cartel Conduct, have incurred damages, for which these subsidiaries hold the Airlines both individually and jointly and severally liable;
d. The above subsidiaries have assigned (gecedeerd) to Parent Company their claims to the aforementioned damages (“the Subsidiaries’Claims”);
e. Assignor and Assignee have entered into an agreement, concluded on [DATE INTRAGROUP ASSIGNMENT & MANDATE AGREEMENT WAS SIGNED…..], which provides for Assignor to reassign (doorcederen) the Subsidiaries’ Claims to Assignee;
f. The above agreement between Assignor and Assignee is governed by Dutch law; for this reason Assignor and Assignee will hereby assign the Subsidiaries’s Claims in accordance with Dutch law, more specifically in accordance with Article 3:94 (1) Dutch Civil Code;
ASSIGNOR HEREBY ASSIGNS TO ASSIGNEE AS FOLLOWS:
1. Assignor assigns to Assignee by this deed the Subsidiaries’ Claims against the Airlines.
2. Assignee has the right pursuant to Article 3:94 (i) Dutch Civil Code to notify the Airlines of this assignment.
3. Assignee has the right to provide the Airlines with a copy of this deed to evidence the assignment.”
2.19.
Het door Equilib overgelegde model “D2 - Assignment from Parent to Equilib nieuwe considerans DEF” tussen de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Assignor’ of ‘Parent Company’) en Equilib (in het model aangeduid als ‘Assignee’) luidt, voor zover hier relevant:
“WHEREAS:
a. The European Commission has completed its investigations into a worldwide cartel (“the Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14ͭ ͪ February 2006 (the “Cartel Period”) finding the Airlines guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (the “Cartel Conduct”).
b. This conduct infringes Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union and entitles companies affected to claim damages for the harm caused.
c. The following subsidiaries: (…) have directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo transportation services from one or more of the Airlines during the Cartel Period, and thus, as a result of the Cartel Conduct, have incurred damages, for which these subsidiaries hold the Airlines both individually and jointly and severally liable;
d. The above subsidiaries have assigned (gecedeerd) to Parent Company their claims to the aforementioned damages (“the Subsidiaries’ Claims”);
e. Assignor and Assignee have entered into an agreement, concluded on [DATE INTRAGROUP ASSIGNMENT & MANDATE AGREEMENT WAS SIGNED…..], which provides for Assignor to reassign (doorcederen) the Subsidiaries’ Claims to Assignee;
f. The above agreement between Assignor and Assignee is governed by Dutch law; for this reason Assignor and Assignee will hereby assign the Subsidiaries’ Claims in accordance with Dutch law, more specifically in accordance with Article 3:94 (1) Dutch Civil Code;
ASSIGNOR HEREBY ASSIGNS TO ASSIGNEE AS FOLLOWS:
1. Assignor assigns to Assignee by this deed the Subsidiaries’ Claims against the Airlines.
2. Assignee has the right pursuant to Article 3:94 (i) Dutch Civil Code to notify the Airlines of this assignment.
3. Assignee has the right to provide the Airlines with a copy of this deed to evidence the assignment.”
2.20.
Het door Equilib overgelegde model “D5- Assignment from Parent to Equilib 2016-model DEF” tussen de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Assignor’ of ‘Parent’) en Equilib luidt, voor zover hier relevant:
“WHEREAS:
a. Parent, Equilib and the following subsidiaries of Parent: (…)
have entered into Intragroup Assignment and Mandate Agreements.
b. The aforementioned agreements (the “Agreements”) inter alia provide for the sale and assignment of the Subsidiary’s Claims (as defined therein) by the subsidiaries to Parent and the subsequent sale and reassignment (doorcederen) by Parent to Equilib of the Subsidiary’s Claims.
c. Pursuant to the Agreements the Subsidiaries have assigned their Subsidiary’s Claims to Parent and Parent hereby wishes to reassign (cederen) to Equilib the Subsidiary’s Claims.
PARENT HEREBY ASSIGNS TO EQUILIB AS FOLLOWS:
1. Parent assigns to Equilib by this deed the Subsidiary’s Claims against the Airlines and Equilib hereby accepts the assignment of the Subsidiary’s Claims.
2. Assignee has the right pursuant to Article 3:94 (1) Dutch Civil Code to notify the Airlines of this assignment.
3. Assignee has the right to provide the Airlines with a copy of this deed to evidence the assignment.
4. The Agreements are governed by Dutch law, for this reason this assignment is in accordance with Dutch law, more specifically in accordance with Article 3:94 (1) Dutch Civil Code (…)”.
2.21.
Het door Equilib overgelegde model “E1-Agreement supplementary assignment of rights - 99-06 AR - geen subsidiaries DEF” tussen de cedent (in het model aangeduid als ‘Company’) en Equilib luidt als volgt, voor zover hier relevant:
“WHEREAS:
a. On 9 November 2010 the European Commission announced that it had rendered a decision that day (the “Decision”) in respect of a cartel (the “Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14ͭ ͪ February 2006 (the “Cartel Period”) finding 14 Airlines (the “Airlines”) guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (“the Cartel Conduct”). (…)
b. The Airlines include Air Canada, Air France, British Airways, Cargolux, Cathay Pacific Airways, Japan Airlines, KLM Airlines, LAN Chile, Lufthansa, Martinair, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Swiss International Air Lines.
c. The Cartel Conduct infringes Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union and entitles companies affected to claim damages for the harm caused by it.
d. Pursuant to the Assignment of Rights Agreement, concluded on (…), the Company has assigned claims to Equilib (the “Company’s Claims”).
e. The Company’s Claims form part of proceedings between Equilib and several members of the Cartel before the District Court of Amsterdam in the Netherlands.
f. Recent (preliminary) studies offer strong indications that the Cartel Conduct has caused further damage after the Cartel Period, through lingering effects in respect of the surcharges from 15 February 2006 to the end of 2008 (the “Post-Cartel Period”). The Company has directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo services in the Post-Cartel Period (for inbound to, outbound from and internal flights within the EEA and Switzerland), and thus, as a result of the lingering effects of the Cartel Conduct, may have incurred further damages, for which the Company holds the Airlines both individually and jointly and severally liable. Any Post-Cartel Period claims from the Company vis-à-vis the Airlines are hereinafter referred to as the “Post-Cartel Company Claims”.
g. The Company has agreed to reaffirm the previous assignment of the Company’s Claims and has also agreed to supplement this by assigning the Post-Cartel Company Claims, taking into account the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights Agreement as mentioned under recital d of this preamble;
h. The Company has agreed to reaffirm the mandate (“Last”) under Articles 7:414 (…) Dutch Civil Code, granted by it to Equilib, to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Company’s Claims and to supplement this mandate with the mandate to Equilib to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Post-Cartel Company Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings;
(…)
THE COMPANY AND EQUILIB AGREE AS FOLLOWS
Reaffirmations
1. The Company reaffirms the assignment of the Company’s Claims to Equilib.
2. The Company reaffirms (…) the mandate (“Last”) under Articles 7:414 (…) Dutch Civil Code, to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Company’s Claims.
Post-Cartel claims
Legal title
3. The Company agrees that it assigns the Post-Cartel Company Claims to Equilib, on the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights mentioned under recital d of the preamble to this Agreement.
Assignments
4. The Company hereby assigns the Post-Cartel Parent’s Claims to Equilib.
Mandate and power of attorney
5. The Company hereby mandates Equilib pursuant to Articles 7:414 (…) Dutch Civil Code to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Company’s Claims and the Post-Cartel Company Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings.
Governing law and jurisdiction
6. This Agreement shall be construed in accordance with the law of the Netherlands.”
2.22.
Het door Equilib overgelegde model “E2-Agreement supplementary assignment of rights - 99-06 AR - met subsidiaries DEF” tussen de dochtermaatschappij(en) (in het model aangeduid als ‘Subsidiary/Subsidiaries’), de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Parent’) en Equilib luidt, voor zover hier relevant:
“WHEREAS
a. On 9 November 2010 the European Commission announced that it had rendered a decision that day (the “Decision”) in respect of a cartel (the “Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14ͭ ͪ February 2006 (the “Cartel Period”) finding 14 airlines (the “Airlines”) guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (“the Cartel Conduct”). (…)
b. The Airlines include Air Canada, Air France, British Airways, Cargolux, Cathay Pacific Airways, Japan Airlines, KLM Airlines, LAN Chile, Lufthansa, Martinair, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Swiss International Air Lines.
c. The Cartel Conduct infringes Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union and entitles companies affected to claim damages for the harm caused by it.
d. Subsidiary/Subsidiaries has/have already assigned the Subsidiary’s Claims (as defined in the Intragroup Assignment And Mandate Agreement, concluded on (…)) to Parent.e. Pursuant to the Assignment from Parent to Equilib, concluded on (…), the Parent has (re)assigned the Subsidiary’s Claims to Equilib.
f. Pursuant to the Assignment of Rights Agreement, concluded on (…), the Parent has assigned its own claims similar to the Subsidiary’s Claims to Equilib (the “Parent’s Claims”).
g. The Subsidiary’s Claims and the Parent’s Claims form part of proceedings between Equilib and several members of the Cartel before the District Court of Amsterdam, the Netherlands.
h. Recent (preliminary) studies offer strong indications that the Cartel Conduct has caused further damage after the Cartel Period, through lingering effects in respect of the surcharges from 15 February 2006 to the end of 2008 (the “Post-Cartel Period”). Parent and Subsidiary/Subsidiaries have directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo services in the Post-Cartel Period (for inbound to, outbound from and internal flights within the EEA), and thus, as a result of the lingering effects of the Cartel Conduct, may have incurred further damages, for which the Parent and the Subsidiary/Subsidiaries hold the Airlines both individually and jointly and severally liable. Any Post-Cartel Period claims from Parent vis-à-vis the Airlines are hereinafter referred to as the “Post-Cartel Parent’s Claims”. Any Post-Cartel Period claims from Subsidiary/Subsidiaries vis-à-vis the Airlines are hereinafter referred to as the “Post Cartel Subsidiary’s Claims”.
i. Subsidiary/Subsidiaries and Parent have agreed to reaffirm the previous assignment of the Subsidiary’s Claims from Subsidiary/Subsidiaries to Parent and have also agreed to supplement this assignment of the Subsidiary’s Claims with the Post-Cartel Subsidiary’s Claims, taking into account the same terms and conditions as set out in the Intragroup Assignment And Mandate Agreement mentioned under recital d of this preamble.
j. Parent and Equilib have agreed to reaffirm the previous reassignment of the Subsidiary’s Claims from Parent to Equilib and have also agreed to supplement this reassignment of the Subsidiary’s Claims with the reassignment of Post-Cartel Subsidiary’s Claims, taking into account the same terms and conditions as set out in the Assignment from Parent to Equilib mentioned under recital e of this preamble;
k. Parent and Equilib have agreed to reaffirm the previous assignment of the Parent’s Claims from Parent to Equilib and have also agreed to supplement this assignment of the Parent’s Claims with the assignment of het Post-Cartel Parent’s Claims, taking into account the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights Agreement as mentioned under recital f of this preamble;
l. Subsidiary/Subsidiaries has/have agreed to reaffirm the mandate (“Last”) under Articles 7:414 Dutch Civil Code, granted by Subsidiary/Subsidiaries to Equilib, to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Subsidiary’s Claims and to supplement this mandate with the mandate to Equilib to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Post-Cartel Subsidiary’s Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings;
m. This agreement (the “Agreement”) is governed by Dutch law; for this reason all assignments laid down in this Agreement are in accordance with Dutch law, more specifically in accordance with Article 3:94 (1) Dutch Civil Code;
SUBSIDIARY/SUBSIDIARIES, PARENT AND EQUILIB AGREE AS FOLLOWS
Reaffirmations
1. Subsidiary/Subsidiaries and Parent reaffirm the assignment of the Subsidiary’s Claims from Subsidiary/Subsidiaries to Parent.
2. Parent and Equilib reaffirm the reassignment of the Subsidiary’s Claims from Parent to Equilib.
3. Parent and Equilib reaffirm the assignment of the Parent’s Claims from Parent to Equilib.
4. Subsidiary/Subsidiaries reaffirm(s) the mandate (“Last”) under Articles 7:414 Dutch Civil Code, granted by Subsidiary/Subsidiaries to Equilib, to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Subsidiary’s Claims
Post-Cartel claims
Legal title
5. Subsidiary/Subsidiaries and Parent agree that Subsidiary/Subsidiaries assign(s) the Post-Cartel Subsidiary’s Claims to Parent, on the same terms and conditions as set out in the Intragroup Assignment And Mandate Agreement mentioned under recital d of the preamble to this Agreement;
6. Parent and Equilib agree that Parent reassigns the Post-Cartel Subsidiary’s Claims to Equilib, on the same terms and conditions as set out in the Assignment from Parent to Equilib mentioned under recital e of the preamble to this Agreement.
7. Parent and Equilib agree that Parent assigns the Post-Cartel Parent’s Claims to Equilib, on the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights Agreement mentioned under recital f of the preamble to this Agreement.
(Re)assignments
8. Subsidiary/Subsidiaries hereby assign(s) the Post-Cartel Subsidiary’s Claims to Parent.
9. Parent acknowledges the assignment of the Post Cartel Subsidiary’s Claims under Article 8 and hereby reassigns the Post-Cartel Subsidiary’s Claims to Equilib.
10. Parent hereby assigns the Post-Cartel Parent’s Claims to Equilib.
Mandate and power of attorney
11. Subsidiary/Subsidiaries and Parent hereby mandate Equilib pursuant to Articles 7:414 Dutch Civil Code to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Post-Cartel Subsidiary’s Claims and the Post-Cartel Parent’s Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings.
Governing law and jurisdiction
12. This Agreement shall be construed in accordance with the law of the Netherlands.”
2.23.
Het door Equilib overgelegde model “E3-Agreement supplementary assignment of rights - 00-07 AR - geen subsidiaries DEF” tussen de cedent (in het model aangeduid als ‘Company’) en Equilib luidt, voor zover hier relevant:
“WHEREAS:
a. On 9 November 2010 the European Commission announced that it had rendered a decision that day (the “Decision”) in respect of a cartel (the “Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14ͭ ͪ February 2006 (the “Cartel Period”) finding 14 airlines (the “Airlines”) guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (the “Cartel Conduct”). (…)
b. The Airlines include Air Canada, Air France, British Airways, Cargolux, Cathay Pacific Airways, Japan Airlines, KLM Airlines, LAN Chile, Lufthansa, Martinair, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Swiss International Air Lines.
c. The Cartel Conduct infringes Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union and entitles companies affected to claim damages for the harm caused by it.
d. Pursuant to the Assignment of Rights Agreement, concluded on (…), the Company has assigned claims to Equilib for damages suffered in de period 2000-2007 as a result of the participation by the Airlines in the Cartel (the “Company’s Claims”).
e. The Company’s Claims form part of proceedings between Equilib and several members of the Cartel before the District Court of Amsterdam in the Netherlands.
f. Recent (preliminary) studies offer strong indications that the Cartel Conduct has caused further damage after the Cartel Period, through lingering effects in respect of the surcharges from 15 February 2006 to the end of 2008 (the “Post-Cartel Period”). The Company has directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo services in the Post-Cartel Period (for inbound to, outbound from and internal flights within the EEA and Switzerland), and thus, as a result of the lingering effects of the Cartel Conduct, may have incurred further damages, for which the Company holds the Airlines both individually and jointly and severally liable. Any Post-Cartel Period claims from the Company vis-à-vis the Airlines in 2008 are hereinafter referred to as the “Post-Cartel Company Claims”.
g. The Company has agreed to reaffirm the previous assignment of the Company’s Claims and has also agreed to supplement this by assigning the Post-Cartel Company Claims, taking into account the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights Agreement as mentioned under recital d of this preamble;
h. The Company has also agreed to supplement the previous assignment of the Company’s Claims by assigning claims arising out of air cargo services it has directly or indirectly (through freight forwarders) purchased in December 1999 for inbound to, outbound from and internal flights within the EEA and Switzerland (“December 1999 Company Claims”);
i. The Company also provides a mandate (“Last”) under Articles 7:414 Dutch Civil Code to Equilib to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Company’s Claims and to supplement this mandate with the mandate to Equilib to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Post-Cartel Company Claims and the December 1999 Company Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings;
(…)
THE COMPANY AND EQUILIB AGREE AS FOLLOWS
Reaffirmation
1. The Company reaffirms the assignment of the Company’s Claims to Equilib.
Post-Cartel Company And December 1999 Claims
Legal title
2. The Company agrees that it assigns the Post-Cartel Company Claims to Equilib, on the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights mentioned under recital d of the preamble to this Agreement.
3. The Company agrees that it assigns the December 1999 Company Claims to Equilib, on the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights mentioned under recital d of the preamble to this Agreement.
Assignments
4. The Company hereby assigns the Post-Cartel Company Claims to Equilib.
5. The Company hereby assigns the December 1999 Claims to Equilib.
Mandate
1. The Company hereby mandates Equilib pursuant to Article 7:414 Dutch Civil Code to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Post-Cartel Company Claims and the December 1999 Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings.
Governing law and jurisdiction
2. This Agreement shall be construed in accordance with and governed by the law of the Netherlands.”
2.24.
Het door Equilib overgelegde model “E4 - Agreement supplementary assignment of rights - 00-07 AR - met subsidiaries DEF” tussen de dochtermaatschappij(en) (in het model aangeduid als ‘Subsidiary/Subsidiaries’), de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Parent’) en Equilib luidt, voor zover hier relevant:
“WHEREAS:
a. On 9 November 2010 the European Commission announced that it had rendered a decision that day (the “Decision”) in respect of a cartel (the “Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14ͭ ͪ February 2006 (“the Cartel Period”) finding 14 airlines (the “Airlines”) guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (“the Cartel Conduct”). (…)
b. The Airlines include Air Canada, Air France, British Airways, Cargolux, Cathay Pacific Airways, Japan Airlines, KLM Airlines, LAN Chile, Lufthansa, Martinair, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Swiss International Air Lines.
c. The Cartel Conduct infringes Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union and entitles companies affected to claim damages for the harm caused by it.
d. Subsidiary/Subsidiaries has/have already assigned the Subsidiary’s Claims (as defined in the Intragroup Assignment And Mandate Agreement, concluded on (…)) to Parent for damages suffered in the period 2000-2007 as a result of the participation by the Airlines in the Cartel.
e. Pursuant to the Assignment from Parent to Equilib, concluded on (…), the Parent has (re)assigned the Subsidiary’s Claims to Equilib.
f. Pursuant to the Assignment of Rights Agreement, concluded on (…), the Parent has assigned its own claims similar to the Subsidiary’s Claims to Equilib (the “Parent’s Claims”). g. The Subsidiary’s Claims and the Parent’s Claims form part of proceedings between Equilib and several members of the Cartel before the District Court of Amsterdam, the Netherlands.
h. Recent (preliminary) studies offer strong indications that the Cartel Conduct has caused further damage after the Cartel Period, through lingering effects in respect of the surcharges from 15 February 2006 to the end of 2008 (the “Post-Cartel Period”). Parent and Subsidiary/Subsidiaries have directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo services in the Post-Cartel Period (for inbound to, outbound from and internal flights within the EEA), and thus, as a result of the lingering effects of the Cartel Conduct, may have incurred further damages, for which the Parent and Subsidiary/Subsidiaries hold the Airlines both individually, and jointly and severally liable. Any Post-Cartel Period claims from Parent vis-à-vis the Airlines are hereinafter referred to as the “Post-Cartel Parent’s Claims”. Any Post-Cartel Period claims from Subsidiary/Subsidiaries vis-à-vis the Airlines are hereinafter referred to as the “Post Cartel Subsidiary’s Claims”.
i. Subsidiary/Subsidiaries and Parent have agreed to reaffirm the previous assignment of the Subsidiary’s Claims from Subsidiary/Subsidiaries to Parent and have also agreed to supplement this assignment of the Subsidiary’s Claims with the Post-Cartel Subsidiary’s Claims, taking into account the same terms and conditions as set out in the Intragroup Assignment And Mandate Agreement as mentioned under recital d of this preamble.
j. The Subsidiary/Subsidiaries has/have also agreed to supplement the previous assignment of the Subsidiary’s Claims by assigning to the Parent claims arising out of air cargo services directly or indirectly (through freight forwarders) purchased in December 1999 by the Subsidiary/Subsidiaries on inbound to, outbound from and internal flights within the EEA and Switzerland (“December 1999 Subsidiary Claims”);
k. Parent and Equilib have agreed to reaffirm the previous assignment of the Subsidiary’s Claims from Parent to Equilib and have also agreed to supplement this with the reassignment of the Post-Cartel Subsidiary’s Claims and the December 1999 Subsidiary Claims, taking into account the same terms and conditions as set out in the Assignment from Parent to Equilib mentioned under recital e of this preamble;
l. The Parent and Equilib have also agreed to reaffirm the previous assignment of the Parent’s Claims from Parent to Equilib and to supplement the previous assignment of the Parent’s Claims with the assignment of het Post-Cartel Parent’s Claims and the claims arising out of air cargo services it has directly or indirectly (through freight forwarders) purchased in December 1999 for inbound to, outbound from and internal flights within the EEA and Switzerland (“December 1999 Parent Claims”), taking into account the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights Agreement as mentioned under recital f of this preamble;
m. Subsidiary/Subsidiaries has/have agreed to reaffirm the mandate (“Last”) under Articles 7:414 Dutch Civil Code, granted by Subsidiary/Subsidiaries to Equilib, to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Subsidiary’s Claims and to supplement this mandate with the mandate to Equilib to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Post-Cartel Subsidiary’s Claims and the December 1999 Subsidiary Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings; (…)
SUBSIDIARY’/SUBSIDIARIES, PARENT AND EQUILIB AGREE AS FOLLOWS
Reaffirmations
1. Subsidiary/Subsidiaries and Parent reaffirm the assignment of the Subsidiary’s Claims from Subsidiary/Subsidiaries to Parent.
2. Parent and Equilib reaffirm the reassignment of the Subsidiary’s Claims from Parent to Equilib.
3. Parent and Equilib reaffirm the assignment of the Parent’s Claims from Parent to Equilib.
4. Subsidiary/Subsidiaries reaffirm(s) the mandate (“Last”) under Articles 7:414 Dutch Civil Code, granted by Subsidiary/Subsidiaries to Equilib, to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Subsidiary’s Claims.
Post-Cartel And December 1999 Claims
Legal title
5. Subsidiary/Subsidiaries and Parent agree that Subsidiary/Subsidiaries assign(s) the Post-Cartel Subsidiary’s Claims and the December 1999 Subsidiary Claims to Parent, on the same terms and conditions as set out in the Intragroup Assignment And Mandate Agreement mentioned under recital d of the preamble to this Agreement;
6. Parent and Equilib agree that Parent reassigns the Post-Cartel Subsidiary’s Claims and the December 1999 Subsidiary Claims to Equilib, on the same terms and conditions as set out in the Assignment from Parent to Equilib mentioned under recital e of the preamble to this Agreement.
7. Parent and Equilib agree that Parent assigns the Post-Cartel Parent’s Claims and the December 1999 Parent’s Claims to Equilib, on the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights Agreement mentioned under recital f of the preamble to this Agreement.
(Re)assignments
8. Subsidiary/Subsidiaries hereby assign(s) the Post-Cartel Subsidiary Claims and the December 1999 Subsidiary Claims to Parent.
9. Parent acknowledges the assignment of the Post Cartel Subsidiary’s Claims and the December 1999 Subsidiary Claims and hereby reassigns the Post-Cartel Subsidiary’s Claims and the December 1999 Subsidiary Claims to Equilib.
10. Parent hereby assigns the Post-Cartel Parent’s Claims and the December 1999 Parent Claims to Equilib.
Mandate
11. Subsidiary/Subsidiaries and Parent hereby mandate Equilib pursuant to Articles 7:414 Dutch Civil Code to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Post-Cartel Subsidiary Claims, the December 1999 Subsidiary Claims, the Post-Cartel Parent’s Claims and the December 1999 Parent Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings.
Governing law and jurisdiction
12. This Agreement shall be construed in accordance with and governed by the law of the Netherlands. (…)”.
2.25.
Het door Equilib overgelegde model “E5 - Agreement supplementary assignment of rights - 00-07 AR - subsidiaries met 99-06 DEF” tussen de dochtermaatschappij(en) (in het model aangeduid als ‘Subsidiary/Subsidiaries’), de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Parent’) en Equilib luidt als volgt:
“WHEREAS:
a. On 9 November 2010 the European Commission announced that it had rendered a decision that day (the “Decision”) in respect of a cartel (the “Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14ͭ ͪ February 2006 (“the Cartel Period”) finding 14 airlines (the “Airlines”) guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (“the Cartel Conduct”). (…)
b. The Airlines include Air Canada, Air France, British Airways, Cargolux, Cathay Pacific Airways, Japan Airlines, KLM Airlines, LAN Chile, Lufthansa, Martinair, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Swiss International Air Lines.
c. The Cartel Conduct infringes Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union and entitles companies affected to claim damages for the harm caused by it.
d. Subsidiary/Subsidiaries has/have already assigned the Subsidiary’s Claims (as defined in the Intragroup Assignment And Mandate Agreement, concluded on (…)) to Parent.
e. Pursuant to the Assignment from Parent to Equilib, concluded on (…), the Parent has (re)assigned the Subsidiary’s Claims to Equilib, with the exception of claims for damages arising out of air cargo services directly of indirectly (through freight forwarders) purchased in December 1999 by the Subsidiary/Subsidiaries on inbound to, outbound from and internal flights within the EEA and Switzerland (“December 1999 Subsidiary Claims”).
f. Pursuant to the Assignment of Rights Agreement, concluded on (…), the Parent has assigned its own claims for damages arising out of air cargo services directly or indirectly (through freight forwarders) purchased in the period 2000-2007 by the Parent on inbound to, outbound from and internal flights within the EEA and Switzerland (the “Parent’s Claims”).
g. The Subsidiary’s Claims with the exception of the December 1999 Subsidiary Claims and the Parent’s Claims form part of proceedings between Equilib and several members of the Cartel before the District Court of Amsterdam, the Netherlands.
h. Recent (preliminary) studies offer strong indications that the Cartel Conduct has caused further damage after the Cartel Period, through lingering effects in respect of the surcharges from 15 February 2006 to the end of 2008 (the “Post-Cartel Period”). Parent and Subsidiary/Subsidiaries have directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo services in the Post-Cartel Period (for inbound to, outbound from and internal flights within the EEA), and thus, as a result of the lingering effects of the Cartel Conduct, may have incurred further damages, for which the Parent and the Subsidiary/Subsidiaries hold the Airlines both individually and jointly and severally liable. Any Post-Cartel Period claims from Parent vis-à-vis the Airlines are hereinafter referred to as the “Post-Cartel Parent’s Claims”. Any Post-Cartel Period claims from Subsidiary’s/Subsidiaries vis-à-vis the Airlines are hereinafter referred to as the “Post Cartel Subsidiary’s Claims”.
i. Subsidiary/Subsidiaries and Parent have agreed to reaffirm the previous assignment of the Subsidiary’s Claims from Subsidiary/Subsidiaries to Parent and have also agreed to supplement this by assigning the Post-Cartel Subsidiary’s Claims, taking into account the same terms and conditions as set out in the Intragroup Assignment And Mandate Agreement mentioned under recital d of this preamble;
j. Parent and Equilib have agreed to reaffirm the previous reassignment of the Subsidiary’s Claims with the exception of the December 1999 Subsidiary Claims from Parent to Equilib and have also agreed to supplement this with the reassignment of the Post-Cartel Subsidiary’s Claims and the December 1999 Subsidiary Claims, taking into account the same terms and conditions as set out in the Assignment from Parent to Equilib mentioned under recital e of this preamble;
k. The Parent and Equilib have also agreed to reaffirm the previous assignment of the Parent’s Claims from Parent to Equilib and to supplement the previous assignment of the Parent’s Claims with the assignment of het Post-Cartel Parent’s Claims (to the extent not already assigned) and the claims arising out of air cargo services it has directly or indirectly (through freight forwarders) purchased in December 1999 for inbound to, outbound from and internal flights within the EEA and Switzerland (“December 1999 Parent Claims”), taking into account the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights Agreement as mentioned under recital f of this preamble;
l. Subsidiary/Subsidiaries has/have agreed to reaffirm the mandate (“Last”) under Articles 7:414 Dutch Civil Code, granted by Subsidiary/Subsidiaries to Equilib, to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Subsidiary’s Claims and to supplement this mandate with the mandate to Equilib to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Post-Cartel Subsidiary’s Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings;
(…)
SUBSIDIARY/SUBSIDIARIES, PARENT AND EQUILIB AGREE AS FOLLOWS
Reaffirmations
1. Subsidiary/Subsidiaries and Parent reaffirm the assignment of the Subsidiary’s Claims from Subsidiary/Subsidiaries to Parent.
2. Parent and Equilib reaffirm the reassignment of the Subsidiary’s Claims with the exception of the December 1999 Subsidiary Claims from Parent to Equilib.
3. Parent and Equilib reaffirm the assignment of the Parent’s Claims from Parent to Equilib.
4. Subsidiary/Subsidiaries reaffirm(s) (…) the mandate (“Last”) under Articles 7:414 Dutch Civil Code, granted by Subsidiary/Subsidiaries to Equilib, to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Subsidiary’s Claims
Post-Cartel and December 1999 Claims
Legal title
5. Subsidiary/Subsidiaries and Parent agree that Subsidiary/Subsidiaries assign(s) the Post-Cartel Subsidiary’s Claims to Parent, on the same terms and conditions as set out in the Intragroup Assignment And Mandate Agreement mentioned under recital d of the preamble to this Agreement;
6. Parent and Equilib agree that Parent reassigns the Post-Cartel Subsidiary’s Claims and the December 1999 Subsidiary Claims to Equilib, on the same terms and conditions as set out in the Assignment from Parent to Equilib mentioned under recital e of the preamble to this Agreement.
7. Parent and Equilib agree that Parent assigns the Post-Cartel Parent’s Claims and the December 1999 Parent’s Claims to Equilib, on the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights Agreement mentioned under recital f of the preamble to this Agreement.
(Re)assignments
8. Subsidiary/Subsidiaries hereby assign(s) the Post-Cartel Subsidiary Claims to Parent.
9. Parent acknowledges the assignment of the Post Cartel Subsidiary’s Claims and hereby reassigns the Post Cartel Subsidiary’s Claims and the December 1999 Subsidiary Claims to Equilib.
10. Parent hereby assigns the Post-Cartel Parent’s Claims (to the extent not already assigned) and the December 1999 Parent Claims to Equilib.
Mandate and power of attorney
11. Subsidiary/Subsidiaries and Parent hereby mandate Equilib pursuant to Articles 7:414 Dutch Civil Code to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Post-Cartel Subsidiary Claims, the Post-Cartel Parent’s Claims and the December 1999 Parent Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings.
Governing law and jurisdiction
12. This Agreement shall be construed in accordance with and governed by the law of the Netherlands. (…)”.
2.26.
Verder heeft Equilib documentatie (‘Annexen’ of ‘Proof of Authority’ (PoA)) in het geding gebracht ter onderbouwing van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de personen die de cessiedocumentatie namens de cedenten hebben ondertekend (hierna ook: de bevoegdheidsdocumentatie).
2.27.
De op 30 september 2016 door A. Casanova (CEO) en C. Figueiredo (General Counsel & Company Secretary) namens cedent Unilever Jerónimo Martins LDA ondertekende ‘Annex’ luidt bijvoorbeeld als volgt:
“(…) Statement
The undersigned hereby confirm(s) that Unilever Jerónimo Martins LDA has been bound by the agreement(s) and assignment(s) listed under “Agreement(s) and Assignment(s)” from the date of their execution as set out therein and Unilever Jerónimo Martins LDA wishes to remain bound by these agreement(s) and assignment(s).
Agreement(s) and Assignment(s)
- Supplementary assignment of rights agreement between Equilib, Unilever PLC/Unilever N.V. and Unilever Jerónimo Martins LDA.
- Assignment from subsidiary to parent between Unilever PLC/Unilever N.V. and Unilever Jerónimo Martins LDA.
- Intragroup assignment and mandate agreement between Equilib, Unilever PLC/Unilever N.V. and Unilever Jerónimo Martins LDA.”
3. Procedure in eerste aanleg
3.1.
Equilib vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven:
(i) een verklaring voor recht dat de luchtvaartmaatschappijen door deelname aan het kartel naar het van toepassing zijnde recht aansprakelijk zijn uit hoofde van toerekenbaar onrechtmatig handelen jegens de 670 shippers vermeld in productie 3 bij de akte van 9 november 2016, en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die deze shippers door dat onrechtmatig handelen hebben geleden;
(ii) hoofdelijke veroordeling van de luchtvaartmaatschappijen tot betaling aan Equilib van die schade, nader op te maken bij staat.
3.2.
Tijdens een regiecomparitie van 22 juni 2016 heeft de rechtbank, kennelijk mede gelet op de nog aanhangige procedure voor het HvJEU, onder meer bepaald dat de rechtsgeldigheid van de cessies in het stadium waarin de procedure op dat moment verkeerde, zou worden beoordeeld aan de hand van het cessiestatuut en dat het vorderingsstatuut vooralsnog buiten beschouwing zou worden gelaten. Met het cessiestatuut is bedoeld het recht dat van toepassing is op de tot cessie verplichtende overeenkomst. Met partijen zijn vervolgens procesafspraken gemaakt die daarmee in overeenstemming zijn en die er, kort gezegd, op neerkomen dat een ‘meersporenbeleid’ wordt gevolgd. Blijkens het proces-verbaal van de regiezitting is Equilib in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat de vorderingen rechtsgeldig aan haar zijn gecedeerd. Equilib heeft vervolgens bij akte van 9 november 2016 naar eigen zeggen een ‘totaalpakket’ van alle relevante cessiedocumentatie overgelegd, met daarbij gevoegd als productie 3 een overzicht van alle cedenten waarvan zij de vordering in deze procedure geldend wil maken. De luchtvaartmaatschappijen hebben vervolgens bij akte van 8 februari 2017 hun bezwaren op het punt van de rechtsgeldigheid van de cessies uiteengezet. Equilib heeft op 5 april 2017 een antwoordakte genomen.
3.3.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de cessies van de in productie 3 bij akte van 9 november 2016 van Equilib vermelde shippers als cedenten, met uitzondering van Lachiaille-Bratigny S.A.S. en Oudendijk Import B.V., aan Equilib als cessionaris naar het cessiestatuut rechtsgeldig zijn. Bij vonnis van 22 november 2017 heeft de rechtbank tussentijds hoger beroep opengesteld.
3.4.
Bij vonnis van 1 mei 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:3393) heeft de rechtbank voor recht verklaard dat Nederlands recht van toepassing is op de (aan Equilib gecedeerde) vorderingen van de shippers tot vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van het kartel. De luchtvaartmaatschappijen hebben inmiddels gebruik gemaakt van de (door de rechtbank opengestelde) mogelijkheid om tussentijds hoger beroep van dit vonnis in te stellen. Op 18 februari 2020 is in dat hoger beroep, aanhangig onder zaaknummer 200.266.816/01, de memorie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel, genomen.
3.5.
Na het voornemen daartoe bij vonnis van 1 mei 2019, (ECLI:NL:RBAMS:2019:3394) te hebben aangekondigd, heeft de rechtbank, onder meer in de onderhavige procedure, bij vonnis van 18 september 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:9966) aan het HvJEU een prejudiciële vraag gesteld over haar bevoegdheid om in een civiele procedure tussen private partijen vast te stellen dat sprake is van een inbreuk op de Europese mededingingsregels, met name een inbreuk op het verbod van artikel 101 VWEU, en schadevergoeding toe te kennen aan benadeelde partijen wegens inbreuk op dit verbod, voor vluchten die plaatsvonden vóór 1 mei 2004 respectievelijk 19 mei 2005, in de periode dat het overgangsregime van de artikelen 104 en 105 VWEU gold voor deze vluchten. Ten tijde van het wijzen van dit arrest heeft het HvJEU deze vraag nog niet beantwoord.
3.6.
Bij vonnis van 11 september 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:9965) heeft de rechtbank Equilib in de gelegenheid gesteld de (door de shippers aan haar gecedeerde) vorderingen nader met stukken te onderbouwen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de stelplicht van Equilib zich tevens uitstrekt tot de door haar gestelde en aan haar vorderingen ten grondslag liggende upstream pass on (de stelling dat de freight forwarders de toeslagen (volledig) aan de shippers hebben doorberekend). De rechtbank heeft Equilib en de luchtvaartmaatschappijen in de gelegenheid gesteld daartoe achtereenvolgens een akte te nemen.
4. Beoordeling in principaal en incidenteel appel
Omvang hoger beroep; toelaatbaarheid eiswijziging Equilib
4.1.
Het principaal hoger beroep van de luchtvaartmaatschappijen is gericht tegen de onder 3.3 samengevat weergegeven beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Het incidenteel hoger beroep van Equilib richt zich tegen de beslissing van de rechtbank om de cessies van Lachiaille-Bratigny S.A.S. en Oudendijk Import B.V. uit te zonderen van de gegeven verklaring voor recht. Laatstgenoemde twee cessies worden – anders dan de cessies die in het principaal appel aan de orde zijn – beheerst door Frans recht en zullen hierna de Fransrechtelijke cessies worden genoemd. De rechtbank heeft geoordeeld dat, kort gezegd, Equilib haar eis bij akte van 9 november 2016 heeft vermeerderd met de Fransrechtelijke cessies en heeft die eiswijziging niet toegestaan wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat Equilib vanaf het begin van de procedure, in 2010, had gesteld dat alle vorderingen door Nederlandsrechtelijke cessies aan haar waren gecedeerd en zij tot 9 november 2016 ook slechts mededeling had gedaan van de Nederlandsrechtelijke cessies, terwijl de rechtsgeldigheid van de cessies sinds in ieder geval begin 2015 een van de belangrijkste onderwerpen van het debat in de procedure is geweest.
4.2.
In incidenteel appel vordert Equilib dat het hof alsnog voor recht verklaart dat de Fransrechtelijke cessies “naar het cessiestatuut rechtsgeldig zijn”. Daarmee wijzigt Equilib haar eis in hoger beroep, omdat zij in eerste aanleg niet enige verklaring voor recht omtrent de geldigheid van de cessies heeft gevorderd. De luchtvaartmaatschappijen maken tegen deze eiswijziging bezwaar en voeren daartoe het volgende aan. Equilib heeft vanaf het begin van de procedures in eerste aanleg uitsluitend cessies naar Nederlands recht ten grondslag gelegd aan haar vorderingen. Pas tijdens de regiezitting van 22 juni 2016 kwamen voor het eerst de door Equilib gestelde cessies naar Frans recht ter sprake. De rechtbank vroeg Equilib toen naar de achtergrond en betekenis van die cessies. Namens Equilib is vervolgens ter zitting verklaard dat geen beroep zou worden gedaan op die cessies. In het proces-verbaal van de regiezitting van 22 juni 2016 staat in overeenstemming daarmee vermeld: “Equilib deed ter zitting afstand van haar recht zich op cessiedocumentatie te beroepen waarop volgens het cessiestatuut Frans recht van toepassing is”, aldus de luchtvaartmaatschappijen.
4.3.
Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de eiswijziging in hoger beroep stelt het hof voorop dat de vorderingen van Lachiaille-Bratigny S.A.S. en Oudendijk Import B.V. reeds in een vroeg stadium van de procedure onderdeel van het debat tussen partijen zijn geworden: cessies van deze partijen staan reeds vermeld op annex I-V2 bij de akte houdende verandering en vermeerdering van eis van 13 april 2011. Aan de luchtvaartmaatschappijen moet echter worden toegegeven dat Equilib zich aanvankelijk in eerste aanleg uitsluitend heeft beroepen op cessies naar Nederlands recht, dat zij voor het eerst op de regiezitting van 22 juni 2016 cessies naar Frans recht ter sprake heeft gebracht, en eerst bij akte van 9 november 2016 heeft gesteld dat deze twee cedenten hun vorderingen naar Frans recht geldig aan Equilib hebben gecedeerd, terwijl zij zich eerst op cessies naar Nederlands recht van deze cedenten had beroepen. Equilib heeft aldus in de loop van de eerste aanleg niet haar eis vermeerderd doch slechts de grondslag van haar eis gewijzigd. Zij heeft die wijziging ook toegelicht. Aanvankelijk werd beoogd om in Frankrijk te procederen en om die reden zijn in de beginfase alle cessieovereenkomsten naar Frans recht opgesteld, voor in totaal 49 shippers. Toen duidelijk was geworden dat deze procedure in Nederland zou worden gevoerd, zijn alle cessieovereenkomsten naar Frans recht vervangen door Nederlandsrechtelijke cessieovereenkomsten. Later is gebleken dat deze vervanging voor Lachiaille-Bratigny S.A.S. en Oudendijk Import B.V. – anders dan voor de overige shippers – zonder effect zou blijven omdat van hun cessies naar Frans recht reeds mededeling was gedaan aan de luchtvaartmaatschappijen. Mede bezien tegen deze achtergrond en gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep is de eiswijziging thans niet in strijd met de goede procesorde. De luchtvaartmaatschappijen worden niet onredelijk in hun verdediging benadeeld door het (relatief) late tijdstip waarop Equilib zich op cessies naar Frans recht heeft beroepen. Hierbij is van belang dat het slechts twee cessies betreft en dat de daarop betrekking hebbende cessiedocumentatie, behoudens de rechts- en forumkeuze, gelijkluidend is aan de documentatie die reeds in een vroeg stadium in het geding is gebracht.
4.4.
Anders dan de luchtvaartmaatschappijen betogen, kan niet worden vastgesteld dat Equilib tijdens de regiezitting op 22 juni 2016 afstand heeft gedaan van haar recht zich op cessies naar Frans recht te beroepen. Weliswaar is een passage van die strekking uiteindelijk in het proces-verbaal van de zitting terecht gekomen en levert dit ingevolge artikel 157 Rv dwingend bewijs op van de gestelde afstand van recht, maar daaraan kan in dit geval geen beslissende betekenis worden gehecht, mede gelet op de wijze van totstandkoming van het proces-verbaal. Daaromtrent is – als door Equilib gesteld en door de luchtvaartmaatschappijen niet bestreden – het volgende komen vast te staan. De rechtbank heeft partijen een concept voor het proces-verbaal toegezonden waarin de passage in kwestie niet voorkwam. De rechtbank had toen de uitlatingen van Equilib dus kennelijk niet opgevat als afstand van recht. De luchtvaartmaatschappijen hebben de passage vervolgens aan het concept toegevoegd, waarna Equilib de passage heeft geschrapt. Daarna hebben de luchtvaartmaatschappijen de passage opnieuw toegevoegd, terwijl zij wisten dat Equilib daarmee niet instemde. Het hof acht voldoende aannemelijk, mede gelet op de toelichting door Equilib, dat de passage vervolgens niet meer is opgemerkt door Equilib, ook al was deze wel gemarkeerd in de tekst. Haar goedkeuring van de definitieve versie van het proces-verbaal kan niet worden geacht mede op de bewuste passage betrekking te hebben en de luchtvaartmaatschappijen mochten dat ook niet zo begrijpen nu de luchtvaartmaatschappijen er reeds mee bekend waren dat Equilib de afstand van recht betwistte en zij onvoldoende reden hadden om aan te nemen dat Equilib van standpunt was veranderd. Van belang is voorts dat het weinig aannemelijk is, gelet op de (mede uit het proces-verbaal blijkende) context waarin de Fransrechtelijke cessies ter zitting zijn besproken, dat Equilib op zitting haar recht heeft prijsgegeven om zich op die cessies te beroepen en dat de rechtbank in haar vonnis ook in het midden heeft gelaten of Equilib dat heeft gedaan en daarbij het beroep van de luchtvaartmaatschappijen op de bewuste passage in het proces-verbaal niet heeft gehonoreerd.
4.5.
De eiswijziging in hoger beroep wordt dus toegestaan. Het hof zal recht doen op de gewijzigde eis van Equilib.
Uitgangspunten bij de beoordeling in hoger beroep
4.6.
Uit het onder 3 sterk verkort weergegeven overzicht van de procedure in eerste aanleg blijkt dat het in deze procedure gaat om een complex geschil waarin tal van feitelijke en rechtsvragen spelen die op elkaar ingrijpen. De thans voorliggende vragen betreffen maar een klein deel van de onderwerpen die partijen verdeeld houden. Voorts hebben de regie-beslissingen van de rechtbank ingrijpende gevolgen voor de inrichting van het partijdebat.
4.7.
Equilib maakt in deze procedure vorderingen tot schadevergoeding geldend die zij stelt door cessie (al dan niet indirect) te hebben verkregen van 670 shippers. De luchtvaartmaatschappijen hebben de rechtsgeldigheid van de cessies betwist en gesteld dat het op de weg van Equilib ligt de rechtsgeldigheid van alle cessies in alle (door hen aan de orde gestelde) opzichten te bewijzen.
Het hof stelt voorop dat de luchtvaartmaatschappijen geen rechtens te respecteren belang hebben bij een debat over de vraag of de cessies jegens anderen dan henzelf rechtsgeldig zijn. Aan de orde kan slechts zijn – zoals het hof op de zitting van 5 juni 2019 met partijen heeft besproken – de vraag of de cessies jegens hen werking hebben, dat wil zeggen, of zij de cessies tegen zich moeten laten gelden. Equilib heeft evenmin belang bij een (in deze procedure te voeren) debat over de vraag of de cessies jegens anderen dan de luchtvaartmaatschappijen rechtsgeldig zijn. Bij de door haar in incidenteel appel gevorderde verklaring voor recht dat de Fransrechtelijke cessies rechtsgeldig zijn, heeft zij dan ook in zoverre geen belang. Het hof begrijpt tegen deze achtergrond dat Equilib in incidenteel appel vastgesteld wil zien of de luchtvaartmaatschappijen de Fransrechtelijke cessies tegen zich moeten laten gelden.
Voor zover de cessies voor 17 december 2009 hebben plaatsgevonden, is daarop artikel 12 van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 19 juni 1980 (hierna: EVO) toepasselijk. Voor zover de cessies na die datum hebben plaatsgevonden, is daarop artikel 14 van Verordening (EG) 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I) van toepassing. Uit artikel 12 lid 2 EVO en artikel 14 lid 2 Rome I volgt dat voor de (definitieve) beantwoording van de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden, onder meer moet worden vastgesteld welk recht op die vorderingen van toepassing is. Het recht dat op de gepretendeerde kartelschadevorderingen van toepassing is, bepaalt immers de betrekkingen tussen cessionaris en schuldenaar alsmede de voorwaarden waaronder de cessie aan de schuldenaar kan worden tegengeworpen en of de schuldenaar door betaling is bevrijd (vgl. ook artikel 10:135 lid 3 BW).
4.8.
Partijen twisten over de vraag welk recht op de gepretendeerde kartelschadevorderingen van toepassing is; de rechtbank heeft geoordeeld dat de litigieuze vorderingen alle worden beheerst door Nederlands recht (zie 3.4).
Bij die stand van zaken gaat het hof in het navolgende, veronderstellenderwijs, ervan uit dat op de (beweerdelijk) aan Equilib overgedragen kartelschadevorderingen Nederlands recht van toepassing is. Deze aanname heeft gevolgen voor de beslissing in het thans voorliggende geschil. In dit stadium wordt bijvoorbeeld ervan uitgegaan dat de vorderingen overdraagbaar zijn.
4.9.
Artikel 14 lid 1 Rome I, gelezen in samenhang met de preambule onder 38 en artikel 27 lid 2 van die verordening, heeft geen betrekking op het goederenrechtelijke regime in de rechtsverhouding tussen de cessionaris en de schuldenaar, zodat die vraag aan de hand van het nationale recht moet worden beantwoord. Ingevolge artikel 10:135 lid 2 BW moet volgens het recht dat van toepassing is op de overeenkomst die tot cessie verplicht, worden bepaald welke vereisten gelden voor een overdracht die ertoe leidt dat de vordering van het vermogen van de cedent naar het vermogen van de cessionaris gaat.
Over het recht dat van toepassing is op de overeenkomsten die tot cessie verplichten, bestaat tussen partijen geen verschil van mening. Partijen zijn het erover eens dat de overeenkomsten tot cessie waarop het principaal appel ziet worden beheerst door Nederlands recht en dat de twee overeenkomsten waarop het incidenteel appel ziet worden beheerst door Frans recht.
Rechtsverhouding tussen cessionaris en schuldenaar; stelplicht en bewijslast
4.10.
Equilib stelt dat de shippers hun vorderingen jegens de luchtvaartmaatschappijen rechtstreeks of na een interne cessie binnen de groep aan haar hebben overgedragen. Op de verschillende overeenkomsten die verplichten tot cessie is Nederlands recht van toepassing behalve op de Fransrechtelijke cessies, die door Frans recht worden beheerst. De luchtvaartmaatschappijen bestrijden de rechtsgeldigheid van de cessies langs verschillende invalshoeken. Wat betreft de rechtsverhouding tussen de cessionaris en de schuldenaar en stelplicht en bewijslast dienaangaande stelt het hof het volgende voorop.
4.10.1.
Voor zover de cessieovereenkomst door Nederlands recht wordt beheerst, vereist de overdracht van de kartelschadevorderingen jegens de luchtvaartmaatschappijen door de shippers aan Equilib een daartoe bestemde akte. In de akte dient de te leveren vordering in voldoende mate te zijn bepaald. Daartoe is het voldoende dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan, aangevuld met objectieve gegevens uit de administratie van de cedent, kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. De omstandigheid dat de akte niet de precieze (deel)vorderingen vermeldt doch enkel tot welk bedrag de vorderingen zijn gecedeerd, behoeft aan voldoende bepaaldheid niet in de weg te staan (HR 19 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2530, NJ 1998/690 (Zuidgeest/Furness)).
4.10.2.
Voorts dient de akte van cessie in geval van een openbare cessie door de cedent of cessionaris aan de schuldenaar te worden meegedeeld. Deze mededeling kan ook vóór de totstandkoming van de akte van cessie worden gedaan (Parl. Gesch. Boek 3, p. 398). De mededeling behoeft niet nauwkeurig de inhoud van de akte weer te geven, maar de schuldenaar aan wie de mededeling wordt gedaan – in dit geval de luchtvaartmaatschappijen – kan wel verlangen dat hem een uittreksel van de akte en titel ter hand wordt gesteld (artikel 3:94 lid 4 BW). De vraag of de schuldenaar aanspraak kan maken op meer stukken, is door de minister ontkennend beantwoord (Parl. Gesch. Boek 3, p. 396):
‘Verder dan tot afgifte van een uittreksel strekt de verplichting jegens de hier bedoelde persoon of personen [in dit geval de schuldenaar – hof] dus niet, al zal uiteraard ook wanneer een volledig afschrift wordt afgegeven, aan die verplichting voldaan zijn. (…) Het mag (…) niet in de macht van deze derde staan om – wellicht tegen de wens van de vervreemder en verkrijger beiden – de overgang van het recht op een bepaald moment te bewerkstelligen.’
Dat de schuldenaar in beginsel niet op meer stukken recht heeft, volgt ook uit de tweede en derde volzin van artikel 3:94 lid 4 BW: bedingen die voor de schuldenaar van geen belang zijn, behoeven in het afschrift niet te worden opgenomen. Is van een titel geen akte opgemaakt, dan moet de inhoud voor zover voor [de schuldenaar] van belang, schriftelijk worden meegedeeld.
4.10.3.
In de verhouding tussen de cessionaris (Equilib) en de schuldenaar (de luchtvaartmaatschappijen) is niet zonder meer beslissend of de overdracht van een vordering geldig is geschied. Ook als aan die overdracht gebreken kleven, komt het in de verhouding tussen cessionaris en schuldenaar erop aan of de schuldenaar de overdracht tegen zich moet laten werken. Consequentie van hetgeen hiervoor werd overwogen over het Nederlandse recht, is dat de schuldenaar op zijn beurt in beginsel mag afgaan op de mededeling, het uittreksel van de akte en de titel. Betaalt hij vervolgens aan iemand die niet bevoegd was de betaling te ontvangen, dan kan de schuldenaar aan degene aan wie moest worden betaald, tegenwerpen dat hij bevrijdend heeft betaald, indien hij in het licht van de mededeling, het uittreksel van de akte en de titel op redelijke gronden heeft aangenomen dat aan die ontvanger moest worden betaald (artikel 6:34 lid 1 BW). Als hij op redelijke gronden twijfelt aan wie de betaling moet geschieden, kan hij een beroep doen op een opschortingsrecht (artikel 6:37 BW).
4.10.4.
Het hof onderkent dat aan dit stelsel consequenties verbonden kunnen zijn die de schuldenaar onder omstandigheden als bezwaarlijk kan ervaren. Zo kan hij zich gedwongen zien om zich, nadat hij bevrijdend aan de pseudo-cessionaris heeft betaald, jegens de werkelijke schuldeiser te beroepen op een derdenbeschermende bepaling. Deze mogelijkheid vloeit echter voort uit de keuze van de wetgever. Die keuze brengt tegelijk mee dat op de schuldenaar in beginsel geen zware onderzoeksplicht met betrekking tot de geldigheid van de cessie rust.
4.10.5.
Stelplicht en bewijslast dat de luchtvaartmaatschappijen de cessie jegens zich moeten laten werken, rusten op Equilib. Equilib heeft, nog steeds uitgaande van het Nederlands recht als het recht dat zowel de kartelschadevordering als de overeenkomst die verplicht tot de cessie beheerst, in beginsel aan haar stelplicht voldaan indien de akte op de voet van artikel 3:94 lid 1 BW aan de luchtvaartmaatschappijen is meegedeeld en een uittreksel van de akte en titel aan hen is overgelegd (vgl. artikel 3:94 lid 4 BW).
Het ligt vervolgens op de weg van de luchtvaartmaatschappijen om in het kader van de onderbouwing van hun verweer te beargumenteren dat en waarom de geldigheid van de cessie op redelijke gronden moet worden betwijfeld. Gelet op de informatie waarop zij als schuldenaren ingevolge artikel 3:94 lid 1 en 4 BW recht hebben, het feit dat artikel 3:94 lid 4 BW beperkingen stelt aan de documenten waarop zij als schuldenaren aanspraak kunnen maken en de hiervoor besproken bescherming van de luchtvaartmaatschappijen als, ten opzichte van de cessie-overeenkomst, derden, is ter onderbouwing van bedoelde twijfel onvoldoende het enkele feit dat zij niet beschikken over alle informatie aan de hand waarvan de geldigheid van de overdracht in de verhouding tussen cedent en cessionaris kan worden vastgesteld. Die eventuele ongeldigheid raakt hen immers niet, althans niet zonder meer.
Cessie-overeenkomsten naar Frans recht
4.11.
Indachtig het uitgangspunt dat de kartelschadevorderingen door Nederlands recht worden beheerst, dient de vraag of de luchtvaartmaatschappijen door betaling aan Equilib kunnen worden bevrijd ingevolge artikel 12 lid 2 EVO dan wel artikel 14 lid 2 Rome I (vgl. ook artikel 10:135 lid 3 BW) steeds aan de hand van het Nederlandse recht te worden beantwoord. Dit geldt ook ten aanzien van de kartelschadevorderingen met betrekking waartoe cessie-overeenkomsten zijn gesloten die worden beheerst door Frans recht. Ook ten aanzien van die vorderingen geldt derhalve het bepaalde in artikel 6:34 lid 1 BW en artikel 6:37 BW, zij het dat voor het antwoord op de vraag of de luchtvaartmaatschappijen op redelijke gronden mogen aannemen dat – dan wel betwijfelen of – ze aan Equilib bevrijdend kunnen betalen, in beginsel beslissend is of de schuldenaar, in het bijzonder gelet op de wijze waarop hij van de overdracht van de vordering in kennis is gesteld, redelijkerwijs mocht aannemen dat naar Frans recht sprake was van een rechtsgeldige cessie. De luchtvaartmaatschappijen hebben onvoldoende beargumenteerd dat, mede gelet op het bepaalde in artikel 1690 Code civil, redelijke grond bestond voor twijfel als hiervoor bedoeld.
In aanmerking genomen dat Equilib steeds een uittreksel van de akte en de titel heeft verschaft, brengt het vorenstaande mee dat op de luchtvaartmaatschappijen in beginsel geen nadere onderzoeksplicht rust met betrekking tot de geldigheid van de cessies in de verhouding tussen shipper en Equilib, ook niet voor zover de cessie-overeenkomsten door Frans recht worden beheerst. In beginsel rust op hen evenmin een onderzoeksplicht naar de echtheid van de handtekening.
Beoordeling van de grieven
4.12.
Met grief I klagen de luchtvaartmaatschappijen dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de geldigheid van de cessies. De grief berust op de veronderstelling dat in dit geding moet worden beoordeeld of de cessies als zodanig geldig zijn. Die veronderstelling is onjuist, zoals hiervoor, onder 4.7 e.v., reeds bleek. Equilib vordert schadevergoeding (naast vaststelling van onrechtmatig handelen en aansprakelijkheid voor de daardoor veroorzaakte schade) en geen verklaring voor recht dat de cessies geldig zijn. Dit laatste is weliswaar anders ten aanzien van de Fransrechtelijke cessies, maar Equilib heeft – zoals onder 4.7 overwogen – bij de gevorderde verklaring voor recht op dat punt slechts belang voor zover het betreft de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden. De luchtvaartmaatschappijen hebben evenmin een verklaring voor recht gevorderd. De vraag naar de geldigheid van de cessies behoeft dus in beginsel geen beantwoording. De stelplicht van Equilib strekt zich daartoe in beginsel ook niet uit.
In dit stadium van het geding behoeft slechts te worden beoordeeld of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden. Aan artikel 3:94 lid 4 BW ligt de gedachte ten grondslag dat bedingen die voor de schuldenaar niet van belang zijn, niet behoeven te worden verstrekt. Naar Frans recht geldt, voor zover van belang, hetzelfde. Grief I kan daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.
Fiduciaverbod
4.13.
Volgens grief II.B zijn de (Nederlandsrechtelijke) cessies in strijd met het fiduciaverbod dat is neergelegd in artikel 3:84 lid 3 BW. Naar de luchtvaartmaatschappijen betogen, is de Assignment of Rights Agreement slechts erop gericht Equilib het recht te geven de aan haar overgedragen vorderingen te gelde te maken om zich uit de opbrengst daarvan te voldoen, onder gehoudenheid een overschot te voldoen aan de shippers. Zij voeren daarnaast aan dat de gecedeerde vorderingen dienen als zekerheid voor de vorderingen van Equilib op de cedenten, bestaande uit een commissie van circa 35% van de eventuele opbrengst van de door Equilib aanhangig gemaakte procedures. Voorts betogen zij dat sprake is van een wanverhouding tussen de waarde van de aan Equilib overgedragen vordering en de door Equilib aan de desbetreffende shipper verschuldigde vergoeding.
4.13.1.
Uit de onder 2.9 tot en met 2.11 aangehaalde versies van de Assignment of Rights Agreement valt niet af te leiden dat deze de strekking missen de vordering in het vermogen van Equilib te doen vallen. Integendeel, artikel 2 van die versies bepaalt juist:
‘2.1 The Assignor hereby assigns and transfers, in full, the Rights and all of the Accessory Rights to the Assignee on the terms and conditions of this Agreement.
2.2
The Assignee hereby acquires the complete ownership and possession of the Rights and the Accessory Rights. The Assignee may henceforth exercise the Rights and the Accessory Rights in its own name, at its own expense and risk, free from any restriction or interference by the Assignor.’
Daaruit blijkt onmiskenbaar dat partijen een werkelijke overdracht beogen. Dat wordt niet anders indien overweging F en H en artikel 3.1 van de Assignment of Rights Agreement in aanmerking worden genomen. Dat shippers onder omstandigheden, zoals bij wanprestatie van Equilib, op grond van artikel 4 in verbinding met de artikelen 8.1 en 8.2 van deze overeenkomst het recht toekomt om van Equilib te verlangen dat zij de vorderingen aan hen terug overdraagt zonder kosten voor de shippers, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan de luchtvaartmaatschappijen stellen, is daarbij geen sprake van een ‘terugvallen’ van de vorderingsrechten in het vermogen van de shippers, maar van een recht op retro-cessie.
4.13.2.
Evenmin kan worden geoordeeld dat de cessie strekt tot zekerheid voor de vorderingen van Equilib op de shippers ter zake van commissie. Naar de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft Equilib geen vordering op de shippers waarvoor zij zekerheid zou kunnen wensen. Equilib is immers geen schuldeiser van de shippers; de shippers hebben juist aanspraken op Equilib ter zake van (de betaling van) de tegenprestatie voor de gecedeerde vorderingen. Van de betalingen die Equilib ontvangt op de vorderingen dient zij een percentage (van 60% tot 80%) aan de cedenten te betalen bij wijze van koopprijs. Equilib loopt het risico van het verlies van de procedure en mag anderzijds een percentage van de opbrengst behouden. Anders dan de luchtvaartmaatschappijen betogen, valt zonder nadere toelichting niet in te zien hoe een dergelijke afspraak moet worden aangemerkt als strijdig met het fiduciaverbod. De luchtvaartmaatschappijen betogen verder dat sprake is van een wanverhouding tussen de waarde van de aan Equilib overgedragen vordering en ‘de vordering’ van Equilib op de shippers in die zin dat eerstgenoemde vordering enkele malen groter is dan laatstgenoemde ‘vordering’, wat volgens hen, naar analogie van HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8241, rov. 3.5.2, een aanwijzing oplevert voor een overdracht tot zekerheid. Dit betoog faalt omdat van een vordering van Equilib op de shippers geen sprake is.
4.13.3.
De grief kan daarom niet slagen.
Bepaaldheid
4.14.
Grief II.A strekt tot betoog dat de vorderingen die naar Nederlands recht zijn gecedeerd niet met voldoende bepaaldheid zijn omschreven als bedoeld in artikel 3:84 lid 2 BW. Aan de hand van de door Equilib overgelegde cessieakten kan volgens de luchtvaartmaatschappijen niet worden vastgesteld welke individuele vorderingen (gespecificeerd naar in ieder geval luchtvaartmaatschappij, vluchtroute en betrokken expediteur) zijn overgedragen, ook niet achteraf. De cessieakten vermelden een dergelijke specificatie niet en vermelden evenmin waar die kan worden gevonden. Zonder nadere gegevens over de concrete luchtvrachtdiensten waarop de vorderingen van de verschillende shippers op de verschillende luchtvaartmaatschappijen zijn gebaseerd is het volgens de luchtvaartmaatschappijen nagenoeg onmogelijk om op basis van de leveringsakte vast te stellen welke vorderingen zouden zijn overgedragen. Zij betwisten, mede gelet op het tijdsverloop, dat die nadere gegevens in de boekhouding van de shippers zijn terug te vinden. De grief berust blijkens de toelichting verder op de gedachte dat Equilib de luchtvaartmaatschappijen reeds nu in staat moet stellen te achterhalen welke individuele vorderingen jegens hen zijn overgedragen, meer in het bijzonder uit welke luchtvrachtdiensten (met welke vluchtroutes en welke expediteurs) die vorderingen voortvloeien. De luchtvaartmaatschappijen voeren daarbij aan dat zij zelf zelden toegang hebben tot deze gegevens omdat circa 99% van hun vrachtcapaciteit wordt verkocht via expediteurs (freight forwarders), die op hun beurt met de shippers contracteren. Nu Equilib heeft geweigerd deze gegevens in het geding te brengen is niet aan de bepaaldheidseis voldaan, aldus de luchtvaartmaatschappijen. Dit heeft de rechtbank miskend.
4.14.1.
De luchtvaartmaatschappijen betogen op zichzelf terecht dat het bepaaldheidsvereiste in geval van een generieke omschrijving van de vordering – zoals hier in de cessiedocumentatie is opgenomen – meebrengt dat aan de hand van die omschrijving op grond van andere objectieve gegevens moet kunnen worden vastgesteld welke vorderingen zijn geleverd. De omstandigheid dat deze vaststelling in dit stadium van deze complexe procedure nog niet heeft plaatsgevonden, brengt echter niet mee dat aan het bepaaldheidsvereiste niet is voldaan. Dit wordt niet anders doordat de luchtvaartmaatschappijen zelf niet tot die vaststelling in staat zijn omdat zij geen toegang hebben tot de daarvoor vereiste gegevens. De cessiedocumentatie behoefde ook niet te bepalen langs welke weg objectief kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. Vooralsnog moet ervan worden uitgegaan dat de boekhouding van de shippers en/of van de expediteurs de vereiste objectieve gegevens ter nadere bepaling van de overgedragen vorderingen bevat. Voor zover dit, om welke reden dan ook, niet het geval is, zal Equilib mogelijk de door haar gestelde vordering niet kunnen substantiëren, wat gevolgen voor de toewijsbaarheid van dat deel van de vordering kan hebben. Dit kan er echter niet toe leiden dat de overgedragen vordering onvoldoende bepaald is. Grief II.A faalt derhalve.
Bezwaren tegen specifieke cessies
4.15.
Grief II.C strekt tot betoog dat een aantal individuele cessies specifieke gebreken vertoont. De grief valt in vijf subgrieven uiteen.
Mededeling cessies van dochter aan moeder
4.16.
Volgens subgrief II.C.1 zijn de cessies van vorderingen door dochtermaatschappijen aan moedermaatschappijen niet voltooid omdat die cessies, anders dan artikel 3:94 lid 1 BW vereist, niet aan de luchtvaartmaatschappijen zijn medegedeeld door de cedent of cessionaris. Van die cessies is uitsluitend door Equilib mededeling aan de luchtvaartmaatschappijen gedaan. Het gevolg hiervan is dat de moedermaatschappijen de vorderingen van hun dochtermaatschappijen niet hebben verkregen, zodat zij deze ook niet aan Equilib konden overdragen, aldus de luchtvaartmaatschappijen.
4.16.1.
Naar Equilib terecht heeft betoogd, moet uit de parlementaire geschiedenis van artikel 3:94 BW worden afgeleid dat de wetgever de levering van vorderingen op naam niet méér heeft willen bemoeilijken dan nodig is. Dit staat ook met zoveel woorden in de memorie van antwoord, in welk verband de minister in het bijzonder opmerkt (Parl. Gesch. Boek 3, p. 398):
“Wordt een zelfde recht zonder tussenpoos van enig belang meermalen van de een op de ander overgedragen, dan verbiedt dit artikel niet dat ter voltooiing van deze rechtsovergangen het feit dat de verschillende daartoe strekkende akten zijn tot stand gekomen, aan de derde in één keer wordt medegedeeld.”
Gelet op het stelsel van de wet, dat erin voorziet dat de schuldenaar een uittreksel van alle aktes kan verlangen en zodoende kan nagaan of en wat er is gecedeerd, is geen belang gediend met de eis dat bij opeenvolgende cessies van iedere cessie afzonderlijk door hetzij de cedent hetzij de cessionaris mededeling aan de schuldenaar wordt gedaan. Equilib kon in dit geval de overdracht van de vorderingen van de dochtermaatschappijen aan zichzelf tot stand brengen door van zowel de cessie aan zichzelf als de cessie aan de moedermaatschappij mededeling aan de luchtvaartmaatschappijen te doen. Daaraan doet niet af dat tussen de cessie van de dochtermaatschappij aan de moedermaatschappij en de vervolgcessie aan Equilib soms een aantal maanden zit. Niet in geschil is immers dat de cessie door de dochtermaatschappijen is geschied met het oog op een doorlevering aan Equilib, met het doel Equilib de vordering te laten innen. Dit blijkt ook uit de cessiedocumentatie. Overigens konden de luchtvaartmaatschappijen de mededeling van Equilib van de eerste cessie, waarbij zij geen partij was, redelijkerwijs niet anders duiden dan als een mededeling die, voor zover nodig, mede namens de partijen bij die cessie werd gedaan. Dat Equilib daartoe niet gevolmachtigd was, is gesteld noch gebleken. Integendeel, Equilib beschikte blijkens de verschillende intragroep-cessieovereenkomsten (zie hiervoor onder 2.12-2.14) over een ruime last om te doen wat nodig of wenselijk is om de vorderingen van de dochters te verhalen (“to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Subsidiary’s Claims”). De subgrief faalt derhalve.
Beschikkingsbevoegdheid
4.17.
In subgrief II.C.2 voeren de luchtvaartmaatschappijen aan dat twee shippers, BV’s naar Nederlands recht, blijkens het handelsregister ten tijde van de cessie van hun vorderingen aan Equilib, in 2013, reeds waren ontbonden en wegens het ontbreken van bekende baten waren opgehouden te bestaan. Volgens de luchtvaartmaatschappijen waren deze shippers daarmee beschikkingsonbevoegd ten tijde van de cessie, zodat eventuele vorderingen niet zijn overgedragen op Equilib. Zij voeren verder aan dat Equilib had moeten stellen welke shippers (behalve SAAB Automobile AB) failliet zijn, wanneer zij failliet zijn verklaard en dat (respectievelijk waarom) de cessies niettemin rechtsgeldig zijn. Bij gebreke van een opgave en toelichting van Equilib op dit punt dient het ervoor te worden gehouden dat geen van de shippers beschikkingsbevoegd was ten tijde van de cessie, aldus de luchtvaartmaatschappijen.
4.17.1.
Ingevolge artikel 2:19 lid 5 BW blijft een rechtspersoon na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Daarop stuit af het standpunt van de luchtvaartmaatschappijen dat de twee ontbonden Nederlandse BV’s die volgens het handelsregister in 2006 zijn opgehouden te bestaan wegens het ontbreken van bekende baten daarna hun vorderingen op de luchtvaartmaatschappijen niet meer aan Equilib konden overdragen (vgl. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4096, NJ 2013/338). In dit stadium van het geding moet ervan worden uitgegaan dat de twee shippers nog wel baten hebben, namelijk de gestelde vorderingen op de luchtvaartmaatschappijen. Voor zover de luchtvaartmaatschappijen zich zouden willen beroepen op de andersluidende inschrijving in het handelsregister, faalt dat beroep nu zij, anders de shippers in kwestie toen, wel met het bestaan van vorderingen uit hoofde van hun deelname aan het kartel bekend waren, althans konden zijn (vgl. HR 26 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2779, NJ 2004/330).
4.17.2.
Ook voor het overige kan de grief niet slagen. Met de overlegging van de cessiedocumentatie heeft Equilib voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die het oordeel kunnen dragen dat de luchtvaartmaatschappijen de cessie tegen zich moeten laten gelden. Het gaat in zijn algemeenheid te ver om bij gebreken van concrete aanwijzingen voor het tegendeel van Equilib te vergen dat zij (gemotiveerd) stelt dat zij de door haar gepretendeerde vorderingen heeft verkregen van beschikkingsbevoegde vervreemders. Aanwijzingen dat een of meer shippers ten tijde van de cessie beschikkingsonbevoegd waren ontbreken, evenals concrete stellingen op dat punt. Niet in geschil is dat SAAB Automobile AB ten tijde van de cessie nog niet in staat van faillissement verkeerde. Met de subgrief hebben de luchtvaartmaatschappijen aldus onvoldoende gemotiveerd aangevoerd dat op redelijke gronden moet worden betwijfeld dat zij door betaling aan Equilib van hun betalingsverplichting kunnen worden bevrijd (dan wel, in voorkomend geval, dat zodanige onzekerheid bestaat dat zij kunnen opschorten).
Echtheid handtekeningen
4.18.
Met subgrief II.C.3 betogen de luchtvaartmaatschappijen, met een beroep op artikel 159 lid 2 Rv, dat Equilib de echtheid van alle namens de shippers geplaatste handtekeningen op de cessiedocumentatie dient te bewijzen.
4.18.1.
Bij pleidooi in hoger beroep hebben de luchtvaartmaatschappijen hun bij memorie van grieven aangevoerde specifieke bezwaren tegen enkele handtekeningen prijsgegeven. Daarmee resteert nog slechts ter beoordeling de stelling dat artikel 159 lid 2, tweede volzin, Rv meebrengt dat Equilib de echtheid van alle namens de shippers geplaatste handtekeningen op de cessiedocumentatie bewijst. Deze stelling wordt verworpen. In deze procedure gaat het immers (slechts) om de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten werken. Equilib heeft daartoe voldoende gesteld. Zij heeft niet alleen uitvoerige cessiedocumentatie in het geding gebracht; ook heeft zij onbetwist gesteld dat zij de shippers regelmatig informeert over de voortgang van de procedure en inmiddels twintig nieuwsbrieven heeft opgesteld, die zij naar iedere shipper heeft gestuurd. Het ligt vervolgens op de weg van de luchtvaartmaatschappijen om in het kader van de onderbouwing van hun verweer uiteen te zetten dat zij redelijke grond hebben om te betwijfelen of zij aan Equilib bevrijdend kunnen betalen. In het kader van de vraag of zij hun verweer voldoende hebben onderbouwd, weegt mee dat hun onderzoeksplicht in beginsel niet zo ver gaat dat zij als schuldenaar handtekeningen in de cessiedocumentatie op echtheid moeten controleren. Zij mogen in beginsel op die echtheid vertrouwen en worden in dat vertrouwen in beginsel beschermd. Het had daarom op de weg van de luchtvaartmaatschappijen gelegen om hun stelling dat zij de echtheid van de handtekeningen in de cessiedocumentatie betwisten van nadere concrete onderbouwing te voorzien, die de conclusie kan dragen dat op redelijke grond aan de rechtsgeldigheid van de cessie kan worden getwijfeld. Dit hebben zij nagelaten. Zij hebben bijvoorbeeld geen feiten of omstandigheden gesteld die erop wijzen dat van een vervalsing sprake is of dat een van de shippers zich niet gebonden acht aan de van haar afkomstige cessiedocumentatie. Bij deze stand van zaken missen de luchtvaartmaatschappijen voldoende belang bij hun betwisting van de echtheid van deze honderden handtekeningen.
Discrepanties tussen de data van de overgelegde Assignment of Rights Agreements en de in andere cessiedocumentatie vermelde data van die overeenkomsten
4.19.
Met subgrief II.C.4 voeren de luchtvaartmaatschappijen aan dat bij vier shippers in de cessiedocumentatie wordt verwezen naar een Assignment of Rights Agreement van een andere datum dan de Assignment of Rights Agreement die Equilib in deze procedure heeft overgelegd. Zij concluderen daaruit dat er voor de vorderingen van deze shippers ook nog Assignment of Rights Agreements moeten bestaan die niet zijn overgelegd. Zij kunnen daardoor niet nagaan of van een rechtsgeldige cessie sprake is, zodat van de ongeldigheid van de cessie moet worden uitgegaan, zo betogen zij.
4.19.1.
Equilib betwist dat voor de vorderingen van deze vier shippers meer Assignment of Rights Agreements zijn getekend dan overgelegd. Zij betoogt gemotiveerd dat sprake is van vergissingen in de datum bij de verwijzingen in de cessiedocumentatie. Het doel van de verwijzingen was slechts de context te schetsen waarin de verschillende overeenkomsten werden getekend. De discrepanties kunnen er dus niet toe leiden dat de titel ongeldig is. De luchtvaartmaatschappijen hebben hier onvoldoende tegenover gesteld. De gesignaleerde discrepanties tussen de verwijzingen en de data van de overgelegde overeenkomsten vormen op zichzelf onvoldoende grond voor redelijke twijfel aan de rechtsgeldigheid van de cessies. Subgrief II.C.4 faalt derhalve.
4.20.
Met subgrief II.C.5 voeren de luchtvaartmaatschappijen aan dat de mededeling van de cessie in twee gevallen (bij Hewlett-Packard Company en Parker Hannifin Corporation) is voorafgegaan aan de totstandkoming van de titel voor de cessie, wat betekent – zo begrijpt het hof de luchtvaartmaatschappijen – dat de cessie niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Equilib stelt hier (onder meer) tegenover dat zowel in het geval van Hewlett-Packard Company als in het geval van Parker Hannifin Corporation een tweede mededeling van de cessie aan de luchtvaartmaatschappijen is gedaan op een moment dat er een getekende titel voor de cessie was. Dit laatste is door de luchtvaartmaatschappijen niet weersproken en dient derhalve als vaststaand te worden aangenomen. Bij deze stand van zaken hebben de luchtvaartmaatschappijen geen belang bij subgrief II.C.5.
Strijd met openbare orde of goede zeden
4.21.
Grief II.D betreft de vraag of de cessies nietig zijn wegens strijd met de openbare orde en/of goede zeden. De rechtbank heeft overwogen dat de geldigheid van de cessie, waaronder de vraag of de cessie nietig is wegens strijd met de goede zeden of de openbare orde, moet worden beoordeeld naar het cessiestatuut en heeft vervolgens het verzoek van de luchtvaartmaatschappijen om zich op dit punt (in het kader van het cessiestatuut) nader te mogen uitlaten afgewezen omdat op de regiezitting van 22 juni 2016 was afgesproken dat alle argumenten in het kader van het cessiestatuut uiterlijk bij pleidooi op 11 mei 2017 naar voren moesten worden gebracht. De grief komt tegen deze overwegingen op.
4.21.1.
De vraag of de cessieovereenkomst strijdig is met openbare orde of goede zeden, wordt inderdaad – en anders dan Equilib betoogt – beheerst door het vorderingsstatuut. Niet in geschil is dat de procesafspraak uitsluitend betrekking had op de rechtsgeldigheid van de cessies naar het cessiestatuut. De luchtvaartmaatschappijen kunnen in een later stadium van de procedure derhalve nog betogen dat de overeenkomsten tot cessie nietig zijn omdat zij naar het vorderingsstatuut in strijd zijn met de goede zeden of de openbare orde. De grief treft in zoverre doel maar kan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. De grief kan immers niet tot de conclusie leiden dat de cessies niet rechtsgeldig zijn verricht.
4.21.2.
Grief II.D bevat verder voorwaardelijk – onder de voorwaarde dat het hof van oordeel is dat de vraag of de overeenkomst tot cessie strijdig is met de openbare orde of goede zeden door het cessiestatuut wordt beheerst – de klacht dat die vraag naar het cessiestatuut (Nederlands recht) bevestigend moet worden beantwoord gezien de vermogenspositie van Equilib. Nu de voorwaarde waaronder de klacht is ingesteld niet is vervuld, komt het hof aan behandeling daarvan niet toe. Ten overvloede wordt overwogen dat naar Nederlands recht niet wordt aangenomen dat cessie van vorderingen aan een partij die (anders dan de cedent) ten tijde van de cessie niet in staat is een eventuele proceskostenveroordeling te voldoen, nietig is wegens strijd met de goede zeden. Het verdienmodel van Equilib maakt dat niet anders.
Vertegenwoordigingsbevoegdheid
4.22.
Grief III heeft betrekking op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van verschillende personen die namens cedenten hebben opgetreden. Betoogd wordt dat Equilib dient te stellen en te bewijzen dat alle cedenten bij het ondertekenen van de overeenkomst tot cessie en de leveringsakte bevoegdelijk zijn vertegenwoordigd, althans dat de uit die stukken blijkende wil aan hen kan worden toegerekend. Daarin is Equilib volgens de luchtvaartmaatschappijen in een groot aantal gevallen niet geslaagd. Zij betogen gemotiveerd dat, kort gezegd, de bevoegdheidsdocumentatie die Equilib op verzoek van de rechtbank in het geding heeft gebracht gebreken vertoont en incompleet is. Ook ligt het volgens hen op de weg van Equilib om steeds duidelijk te maken naar welk recht de vertegenwoordigingsbevoegdheid dient te worden vastgesteld, althans – bij het ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid – naar welk recht moet worden beoordeeld of de in de cessiedocumentatie geuite wil aan de cedent kan worden toegerekend. De luchtvaartmaatschappijen hebben die informatie nodig om te verifiëren of de (gestelde) cedenten gebonden zijn aan de namens hen getekende stukken, zo stellen zij. Het hof oordeelt als volgt.
4.22.1.
Uitgangspunt blijft dat de gepretendeerde vorderingen door Nederlands recht worden beheerst. Aan de orde is (nog steeds) de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten werken. Equilib heeft daartoe voldoende gesteld. Zij heeft niet alleen uitvoerige cessiedocumentatie in het geding gebracht; ook heeft zij onbetwist gesteld dat zij de shippers regelmatig informeert over de voortgang van de procedure en inmiddels twintig nieuwsbrieven heeft opgesteld, die zij naar iedere shipper heeft gestuurd. Het ligt vervolgens op de weg van de luchtvaartmaatschappijen – zoals hiervoor onder 4.10.5 overwogen – om te beargumenteren dat en waarom de geldigheid van de cessie op redelijke gronden moet worden betwijfeld. In het kader van de vraag of zij hun verweer voldoende hebben onderbouwd, weegt mee dat hun onderzoeksplicht in beginsel niet zo ver gaat dat zij als schuldenaar moeten verifiëren of degene die namens de cedent de cessiedocumentatie heeft ondertekend daartoe op dat moment bevoegd was dan wel, indien dat niet het geval is, of de (gestelde) cedent op andere wijze aan de overeenkomst tot cessie en de akte van levering gebonden is geraakt. Zij mogen in beginsel op die bevoegdheid en gebondenheid vertrouwen en worden in dat vertrouwen in beginsel beschermd. Daar komt in dit geval nog bij dat het om meer dan zeshonderd cedenten gaat en dat van geen enkele cedent is gesteld of gebleken dat deze zich hetzij met een eigen vordering bij de luchtvaartmaatschappijen heeft gemeld hetzij heeft getracht de vordering via een ander claimvehikel te innen, dan wel anderszins heeft laten blijken zich aan de cessie niet gebonden te achten. Het had daarom op de weg van de luchtvaartmaatschappijen gelegen om hun stelling dat zij de gebondenheid van de (gestelde) cedenten aan de in het geding gebrachte cessiedocumentatie betwisten van nadere concrete onderbouwing te voorzien, die de conclusie kan dragen dat op redelijke grond aan de rechtsgeldigheid van de cessie moet worden getwijfeld. Dit hebben zij, behoudens ten aanzien van de hierna te noemen twee shippers, onvoldoende gedaan. Niet voldoende is in dit verband dat de uitvoerige bevoegdheidsdocumentatie die Equilib op verzoek van de rechtbank in het geding heeft gebracht, door partijen aangeduid als Proofs of Authority en Annexes, voor een deel van de shippers nog niet bewijst dat zij aan de overeenkomst tot cessie en/of de leveringsakte gebonden zijn. Onvoldoende is ook dat deze documentatie voor 42 shippers ontbreekt omdat zij niet hebben gereageerd op verzoeken van Equilib om bevoegdheidsdocumentatie aan te leveren. Anders dan de luchtvaartmaatschappijen betogen, strekt de stelplicht en bewijslast van Equilib zich immers in beginsel niet uit tot de gebondenheid van de (gestelde) cedenten aan de namens hen getekende cessiedocumentatie. Het is aan de luchtvaartmaatschappijen om ter onderbouwing van hun verweer feiten of omstandigheden aan te dragen die erop wijzen dat de shippers bij de ondertekening daarvan niet bevoegdelijk zijn vertegenwoordigd. Behoudens ten aanzien van de hierna te noemen shippers zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aangevoerd.
4.22.2.
Met betrekking tot de shippers Leo van der Weijden B.V. en Plantas Del Caribe B.V. is vast komen te staan dat de personen die de cessiedocumentatie hebben getekend daarbij hun vertegenwoordigingsbevoegdheid hebben overschreden. Daarmee hebben de luchtvaartmaatschappijen voldoende onderbouwd dat er redelijke gronden voor twijfel aan de rechtsgeldigheid van de cessie zijn en kunnen zij zich – zolang die redelijke twijfel niet is weggenomen – op een opschortingsrecht beroepen. Dit brengt vooralsnog echter niet mee dat het vonnis moet worden vernietigd. Zoals onder 4.26 e.v. wordt overwogen, kan het hof in dit stadium nog geen definitief oordeel geven over de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de Nederlandsrechtelijke cessies tegen zich moeten laten gelden en zal nog een aktewisseling volgen over een mogelijke (rol)voeging van dit tussentijds appel met zaak 200.266.816/01. Equilib zal in de gelegenheid worden gesteld bij de door haar te nemen akte nadere documentatie in het geding te brengen met betrekking tot deze shippers.
Dictum en overig
4.23.
Gegrond is evenwel grief IV voor zover de luchtvaartmaatschappijen daarmee opkomen tegen het dictum waarin voor recht wordt verklaard dat de cessie van de shippers als cedenten aan Equilib als cessionaris, met uitzondering van de Fransrechtelijke cessies, naar het cessiestatuut rechtsgeldig zijn. Tot een dergelijke verklaring voor recht strekt het petitum zich immers niet uit. Het vonnis zal daarom op dit punt moeten worden vernietigd. Voor het overige bouwt grief IV voort op de vorige grieven en faalt zij daarom.
4.24.
In incidenteel appel vordert Equilib (met haar grief III) voor de Fransrechtelijke cessies thans juist wel een verklaring voor recht dat de zij naar het cessiestatuut rechtsgeldig zijn. Het hof begrijpt die vordering aldus (zie hiervoor, onder 4.7) dat een verklaring voor recht wordt gevorderd dat de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden. De luchtvaartmaatschappijen hebben tegen deze vordering geen verweer gevoerd, zodat zij toewijsbaar is.
Bezit; beroep op artikel 3:119 BW
4.25.
Equilib heeft – onder meer met haar grief III in het incidenteel appel – nog een beroep gedaan op artikel 3:119 lid 1 BW. Naar Equilib betoogt, geniet zij geruime tijd het ongestoorde bezit van de (gepretendeerde) vorderingen. Ingevolge artikel 3:119 lid 1 BW wordt zij daarom vermoed rechthebbende te zijn op vorderingen waarvan zij stelt dat zij deze door middel van cessie heeft verkregen. De luchtvaartmaatschappijen betwisten het betoog van Equilib. Het hof overweegt hierover ten overvloede als volgt.
4.25.1.
Zoals onder 4.8 is overwogen, wordt thans ervan uitgegaan dat het Nederlandse recht van toepassing is op de door Equilib gepretendeerde kartelschadevorderingen. Ingevolge artikel 10:13 BW dient daarom de vraag of Equilib een beroep toekomt op een bewijsvermoeden (voortvloeiend uit het bezit van de vordering), te worden beoordeeld naar Nederlands recht.
4.25.2.
Naar Nederlands recht kan bezit zich mede uitstrekken tot vorderingen op naam (vgl. met betrekking tot verkrijgende verjaring door de bezitter van een vordering Parl. Gesch. Boek 3, p. 418). Dit brengt mee dat ook de bezitter van een vordering op naam een beroep kan doen op het bewijsvermoeden dat in artikel 3:119 BW is vervat. Voor zover de luchtvaartmaatschappijen met een beroep op HR 9 februari 1939, ECLI:NL:HR:1939:32, NJ 1939/865 (Woldijk/Nijman) het tegendeel betogen, wordt hun stelling verworpen. Dit arrest is gewezen onder oud recht en heeft geen betrekking op het bezit van een vordering op naam.
4.25.3.
Uit hetgeen hierboven is overwogen, alsmede uit de uitvoerige cessiedocumentatie die Equilib heeft overgelegd, valt af te leiden dat Equilib de door haar gepretendeerde vorderingen voor zichzelf houdt. Uit die documentatie blijkt de uiterlijk waarneembare wil van Equilib om de in de documentatie bedoelde (gepretendeerde) vorderingen voor zichzelf te gaan houden. Aan die uiterlijk waarneembare wil doet niet af dat zij onder bepaalde omstandigheden gehouden is de gerechtigdheid tot de desbetreffende vordering terug over te dragen aan de oorspronkelijke cedent. Met het oordeel dat Equilib de vorderingen voor zichzelf houdt, strookt het gegeven dat is gesteld noch gebleken dat een van de 670 cedenten wier (gepretendeerde) vorderingen Equilib stelt te hebben verkregen, zelf jegens de luchtvaartmaatschappijen (na de gestelde cessies) op enig moment aanspraak heeft gemaakt op betaling daarvan dan wel zich (anderszins) op het standpunt heeft gesteld zélf nog bezitter van enige van deze vorderingen te zijn (gebleven). Aan het voorgaande moet te meer gewicht moet worden gehecht nu – naar onbetwist is gesteld – Equilib de cedenten op de hoogte heeft gehouden van de voortgang van haar pogingen tot inning van de vordering terwijl geen aanwijzingen zijn gesteld of gebleken waaruit zou kunnen volgen dat een van de shippers zich niet aan de (gestelde) cessies gebonden acht.
4.25.4.
Het voorgaande brengt mee dat Equilib een beroep toekomt op artikel 3:119 lid 1 BW indien komt vast te staan, gelijk thans is aangenomen, dat Nederlands recht van toepassing is op de door Equilib gepretendeerde vorderingen.
Verdere regie; (rol)voeging met andere appelzaak
4.26.
Tijdens de regiezitting van 5 juni 2019 heeft het hof met partijen gesproken over de verhouding tussen het recht dat van toepassing is op de kartelschadevordering en het recht dat van toepassing is op de overeenkomst die tot cessie verplicht. Partijen hebben er toen voor gekozen om arrest te vragen in dit hoger beroep; zij vreesden dat voeging – in enigerlei vorm – van onderhavige zaak en het hoger beroep tegen het vonnis van 1 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3393, thans bij dit hof aanhangig onder zaaknummer 200.266.816/01, zich slecht zou verdragen met de regiebeslissingen van de rechtbank en ook overigens vertraging en complicaties zou veroorzaken. Partijen wensten eerst de visie van het hof in het onderhavige geschil te vernemen.
Die visie kennen zij nu. Uit het voorgaande blijkt dat in dit stadium nog geen definitief oordeel kan worden gegeven over de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de Nederlandsrechtelijke cessies tegen zich moeten laten gelden, omdat het recht dat de kartelschadevordering beheerst niet vaststaat.
4.27.
Als het hof de zaak nu, in deze stand, terugverwijst naar de rechtbank, terwijl bij het hof nog voorligt de vraag naar het recht dat van toepassing is op de kartelschadevorderingen, dreigt een met een goede procesorde niet verenigbare situatie te ontstaan. De rechtbank heeft met haar regiebeslissing kennelijk willen bereiken dat voor het vervolg van de procedure in ieder geval vaststaat dat Equilib degene is die van de luchtvaartmaatschappijen betaling van een schadevergoeding wegens inbreuken op het kartelverbod kan verlangen. Dat punt kan nu niet bereikt worden, zolang niet is beslist op het tweede tussentijds hoger beroep. De rechtbank kan, in voorkomend geval, voor de situatie komen te staan dat zij zich enerzijds dient te richten naar het in dit arrest gegeven oordeel en dus vandaaruit de procedure voortzet doch vervolgens, als het hof anders oordeelt over het op de kartelschadevorderingen toepasselijk recht, opnieuw moet oordelen over de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies nu wel tegen zich dienen te laten gelden en (dus) bevrijdend aan Equilib kunnen betalen.
4.28.
In die situatie acht het hof voorshands (rol)voeging van dit tussentijds appel met het andere wenselijk. Dat zou betekenen, dat de beslissing in deze zaak wordt aangehouden totdat in de andere zaak de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, waarna dan in beginsel beslist wordt over het toepasselijk recht. Daarna kan partijdebat volgen over de eventuele gevolgen van die beslissing voor de in deze zaak voorliggende vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden. Na de beslissing op dat punt zal de zaak dan worden terugverwezen naar de rechtbank.
Mede gelet op voormelde eerdere bespreking ter zitting zal het hof partijen de gelegenheid te geven zich over dat voornemen uit te laten bij akte.
4.29.
De zaak zal derhalve naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van Equilib met het doel als vermeld onder 4.22.2 en 4.28. De luchtvaartmaatschappijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld een antwoordakte te nemen.
4.30.
Het hof ziet aanleiding ambtshalve te bepalen dat van dit arrest geen tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld.
5. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 21 april 2020 voor het nemen van een akte aan de zijde van Equilib met het doel als onder 4.22.2 en 4.28 vermeld, waarna de luchtvaartmaatschappijen ter rolle van 2 juni 2020 een akte kunnen nemen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, J.M. de Jongh en A.P. Wessels en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2020.