Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/6.5.c:6.5.c Karakter toegangsonderzoek
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/6.5.c
6.5.c Karakter toegangsonderzoek
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS605900:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 1; zie ook p. 22.
Kamerstukken I 2005/06, nr. C, p. 8.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 20, 22, 23 en 24.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 24 en Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 6, p. 3 en 6 suggereren dat dergelijk onderzoek niet hoeft, Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 39, 50; Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 6, p. 3 en 7 en Kamerstukken I 2005/06, 30320, nr. C, p. 11 duiden er (expliciet) op van wel.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gelet op het doel van invoering van de verlofregeling zal de wetgever in verlofgevallen een beperkt onderzoek voor ogen hebben gehad dat globaler kan zijn dan een volwaardige inhoudelijke toetsing van de strafzaak in beroep.1 Over de omvang en intensiteit van het toegangsonderzoek biedt artikel 410a Sv zelf weinig helderheid. Mag de verlofrechter bijvoorbeeld getuigen horen en bestaat evenals in de reguliere procedure de ruimte grieven alsnog mondeling in te dienen of toe te lichten? Volgens de wetgever is het antwoord negatief en kan “een parallel […] worden getrokken met de rechter-commissaris, […] die in het kader van het vooronderzoek ook vele beslissingen neemt enkel op basis van de stukken”.2 De verlofrechter oordeelt dus over de toegang zonder dat een zitting plaatsvindt en baseert zijn beslissing dus enkel op schriftelijk materiaal.
De schriftuur met bezwaren zou volgens de toelichting bij het verlofonderzoek richtinggevend moeten zijn.3 Dat wil evenwel niet zeggen dat de voorzitter in zijn beoordeling beperkt is door de naar voren gebrachte grieven: “[h]et ingestelde beroep en de ingediende schriftuur vormen slechts de aanleiding voor de beoordeling die de voorzitter […] in een met redenen omklede beschikking maakt”.4 Ook op andere plaatsen in de parlementaire stukken wordt benadrukt dat de voorzitter zijn bevoegdheid ambtshalve onderzoek te doen en daarop te beslissen behoudt en zelfs ook dient te gebruiken. De belangrijke vraag of de voorzitter ook ambtshalve onderzoek in de strafzaak moet verrichten als geen schriftuur is ingediend, wordt tegenstrijdig beantwoord.5