Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/6.6.2.4
6.6.2.4 Precontractuele gebondenheid bij toepassing van art. 7:2 BW in de rechtspraak
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS303028:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een wat merkwaardige, schijnbaar innerlijk tegenstrijdige uitspraak waarin geen duidelijke keuze wordt gemaakt: Hof Leeuwarden, 14 februari 2007, LJN: AZ8657 waarin het Hof beide standpunten lijkt te hebben willen combineren door te overwegen: 'Naar oordeel van het hof strookt het niet met het schriftelijkheidsvereiste, dat zowel in het belang van de koper als in dat van de verkoper op straffe van nietigheid van de overeenkomst is voorgeschreven, om reeds aan het enkele bestaan van mondelinge wilsovereenstemming een rechtsgevolg te verbinden in die zin dat de verkoper verplicht wordt mee te werken aan de totstandkoming van de voor de koop vereiste schriftelijke akte.' (r.o. 13) De verplichting tot medewerking zou wel kunnen voortvloeien uit de precontractuele goede trouw, maar daarbij moet volgens de Hoge Raad een strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf worden aangehouden (IIR 12 augustus 2005, NJ 2005, 467) (r.o. 14-18).
Vzr Rb. Arnhem, 7 juli 2006, LJN: AY4055.
Vzr Rb. Arnhem, 20 maart 2006, LJN: AW2754.
Rb. Zutphen, 8 juli 2005, NJF 2005, 375.
Precontractuele gebondenheid met betrekking tot art. 7:2 BW op grond van de mondeling reeds bereikte overeenstemming is te vinden in de navolgende uitspraken:1
Vznr. Rb. Arnhem, 7 juli 20062
Partijen hebben mondelinge overeenstemming bereikt, waardoor de rechtbank constateert dat partijen een overeenkomst hebben gesloten die afgezien van het schriftelijkheidsvereiste perfect was. Zich baserend op de wetgeschiedenis, oordeelt de rechtbank voorts dat [gedaagde] op grond van die overeenstemming verplicht is mee te werken aan de schriftelijke totstandbrenging van de overeenkomst. (r.o. 4.10, zie ook r.o. 4.8-4.9)
Vznr. Rb. Arnhem, 20 maart 20063
Denkbaar is (...) dat op de verkoper onder omstandigheden een verplichting rust tot medewerking aan het tot stand brengen van de koopovereenkomst door het opmaken van de daarvoor vereiste akte. Dat zal het geval kunnen zijn, indien — zoals hier — bij de koper het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat er een koopovereenkomst tot stand gebracht zal worden en het mondelinge akkoord tussen partijen — het vormvereiste van art. 7:2 lid 1 weggedacht — de beoogde rechtens bindende hoofdovereenkomst zou opleveren. Daarbij verdient tevens aandacht dat dit vorm-/schriftelijkheidsvereiste behalve uit oogpunt van duidelijkheid omtrent het tijdstip waarop tussen partijen overeenstemming is bereikt, in de wet tevens is opgenomen ter bescherming van de koper vanwege (het moment van aanvang van) de wettelijke bedenktijd van drie dagen van de koper teneinde deze te behoeden voor overhaaste aankopen. Het voorgaande neemt niet weg dat de verkoper zich na een bereikt mondeling akkoord alsnog kan terugtrekken zolang de koop niet door beide partijen schriftelijk is vastgelegd, mits hij dit uitdrukkelijk heeft bedongen. (r.o. 4.4)
Rb. Zutphen, 8 juli 20054
Voorshands [is] voldoende aannemelijk dat tussen partijen een zodanig volledig mondeling akkoord is bereikt voor de verkoop van het registergoed door [gedaagde] aan [eiser] dat, zou geen vormvereiste voor de koop gelden, dat akkoord de beoogde rechtens bindende hoofdovereenkomst zou opleveren. [gedaagde] is derhalve in beginsel gehouden medewerking te verlenen aan het opmaken van de voor totstandbrenging vereiste akte indien de gerechtvaardigde belangen van [eiser] dit zouden meebrengen. (r.o. 4.6)