Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.1:3.1 Inleiding
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233599:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 26 maart 1962, 369 U.S. 186 (Baker v. Carr). Vgl. ook Cohen 2017, p. 11: ‘The Court sought to bring some coherence to [the] somewhat random set of political questions and define more clearly when the courts should or should not invoke it in Baker v. Carr.’
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het vorige hoofdstuk ben ik nader ingegaan op het ontstaan en de aanvankelijke toepassing van de Amerikaanse political question-doctrine door het Amerikaanse Hooggerechtshof. Zoals beschreven, heeft het Hof in Marbury v. Madison uit 1803 de basis voor de doctrine gelegd, door te erkennen dat er geschillen kunnen zijn waarover de rechter zich niet inhoudelijk moet uitspreken. Sindsdien heeft het Hof in diverse zaken een political question aanwezig geacht. Deze zaken raken aan uiteenlopende onderwerpen, zoals de vormgeving van het buitenlands beleid, het openbaar bestuur van de deelstaten, het wijzigen van de Amerikaanse Grondwet, de vaststelling van kiesdistricten en de rechtspositie van native Americans. Van een heldere, vastomlijnde doctrine was aanvankelijk echter geen sprake. Zoals hierna zal blijken, leek het Hof zich hiervan bewust en zou het de doctrine in latere rechtspraak verduidelijken. De zaak Baker v. Carr uit 1962 vormt het vertrekpunt daarvan.1