Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.3
3.3 De Baker-factoren nader bezien
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233752:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook Tushnet 2002, p. 12-13; Tushnet 2007, p. 50-56. De hiervoor besproken koppeling van de doctrine aan het leerstuk van justiciability en het ‘case-or-controversy’-vereiste uit artikel III, § 2, van de Amerikaanse Grondwet raakt aan de procesrechtelijke inkadering van de doctrine. Zie daarover paragraaf 5.4 hierna.
U.S. Supreme Court 26 maart 1962, 369 U.S. 186 (Baker v. Carr), 216.
Zie in dezelfde zin bijv. Endicott 2010, p. 543.
Zie ook Barkow 2007, p. 35: ‘To dismiss on political question grounds, at least one of these factors must be applicable.’ Zie ook de in hoofdstuk 4 te bespreken lagere rechtspraak.
Zie bijv. Shemtob 2016; Michel 2013; Barkow 2007. Vgl. ook De Werd 2004, p. 80-81.
Sommige auteurs beschouwen de tweede Baker-factor echter ook als ‘prudential’ en niet als tekstueel. Zie bijv. Park 2016, p. 274-276; Cunningham 2018, p. 1528 en 1543-1544; Gentithes 2020, p. 1095. Ook dit standpunt lijkt mij verdedigbaar. Zie paragraaf 12.8 hierna. Toch ga ik er op deze plaats van uit dat de tweede factor in beginsel een theoretisch karakter heeft omdat voor de toepassing daarvan, althans in theorie, in beginsel moet worden teruggevallen op de tekst van de wet.
U.S. Supreme Court 13 januari 1993, 506 U.S. 224 (Walter Nixon v. United States), 228-229: ‘[T]he concept of a textual commitment to a coordinate political department is not completely separate from the concept of a lack of judicially discoverable and manageable standards for resolving it; the lack of judicially manageable standards may strengthen the conclusion that there is a textually demonstrable commitment to a coordinate branch.’
U.S. Supreme Court 26 maart 1962, 369 U.S. 186 (Baker v. Carr), 211: ‘[T]here are sweeping statements to the effect that all questions touching foreign relations are political questions. Not only does resolution of such issues frequently turn on standards that defy judicial application, or involve the exercise of a discretion demonstrably committed to the executive or legislature, but many such questions uniquely demand single-voiced statement of the Government's views.’
Zie bijv. Abebe 2012; Franck 1992, p. 5; Endicott 2010, p. 543.
Zie ook Barkow 2002, p. 265: ‘The Court in Baker […] recognized not only the classical theory of the political question doctrine (the first factor and perhaps the second, depending on whether it is used to inform the first), but the prudential strand as well (the remaining four factors and perhaps the second).’
Vgl. U.S. Supreme Court 26 maart 2012, 566 U.S. 189 (Zivotofsky v. Clinton), 203-205 (Sotomayor, J., concurring). Daarin maakt Sotomayor een vergelijkbaar onderscheid. Wel schaart zij de derde factor bij de tweede factor. Zie ook Park 2016, p. 274-278.
Alvorens in te gaan op de relevante rechtspraak na Baker v. Carr, bespreek ik voor een goed begrip daarvan op deze plaats nogmaals kort de verschillende Baker-factoren. Daarbij moet worden bedacht dat deze factoren het toepassingsbereik van de political question-doctrine bepalen.1 Voor een goed begrip van de hierna te bespreken rechtspraak, richt ik mij op deze plaats in het bijzonder op de aard van de factoren en hun onderlinge samenhang.
Vertrekpunt hierbij vormt de volgende overweging van het Hof in Baker v. Carr:
‘Unless one of these formulations is inextricable from the case at bare, there should be no dismissal for nonjusticiability on the ground of a political question’s presence.’2
Uit deze overweging volgt dat de rechter niet lichtvaardig tot het oordeel mag komen dat van een political question sprake is. De aanwezigheid van een of meer Baker-factoren moet, met andere woorden, voldoende evident zijn.3 Tegelijkertijd hoeft niet aan alle factoren te zijn voldaan. De aanwezigheid van slechts één of enkele van deze factoren zou reeds voldoende kunnen zijn. De factoren hebben in zoverre een alternatief en geen cumulatief karakter.4
Inhoudelijk kunnen de Baker-factoren worden onderverdeeld in tekstuele en meer pragmatische (‘prudential’) factoren.5 De eerste twee factoren zijn in theorie tekstueel van aard: zoals de hierna te bespreken rechtspraak bevestigt, moet voor het antwoord op de vraag of het geschil raakt aan een beleidsterrein of een onderwerp dat grondwettelijk gezien moet worden geacht aan de andere staatsmachten te zijn opgedragen, dan wel of er concrete en bruikbare rechtsnormen zijn om het geschil te beslissen, in beginsel worden teruggevallen op de tekst van de wet, meer in het bijzonder van de Amerikaanse Grondwet.6 Daarbij wordt aangenomen dat het ontbreken van concrete en bruikbare rechtsnormen bij kan dragen aan het oordeel dat sprake is van een geschil dat grondwettelijk gezien moet worden geacht aan de andere staatsmachten te zijn opgedragen. De tweede factor kan in zoverre de eerste factor versterken.7
Bij de vier overige Baker-factoren is dit anders. Bij deze factoren gaat het erom of er beleidsbeslissingen noodzakelijk zijn met een politiek en geen juridisch karakter voordat het geschil inhoudelijk kan worden beoordeeld, of de rechter met een inhoudelijke beoordeling niet langer de binnen de trias vereiste afstand ten opzichte van de andere staatsmachten zou bewaren, of er sprake is van een bijzondere noodzaak om een eerdere, politieke beslissing van een van de andere staatsmachten te respecteren, en of een inhoudelijk oordeel kan leiden tot mogelijke ‘embarrassment’ als gevolg van uiteenlopende standpunten van de verschillende staatsmachten over hetzelfde onderwerp. Deze factoren hebben een pragmatisch karakter en kunnen een inhoudelijke beoordeling anderszins onwenselijk maken. Aangenomen wordt dat deze factoren mede verband houden met het buitenlands beleid en de gedachte dat dit beleid zoveel mogelijk eenduidig en uniform moet zijn.8 Een inhoudelijk oordeel van de rechter zou daarmee op gespannen voet kunnen staan en de vormgeving van een eenduidig en uniform buitenlands beleid kunnen compliceren.9
Dit onderscheid tussen tekstuele en pragmatische factoren komt in essentie overeen met het in de literatuur en reeds in het vorige hoofdstuk besproken onderscheid tussen een klassieke en pragmatische variant van de political question-doctrine. De klassieke variant van de doctrine ligt besloten in de eerste Baker-factor alsmede in de tweede factor, voor zover deze tweede factor de eerste factor versterkt.10 De overige factoren vormen de pragmatische variant van de doctrine. Het in Baker v. Carr geschetste toetsingskader in de vorm van zes afzonderlijke factoren integreert aldus beide varianten van de doctrine, tot een combinatie van factoren die kunnen maken dat de rechter een geschil niet ‘mag’ of ‘kan’ beslechten, of dat ‘beter niet’ kan doen.11