Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/5.6.5
5.6.5 Rol van de voorzitter; informatie voor de hele de raad van toezicht
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS384897:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie wat betreft de rol van de voorzitter van de raad van toezicht van een woningcorporatie 3.22 GCW 2015 en wat betreft de voorzitter van de raad van commissarissen van een beursvennootschap: bepaling 2.3.6 NCGC 2016.
Zie wat betreft de voorzitter van de raad van commissarissen van een beursvennootschap: bepaling 2.3.6 NCGC 2016.
Zie het rapport op www.cultuur-ondernemen.nl/rapport-governance-het-nieuwe-instituut- gepubliceerd2.
Hof Amsterdam (OK) 2 november 2015, JOR 2016/61, met noot Van Schilfgaarde, RO 2016/8, Raaijmakers 2016 en Oostwouder & Scholten 2016.
R.o. 13.2 sub f.
Rol van de voorzitter
De voorzitter van de raad van toezicht speelt doorgaans een belangrijke rol in de contacten met het bestuur en met het eventuele medezeggenschapsorgaan.1 Aan de voorzitter kan de taak worden gegeven om namens de raad informatie te vergaren en te zorgen dat alle leden die informatie krijgen. Blijkens sommige codes dient de voorzitter er voor te zorgen dat leden van de raad van toezicht tijdig informatie ontvangen die nodig is voor de uitoefening van hun toezichthoudende taak.2 De (praktische) rol van de voorzitter op andere gebieden, zoals het zorgen voor de jaarlijkse beoordeling van bestuurders en (zelf)evaluatie van leden van de raad van toezicht komt overigens in hoofdstuk 8 aan de orde. De rol van de voorzitter in verband met good governance, waaronder zorgvuldige besluitvorming door de raad van toezicht, komt in hoofdstuk 7 aan de orde.
Collegialiteitsbeginsel
In de literatuur wordt aangenomen dat wat betreft het recht op informatie het collegialiteitsbeginsel geldt: het informatierecht komt toe aan de gehele raad van toezicht en niet aan een individueel lid.3 Vooral als de tijd dringt kan het bestuur informatie verstrekken aan de voorzitter van de raad van toezicht, waarna de voorzitter de andere leden zo spoedig mogelijk op de hoogte stelt en – voor zover nodig – een vergadering bijeenroept.
Van belang is dat een lid van de raad van toezicht informatie die hij ontvangt en die voor alle leden van de raad van toezicht relevant is, deelt met de andere leden van de raad van toezicht. Dit werd reeds genoemd naar aanleiding van het rapport over vermeende belangenverstrengeling bij Het Nieuwe Instituut (HNI).4 In de Meavita-beschikking van de Ondernemingskamer (OK) kwam eveneens het belang van het delen van de informatie met de overige leden aan de orde.5 De OK verweet de voorzitter van de raad van commissarissen van Stichting Meavita Nederland in het bijzonder dat hij het functioneren van de raad van commissarissen belemmerde door informatie over het slecht presteren van de bestuurder niet met zijn medecommissarissen te delen. De voorzitter had volgens de OK afbreuk gedaan aan het goede functioneren van de raad van commissarissen en aan de raad van commissarissen de mogelijkheid ontnomen in een eerder stadium over de positie van de bestuurder te beraadslagen en de ontbrekende informatie daarin te betrekken en naar aanleiding daarvan al dan niet maatregelen te nemen.6 Het niet informeren van medecommissarissen was volgens de OK in dit geval onaanvaardbaar; de vrees voor oppositie en/of aftreden van de raad van commissarissen vormden daarvoor geen rechtvaardiging.