De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/1.5.1:1.5.1 De onderzoeksvraag
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/1.5.1
1.5.1 De onderzoeksvraag
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232405:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over artikel 2:5 BW, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/55.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek gaat niet over de stichting en het erfrecht, maar over de Nederlandse bij dode opgerichte stichting als zodanig. De onderzoeksvraag is of de bij dode opgerichte stichting een bijzondere stichting is:
door haar door het erfrecht bepaalde positie, de regeling van de stichting als uiterste wilsbeschikking (de wettelijke regeling van de bij dode opgerichte stichting); en
door haar in het erfrecht bepaalde positie, als erfgenaam, legataris, lastbevoordeelde, executeur, enzovoort (de bij dode opgerichte stichting als subject in het erfrecht).
Hierbij maak ik twee concretiseringen. De eerste concretisering heeft betrekking op de wettelijke regeling van de bij dode opgerichte stichting en ziet op de vraag of de bij dode opgerichte stichting een bijzondere stichting is in vergelijking met een voor het overlijden van de erflater opgerichte stichting, zowel ten aanzien van het rechtspersonenrecht als ten aanzien van het erfrecht. De vraag die hierbij aan de orde komt, is of voor de bij dode opgerichte stichting afwijkende regels gelden ten opzichte van de bij leven opgerichte stichting en zo ja, welke zijn dat en waarom het onderscheid bestaat. De tweede concretisering gaat over de vraag of de bij dode opgerichte stichting binnen de regels van het erfrecht anders wordt behandeld dan de bij leven opgerichte stichting of een natuurlijk persoon en heeft daardoor betrekking op de bij dode opgerichte stichting als subject in het erfrecht.
Van belang hierbij is artikel 2:5 BW, dat op vermogensrechtelijk gebied natuurlijke personen en rechtspersonen zoveel mogelijk gelijkstelt:
‘Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijk persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit.’1
Als op een gebied van het vermogensrecht verschillen tussen natuurlijke personen en rechtspersonen als de stichting (kunnen) voortvloeien is dat wel het erfrecht. Het erfrecht gaat immers uit van de sterfelijkheid van de gerechtigde tot vermogen. De stichting heeft in beginsel echter het ‘eeuwige leven’.
De omschrijving van de onderzoeksvraag leidt als vanzelf naar de vraag van wat wel en wat niet tot de onderzoeksvraag te rekenen. Anders gezegd: hoe grens ik de onderzoeksvraag af?