Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/9.5.3
9.5.3 Suggesties voor nader onderzoek
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268490:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Advies van ESMA voor het integreren van duurzaamheidsrisico’s in beleid bij beleggingsondernemingen van 30 april 2019, ESMA35-43-1737, https://www.esma.europa.eu/document/final-report-integrating-sustainability-risks-and-factors-in-mifid-ii.
Advies van ESMA voor het integreren van duurzaamheidsrisico’s in beleid bij beheerders van icbe’s en belegginginstellingen van 30 april 2019, ESMA34-45-688, https://www.esma.europa.eu/document/final-report-integrating-sustainability-risks-and-factors-in-ucits-directive-and-aifmd. ESMA adviseert hiertoe een nieuw artikel in te voegen in art. 9.2 onder g in de Gedelegeerde Verordening (EU) 2010/43 en een nieuw artikel 60.2 onder i in de Gedelegeerde Verordening (EU) 231/2013.
EBA Action Plan on sustainable finance van 6 december 2019, https://eba.europa.eu/financial-innovation-and-fintech/sustainable-finance.
ECB, concept “Guide on climate-related and environmental risks, Supervisory expectations relating to risk management and disclosure,” mei 2020 (Verwachting 3). Zie https://www.bankingsupervision.europa.eu/legalframework/publiccons/html/climate-related_risks.en.html.
Opinie van EIOPA van 30 september 2019 (EIOPA Opinion on Sustainability within Solvency II, EIOPA-BoS-19/241) en advies van EIOPA over het integreren van duurzaamheidsrisico’s in het beleid van verzekeraars van 30 april 2019 (EIOPA-BoS-19/172, https://www.eiopa.europa.eu/content/eiopa-submits-advice-sustainable-finance-european-commission_en), in het bijzonder punt 84-92. EIOPA verwijst hierbij naar het advies van de High-Level Expert Group on Sustainable Finance om duurzaamheidsrisico’s een expliciet onderdeel uit te laten maken van de geschiktheids- en betrouwbaarheidstoetsing (fit and proper-test). Toezichthouders zouden zowel op individueel als collectief niveau moeten kunnen toetsen of afdoende rekening wordt gehouden met deze risico’s, of de bredere “stakeholder-context” wordt begrepen, of rekening wordt gehouden met duurzaamheidsvoorkeuren van de klant en of de benodigde vaardigheden en competenties aanwezig zijn om duurzaamheidsrisico’s adequaat te adresseren. De High Level Expert Group deed een aantal concrete voorstellen om de regelgeving bij banken, beleggingsondernemingen en verzekeraars hiertoe aan te passen. Zie High-Level Expert Group on Sustainable Finance, “Financing a sustainable European economy. Final report” van 31 januari 2018 (https://ec.europa.eu/info/publications/180131-sustainable-finance-report_en), p. 38-41. De voorstellen van de High-Level Expert Group werden echter niet door de Europese Commissie overgenomen in het Action Plan uit 2018.
Network for Greening the Financial System, “A call for action. Climate change as a source of financial risk. First comprehensive report,” april 2019 (aanbeveling 1) en “Guide for Supervisors: integrating climate-related and environmental risks into prudential supervision. Technical document”, NGFS Publications, mei 2020 (zie met name p. 39-41).
Kamerstukken II, 2018/19, 32 013, nr. 220, p. 2 en 8. Zie voor wat betreft de toezichtprioriteiten van DNB ook DNB, ‘Visie op Toezicht 2018-2022’, te vinden op dnb.nl.
Zie over de integratie van klimaat-gerelateerde risico’s in het pensioentoezicht bijvoorbeeld R. Maatman & E. Huijzer, ‘15 years of the prudent person rule: pension funds, ESG factors and sustainable investing’, in: F.J. Beekhoven van den Boezem, C. Jansen & B. Schuijling (red.), Sustainability and financial markets (Series Law of Business and Finance, Volume 17), Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 255-280.
De relatie tussen klimaatverandering en personentoetsingen was ten tijde van het schrijven van hoofdstuk 5 en de afsluiting van dit hoofdstuk op 1 december 2018 nog goeddeels “pionieren”. De ontwikkelingen zijn sindsdien echter snel gegaan. In korte tijd lijkt een breed gedragen consensus te zijn ontstaan voor de gedachte dat de hoogste leiding de verantwoordelijkheid dient te nemen voor de beheersing van klimaat- gerelateerde risico’s in de organisatie, en dat toezichthouders erop dienen toe te zien dat dit daadwerkelijk gebeurt.
Zo adviseerde ESMA in 2019 dat het hoger management en het bestuur bij beleggingsondernemingen, net als de afdelingen audit en compliance, duurzaamheidsrisico’s bij de uitvoering van hun taken moeten betrekken1 en dat het hoger management en het bestuur bij beheerders van icbe’s en beleggingsinstellingen verantwoordelijk zijn voor de integratie van duurzaamheidsrisico’s in de onderneming.2 In diezelfde lijn heeft EBA aanbevolen om duurzaamheidsrisico’s te integreren in de strategie en risicomanagementprocessen van banken,3 aangevuld door de ECB die in mei 2020 duidelijke verwachtingen heeft geformuleerd: “The management body is expected to consider climate-related and environmental risks when developing the institution’s overall business strategy, business objectives and risk management framework and to exercise effective oversight of climate-related and environmental risks.”4
Daarnaast heeft EIOPA in april 2019 aangegeven dat de EIOPA-Richtsnoeren voor het governance-systeem dienen te worden aangepast om te verduidelijken dat duurzaamheid onderdeel vormt van de (collectieve) geschiktheidseisen. De benodigde geschiktheid bestaat, aldus EIOPA, immers niet alleen uit kwalificaties, kennis en ervaring met verzekeren en de financiële sector.5
Ook kan gewezen worden op de rapporten uit april 2019 en mei 2020 van het Network for Greening the Financial System (NGFS), een wereldwijd netwerk bestaande uit 34 toezichthouders en centrale banken.6 Door het NGFS wordt aanbevolen dat toezichthouders klimaat-gerelateerde risico’s betrekken bij de uitvoering van het prudentieel toezicht. Gezien de centrale rol van het bestuur en de RvC bij het adresseren van klimaat- gerelateerde risico’s en het geven van de bijbehorende strategische sturing, moeten toezichthouders zich er van verzekeren dat klimaat- gerelateerde risico’s goed worden begrepen en besproken door het bestuur en de RvC, dat deze risico’s worden meegewogen bij de uitvoering van het risicomanagement en investeringsbeslissingen en verankerd worden in de strategie. Deze aanbevelingen sluiten aan bij de Kamerbrief “Verkenning markt voor groene financiering” uit augustus 2019, waarin de Minister van Financiën zich voorstander toont van een verdere integratie van duurzaamheidsrisico’s in het toezicht van DNB, de AFM en de Europese toezichthoudende autoriteiten.7
Vervolgonderzoek kan zich richten op het nader bestuderen van deze ontwikkelingen en de voortschrijdende integratie van het onderwerp klimaat in het leerstuk van de personentoetsingen. Aan de hand daarvan kan worden onderzocht in hoeverre inmiddels is geëxpliciteerd dat klimaat-gerelateerde risico’s bij de uitvoering van personentoetsingen kunnen worden betrokken, in hoeverre dit in de praktijk ook daadwerkelijk gebeurt en of nadere wet- en regelgeving (op hoger Europees niveau) is gewenst. Onderscheid kan daarbij worden gemaakt tussen de verschillende sectoren, waaronder de in hoofdstuk 5 genoemde banken, verzekeraars, beleggingsondernemingen, beheerders van beleggingsinstellingen en beheerders van een icbe. De pensioenfondsen zijn in hoofdstuk 5 onbesproken gebleven. De pensioenfondsen staan echter onder meer door de omvangrijke beleggingsportefeuilles in het hart van de klimaatdiscussie, en het zou goed zijn om ook deze sector in het vervolgonderzoek te betrekken.8