Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/2.5
5 Het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS384010:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
HR 1 april 1949, NJ 1949, 465.
HR 21 januari 1955, NJ 1959, 43.
Zie voor een rechtshistorische beschrijving van de periode daarvoor Koelemeijer 1999, p. 5 e.v.
Van der Grinten 1953, p. 85.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 394, geven terecht aan dat het hier archetypen betreft en dat in werkelijkheid de tegenstelling tussen die modellen minder scherp is.
Delfos-Roy 1997, p. 11.
Maeijer 1964, p. 2.
Löwensteyn 1959, p. 237 en 238.
Maeijer 1982, p. 4 en Maeijer 1990, p. 465 e.v.
Mendel 1989, p. 10.
Van Schilfgaarde/Winter 2013, p. 28.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 394.
Winter 1992, p. 103. Ik zie in deze opvatting een parallel met de door Johnson, Scholes en Whittington gegeven omschrijving van het begrip strategisch beleid (zie onder 1 van dit hoofdstuk).
Löwensteyn 1959, p. 181.
Van der Grinten 1959, p. 512.
Blanco Fernández 1993, p. 49; zie ook zijn annotatie bij OK 17 januari 2007, JOR 2007/42 (Stork).
Assink 2010, p. 41 e.v.
Bij de bepaling van een goed strategisch beleid staat het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming centraal. De ontwikkeling van het denken over dat belang is ingezet met het verschijnen van de arresten Doetinchemse IJzergieterij1 en Forumbank.2 Ik zal geen uitgebreide beschrijving geven van de inhoud van die arresten en de rechtstheoretische beschouwingen die tot de huidige opvattingen over het belang van de vennootschap en de onderneming hebben geleid; dat is al voldoende door anderen gedaan. Niettemin mag een beknopte omschrijving van deze ontwikkeling hier niet ontbreken. Het belang van de vennootschap vormt ook de kern van de zaak waar het gaat om de positiebepaling van de werknemers jegens het strategisch beleid van die vennootschap.
De leer van het belang van de vennootschap heeft zich ontwikkeld in de tweede helft van de vorige eeuw.3 Aanvankelijk werd de naamloze vennootschap gezien als een verenigingsverband van aandeelhouders. Het bestuur en de raad van commissarissen namen een ondergeschikte positie in. Exemplarisch daarvoor is de opvatting van Van der Grinten4 uit 1953, die het belang van de vennootschap duidde vanuit de gedachte van een samenwerkingsverband van vennoten tot het bereiken van stoffelijk voordeel: winst. Dat winststreven behoorde zijns inziens tot het wezen van de vennootschap en uit haar doel volgde dat haar belang onlosmakelijk verbonden was met het belang van haar aandeelhouders. De vennootschap had in zijn visie geen eigen belang, maar was de rechtens verpersoonlijkte band tussen haar leden. Het werkelijke belang van de vennootschap was het belang van de gezamenlijke leden.
Deze opvatting is gewijzigd in een algemeen aanvaard principe dat de vennootschap een eigen, zelfstandige identiteit heeft met een eigen belang. Traditioneel worden op dit punt drie denkrichtingen onderscheiden. Twee daarvan kennen het vennootschappelijk belang als samenwerkingsverband een eigen plaats toe, zij het dat hun uitwerking verschillend is. Daarbinnen staan aan de ene kant degenen die het vennootschappelijk belang zien als de resultante van de afweging van de in aanmerking komende deelbelangen, en aan de andere kant degenen die menen dat het een eigen, van deelbelangen van anderen te onderscheiden belang betreft dat wordt bepaald door het doel van de vennootschap. Een derde denkrichting is dat het vennootschapsbelang geen zelfstandige betekenis toekomt, maar niets anders is dan het belang van de aandeelhouders. De eerste twee benaderingen worden wel aangeduid als het stakeholdersmodel; de derde is dan het aandeelhoudersmodel.5
De theorie van het vennootschappelijk belang vindt zijn grondslag in twee rechtsoverwegingen die de Hoge Raad in bovengenoemde arresten heeft geformuleerd. In de Doetinchemse IJzergieterij-zaak overwoog de Hoge Raad “dat evenwel commissarissen, rechten uitoefenende, die hun als orgaan der vennootschap zijn toegekend, zich hebben te richten naar het belang der vennootschap en dit moeten doen overwegen, indien dit naar hun oordeel in botsing komt met belangen van welken aandeelhouder ook.” Daarmee heeft de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht dat het bestuur en de raad van commissarissen zich bij hun taakvervulling niet uitsluitend moeten laten leiden door het belang van de aandeelhouders. Dit eigen belang van de vennootschap jegens afzonderlijke deelbelangen van bij de vennootschap betrokkenen geldt naast het belang van “welken aandeelhouder ook”, waaronder dus ook de 100%-aandeelhouder valt.6 In de zaak-Forumbank overwoog de Hoge Raad “dat ook de algemene vergadering de bij de wet en statuten getrokken grenzen harer bevoegdheid niet mag overschrijden.”
Deze laatste overweging heeft Maeijer in zijn oratie van 1964 tot de conclusie gebracht dat de algemene vergadering van aandeelhouders niet langer als de hoogste macht in de vennootschap kon worden beschouwd.7 Hij zette zich af tegen de onder meer in de dissertatie van Löwensteyn8 verkondigde opvatting dat het belang van de vennootschap niets anders is dan het belang van alle aandeelhouders om winst te behalen. Volgens Maeijer kon niet langer worden ontkend dat het vennootschappelijk belang iets anders en meer is dan het belang van de gezamenlijke aandeelhouders. Hij definieerde het vennootschappelijk belang als het belang dat de vennootschap heeft bij haar eigen gezonde bestaan, uitgroei en voortbestaan met het oog op het door haar te bereiken doel. Dat doel is uiteindelijk gericht op het behalen van winst, op de rentabiliteit van het bijeengebrachte kapitaal; de winst komt in beginsel toe aan de aandeelhouders. Aandeelhouders zijn bij het nastreven van eigen belangen volgens Maeijer aan beperkingen gebonden: dat brengt met zich mee dat de aandeelhouder bij het dienen van het eigen belang het belang van de vennootschap mede in het oog moet houden. Later heeft Maeijer die opvatting verfijnd en gesteld dat onder het begrip vennootschappelijk belang ook de continuïteit van de door de vennootschap gedreven onderneming valt.9 Zo stelt hij de begrenzingen in het handelen van aandeelhouders enerzijds en bestuur en commissarissen anderzijds tegenover elkaar, en noemt hij daarbij specifiek de belangen van de werknemers: “Het nastreven door bestuur en commissarissen van het belang van de vennootschap vindt zijn grenzen in de aanwezigheid van andere belangensferen, zoals die van aandeelhouders en m.i. ook die van werknemers: hun belangen moeten mede in het oog worden gehouden en zo nodig na afweging tegen het vennootschappelijk belang worden ontzien.”
De door Maeijer verdedigde opvatting, door Mendel omschreven als de ‘holistische’ benadering,10 wordt wel afgezet tegen de resultante-opvatting. Deze komt erop neer dat het vennootschappelijk belang wordt omschreven als de resultante van de afweging van belangen van hen die bij de vennootschappelijke werkzaamheden zijn betrokken. Deze opvatting wordt onder meer gehuldigd door Van Schilfgaarde.11 In zijn ogen dient weliswaar het belang van de vennootschap als zodanig te worden onderscheiden van de deelbelangen van de verschillende groepen en individuen, maar: “Dit vennootschapsbelang kan niettemin weinig anders zijn dan de resultante van de in casu in aanmerking komende deelbelangen, waaronder die van de aandeelhouders en de werknemers, die op korte termijn naast die op lange termijn. Aandacht voor de lange termijn betekent dat de continuïteit van de onderneming als een apart te benoemen belang gewicht in de schaal legt. Al deze belangen zullen moeten worden afgewogen om in een concreet geval tot een aanvaardbare bepaling van het vennootschapsbelang te komen. Dat een bepaald belang prioriteit heeft valt op voorhand niet te zeggen.” Van Solinge en Nieuwe Weme12 voegen daaraan toe dat in deze belangenafweging ook de belangen van het concern waarvan de vennootschap deel uitmaakt en het belang van de crediteuren in acht genomen moeten worden.
Ik vraag mij af of de zogenoemde holistische opvatting en de resultanteopvatting nu werkelijk zo lijnrecht tegenover elkaar staan als door sommigen wel wordt gesuggereerd. Beide opvattingen gaan uit van een zelfstandig belang van de vennootschap, dat niet te zeer geïnstitutionaliseerd moet worden. Beide laten ook ruimte voor een afweging van de belangen van werknemers en andere bij de vennootschap betrokkenen. Bovendien hechten beide opvattingen waarde aan de continuïteit van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming als een belang dat gediend moet worden en waartegen het belang van aandeelhouders (of andere belanghebbenden) het soms moet afleggen. Men kan zich zelfs afvragen of deze theoretische discussie de materie werkelijk verduidelijkt, althans of de twee benaderingen niet met elkaar kunnen worden verenigd. Winter meent dat dit laatste mogelijk is wanneer men ziet dat de bij de vennootschap betrokken belanghebbenden in algemene zin belang hebben bij de verwezenlijking van het doel van de vennootschap. Met dit doel duidt hij niet op het statutaire doel, maar op datgene waartoe de vennootschap functioneert, haar eigenlijke doel. De vennootschap en de met haar verbonden onderneming vervullen functies voor aandeelhouders, werknemers, consumenten, leveranciers, afnemers, financiers, etc. Het eigenlijke doel van de vennootschap is volgens Winter tegemoet te komen aan de behoeften van deze belanghebbenden.13
Ik signaleer wel een duidelijke tegenstelling tussen degenen die uitgaan van het belang van de vennootschap als zelfstandige identiteit en degenen die menen dat het belang van de vennootschap in wezen hetzelfde is als het belang van de aandeelhouders. Binnen die laatste opvatting bestaan gradaties. Een bijzondere benadering is die van Löwensteyn,14 die niet alleen het belang van de vennootschap gelijkstelt met het belang van alle aandeelhouders om winst te behalen, maar ook meent dat het inherent aan de rechtspersoonlijkheid van de vennootschap is dat aandeelhouders als ‘derden’ en werknemers zelfs als ‘buitenstaanders’ jegens de vennootschap zijn gepositioneerd. De vennootschap wordt in die opvatting dus in zodanige mate geïnstitutionaliseerd dat aandeelhouders en werknemers daarbuiten vallen, zij het dat aan het belang van die aandeelhouders als derden een beslissend gewicht wordt toegekend. Löwensteyns opvatting is onder meer bekritiseerd door Van der Grinten,15 die terecht stelt dat deze kwalificaties voorbijgaan aan het samenwerkingskarakter dat de vennootschap kenmerkt. Zij gaan bovendien voorbij aan het zelfstandige karakter van de rechtspersoon als draagster van eigen rechten en verplichtingen (zie hierna onder 6).
Een modernere variant van de aandeelhoudersbenadering valt te vinden bij Blanco Fernández die meent dat, omdat de naamloze en besloten vennootschap kapitaalassociaties zijn, als uitgangspunt moet gelden dat de wettelijk en statutair op correcte wijze tot stand gekomen wil van de meerderheid van het kapitaal bepalend is. Wanneer alle aandelen in één hand zijn, zal er in de regel parallellie bestaan tussen vennootschappelijk belang en aandeelhoudersbelang. Ook Blanco Fernández ziet beperkingen: “Bij zijn winststreven dient de aandeelhouder naar huidige rechtsopvattingen met name rekening te houden met de rechten van werknemers in dienst van de rechtspersoon. Het winststreven van de aandeelhouder vindt zijn grenzen daar waar de rechten van de werknemers onvoldoende in acht zijn genomen.”16
Assink heeft een andere opvatting van het belang van de vennootschap bepleit, die hij de perspectivistische benadering noemt.17 Hij maakt een indeling in drie perspectieven. De eerste heeft betrekking op het type vennootschap: werkmaatschappij (ondernemende vennootschap) of houdstervennootschap. De tweede indeling gaat uit van de ‘onderkant’ en de ‘bovenkant’ van de vennootschap. De onderkant heeft bij de ondernemende vennootschap betrekking op de onderneming en bij de houdstervennootschap op de deelnemingen. Het zal dan gaan om voortzetting, vervreemding of beëindiging van de onderneming respectievelijk om handhaving, uitbreiding of vervreemding van een of meer deelnemingen. De bovenkant betreft de positie van de aandeelhouder(s). De derde indeling gaat uit van de situatie waarin de vennootschap solvent is en waarin een faillissement onvermijdelijk is. Door deze indeling brengt hij flexibiliteit aan bij de beoordeling van het belang van de vennootschap en het bevorderen van waardecreatie in de verschillende situaties waarin dat belang een rol speelt.
Ik ben geen voorstander van de aandeelhoudersbenadering, omdat ik deze als te eenzijdig beschouw. Het uitgangspunt dat het belang van de vennootschap in wezen hetzelfde is als het aandeelhoudersbelang acht ik onjuist en niet te verenigen met de rechtspraak van de Hoge Raad en de Ondernemingskamer op dit punt (zie hierna onder 6, 7 en 8). Ik constateer dat ook de aanhangers van de aandeelhoudersbenadering erkennen dat aandeelhouders bij hun winststreven rekening moeten houden bij het belang van de werknemers. In die zin vertonen de beide benaderingen raakvlakken en zijn de tegenstellingen wellicht niet zo scherp als zij op het eerste gezicht lijken.
Ik zal nu ingaan op de rol van de spelers vanuit de vennootschap die invloed op haar belang kunnen uitoefenen. In dit hoofdstuk behandel ik alleen de organen van de vennootschap. De invloed van werknemers en de wijze waarop die is ontstaan zal ik in hoofdstuk 3 bespreken.