Heffingsmethoden, een valse dichotomie?
Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/1.7.4:1.7.4 Geen onderzoek naar de mogelijke invloed op het nalevingsgedrag van belastingplichtigen
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/1.7.4
1.7.4 Geen onderzoek naar de mogelijke invloed op het nalevingsgedrag van belastingplichtigen
Documentgegevens:
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS444752:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Jansma, 1965, p. 527 e.v.; VHMF, 2012, p. 6; en VHMF, 2013, p. 8 lk.
Zie onder anderen: Mansor, Saad & Ibrahim, 2004, p. 1-15; Lai & Choong, 2009; Palil, 2010, p. 36 en p. 136; Richardson, 2006, p. 150–169; en Sapiei & Kasipillai, 2013, p. 75-81.
Zie ook Cramwinckel, 2014, p. 299.
Gribnau, 2013, paragraaf 3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek heeft voor een deel betrekking op een onderwerp dat op dit moment kan rekenen op de nodige belangstelling in de fiscale wereld. Dit betreft de vraag of en in hoeverre de houding en het gedrag van belastingplichtigen (compliance) worden of kunnen worden beïnvloed door de keuze van de heffingsmethode. De Nederlandse inspecteursvereniging stelt bijvoorbeeld dat het nalevingsgedrag van belastingplichtigen kan worden bevorderd door hen meer eigen verantwoordelijkheid te geven bij het formaliseren van de materiële belastingschuld.1 Daarnaast zijn in de buitenlandse literatuur verschillende voorbeelden te vinden van de opvatting dat er een relatie is tussen meer eigen verantwoordelijkheid van belastingplichtigen en een hogere naleving.2 De onderzoeken waar in de literatuur naar wordt verwezen, roepen echter nog de vraag op of enkel en alleen de keuze voor een bepaalde heffingsmethode het nalevingsgedrag bevordert. Zo wordt uit de literatuur niet duidelijk of en in hoeverre in die onderzoeken rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van toegenomen belastingopbrengsten als gevolg van gelijktijdige economische groei in de betreffende landen. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid dat de belastingopbrengsten toenemen doordat het dienstverleningsniveau (al dan niet tijdelijk) wordt verhoogd en belastingplichtigen – ongeacht de heffingsmethode – zelf beter in staat zijn om hun fiscale verplichtingen na te komen3. Tevens is niet duidelijk of in deze onderzoeken oog is voor het effect van zogenoemde overcompliance (belastingplichtigen die uit angst voor het maken van fouten en daar eventueel mee verband houdende boetes meer aangeven dan zij op grond van de wet aan belasting zijn verschuldigd).4
De vraag of en hoe de keuze voor een specifieke heffingsmethode invloed heeft op het gedrag van belastingplichtigen vergt echter een onderzoek op zich. Dat zou bijvoorbeeld kunnen worden gemeten met behulp van een experiment of – in geval van een daadwerkelijk omzetting – met behulp van een effectmeting waarbij een meting wordt uitgevoerd voordat de interventie wordt ingevoerd (nulmeting) en achteraf. In beide gevallen is het eveneens van belang om eventuele neveneffecten en effecten van externe factoren zoveel mogelijk uit te sluiten. Naast specifieke onderzoeksvaardigheden – andere dan die van de juridische doctrinaire methode – vergt dit specialistische kennis van het gedrag van belastingplichtigen en hoe dat kan worden beïnvloed. Naast het feit dat ik niet over die kennis beschik, is het bovendien van belang om eerst meer kennis en inzicht te krijgen in de Nederlandse heffingsmethoden. Daar richt dit proefschrift zich op. De (mogelijke) invloed op het nalevingsgedrag blijft daarin om die reden verder buiten beschouwing. Mogelijk kan dit proefschrift wel een begin zijn voor vervolgonderzoek naar de gedragsbeïnvloedende kant van de heffingsmethoden, waarbij verschillende wetenschappelijke disciplines, waaronder de sociale wetenschap, worden betrokken.