Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.8.3
5.8.8.3 Dwingende volgorde vereisten artikel 2:404 lid 3 BW?
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648952:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. Van Zoest 2016; Schepel 2016 en Bungenberg 2015.
Auteurs die impliciet dan wel expliciet betogen dat de volgorde niet dwingend is, zijn onder andere Bartman in zijn annotatie bij Rb. Rotterdam 29 september 2015, JOR 2015/295; Van Zoest 2016; Snijder-Kuipers & Eliëns 2014, p. 1176-1180. Auteurs die van mening zijn dat de volgorde wel dwingend in acht zou moeten worden genomen zijn onder andere Beckman 2015-II in zijn commentaar bij artikel 2:404 BW en Schepel 2016.
Zie Rb. Rotterdam 29 september 2015, JOR 2015/295, waaruit lijkt voort te vloeien dat de Rechtbank Rotterdam niet struikelt over het niet in acht nemen van de volgorde waarin de voorwaarden zijn opgesomd in artikel 2:404 lid 3 BW.
Rb. Rotterdam 29 september 2015, JOR 2015/295.
Zie Kamerstukken II 1983/84, 16551, nr. 11, p. 16.
In het licht van vorenstaande vraagstukken reist de vraag of aan de voorwaarden van artikel 2:404 lid 3 sub a t/m sub d BW in een dwingende volgorde moeten worden voldaan.
Wordt een dwingende volgorde aangehouden, dan geldt ten eerste dat de (voorheen) vrijgestelde rechtspersoon de groep moet hebben verlaten (sub a). Vervolgens moet de mededeling van het voornemen tot beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid ten minste twee maanden lang ter inzage hebben gelegen ten kantore van het handelsregister (sub b) en moeten er ten minste twee maanden zijn verlopen na de aankondiging in een landelijk verspreid dagblad dat en waar de mededeling ter inzage ligt (sub c). Vervolgens moet blijken dat geen van de schuldeisers tijdig in verzet is gegaan of dat eventueel aangetekend verzet is ingetrokken dan wel bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak ongegrond is verklaard (sub d).1 Leest men deze bepaling zo dat de voorwaarden in een dwingende volgorde moeten worden nageleefd, dan zijn een hoop vragen opgelost. Praktisch is die benadering vanuit het oogpunt van juridische zekerheid zonder meer. Maar voor de praktijk betekent dit dat de procedure om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen niet anticiperend op de verkoop van een (voorheen) vrijgestelde dochtervennootschap kan worden gestart. Dat de voorwaarden in een dwingende volgorde moeten worden nageleefd, vloeit niet voort uit de wet. Mocht worden aangenomen dat de volgorde dwingend is, dan rijst de vraag wat de consequenties zijn wanneer de vereisten niet in deze volgorde worden voldaan.
De meningen in de literatuur over de vraag of de voorwaarden van artikel 2:404 lid 3 BW een dwingende volgorde kennen, zijn verdeeld.2 Rechtspraak op dit gebied is schaars.3 De Rechtbank Rotterdam heeft zich eenmalig over deze kwestie uitgelaten.4 De rechtbank zag geen bezwaar in het deponeren van een voornemen tot beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid en het publiceren van dit feit in een landelijk verspreid dagblad voordat de (voorheen) vrijgestelde dochtervennootschap in kwestie de groep had verlaten. Daarmee wordt het bestaan van een dwingende volgorde door de rechtbank dus niet aangenomen. Hoewel de rechtbank daar niet naar verwijst, vindt deze opvatting steun in de parlementaire geschiedenis. In de parlementaire geschiedenis is hierover het volgende te lezen:
“Overeenkomstig de bestaande regel is voor het beëindigen van de aansprakelijkheid een eerste vereiste dat de groepsmaatschappij die hoofdschuldenares is, niet meer tot de groep behoort. Pas het doorsnijden van de groepsband geeft aanleiding om ook de nog overgebleven banden wegens de eens afgelegde maar later ingetrokken aansprakelijkstelling af te wikkelen. Omdat het vervullen van de andere vereisten voor de mede aansprakelijke maatschappij met betrekking tot schulden die uit rechtshandelingen voortvloeien geen gat brengt zolang de groepsband nog bestaat, brengt dit vereiste haar ertoe pas een mededeling tot beëindiging van haar aansprakelijkheid te doen in het vooruitzicht op het slaken van de groeps-band.”5
Op basis van de beschikbare jurisprudentie en de parlementaire geschiedenis, zou de conclusie kunnen worden getrokken dat de volgorde waarin aan de voorwaarden van artikel 2:404 lid 3 BW dient te worden voldaan niet dwingend is.