Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.2.2.3
10.2.2.3 Vermoedens ten aanzien van de schuldgradatie (de mate van verwijtbaarheid)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940212:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een voorbeeld Hof Den Haag 21 juli 2022, V-N 2022/49.14, r.o. 6.1.2-6.11. Zie voorts par. 25 lid 4 BBBB (tekst tot 1 januari 2016) waarin dit uitdrukkelijk werd opgemerkt.
HR 27 april 1983, BNB 1983/184. De aangiften en de afdrachten loonheffing waren gebaseerd op aanzienlijk te lage schattingen, gedaan in verband met liquiditeitsproblemen, terwijl de betalingsverplichtingen daarentegen tot de juiste bedragen werden vermeld in de jaarstukken en de verzamelloonstaten correct werden ingediend.
HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.11.1-3.11.4, waarover nader in paragraaf 10.4. Zie voor een voorbeeld in het kader van verzwegen inkomsten uit hennepkweek Rb Den Haag 24 november 2016, V-N 2017/7.5, r.o. 23.
Zie daarover nader paragraaf 13.3.5.3.1.
Zie daarover nader paragraaf 6.4.2.
Zie daarover nader paragraaf 9.3.2.1. Zie voor enkele geslaagde voorbeelden: Hof Den Haag 5 januari 2021, V-N 2021/14.21.11, r.o. 5.1.1 e.v., Hof Den Haag 12 januari 2021, V-N 2021/17.24.28, r.o. 5.2 e.v. en Hof Arnhem 25 augustus 2009, nr. 08/0252, r.o. 4.9, kenbaar uit HR 28 oktober 2011, V-N 2011/53.15, BNB 2012/25. Vgl. ook de Aantekening van de redactie Vakstudie-Nieuws bij Hof Arnhem-Leeuwarden 8 april 2014, V-N 2014/39.4.
In de voorgaande paragrafen ging het voornamelijk om de vraag of aan de hand van vermoedens kan worden bewezen dat het kale beboetbare feit is begaan. Vermoedens kunnen echter ook als bewijsmiddel dienen om het bewijs van de voor vergrijpboetes vereiste schuldgradatie (opzet of grove schuld) te leveren.1 Zo heeft de Hoge Raad aan de passivering van niet-betaalde belasting op de balans, terwijl de aangiften waren ingediend naar lagere bedragen, het vermoeden ontleend dat het voor opzet vereiste wetens- en willens-element aanwezig moet zijn geweest.2 In de KBLux-zaken heeft de Hoge Raad voorts beslist dat aan het feit dat een boeteling aanzienlijke tegoeden heeft aangehouden in een land met een bankgeheim, het vermoeden kan worden ontleend dat zulks ook opzettelijk is gebeurd. Daarbij woog mee dat het van algemene bekendheid is dat dergelijke tegoeden en de vruchten daarvan moeten worden aangegeven.3 Net zoals het geval is bij het bewijs van het kale beboetbare feit ligt het echter niet voor de hand dat de inspecteur het bewijs van opzet of grove schuld ‘beyond reasonable doubt’ kan leveren met louter vermoedens.4
De gedachte dat een vermoeden van verwijtbaarheid ook reeds zou kunnen worden ontleend aan het enkel hebben begaan van het kale beboetbaar feit, moet hier scherp van worden onderscheiden. Een dergelijke redenering is principieel onhoudbaar: daarmee zou de onschuldpresumptie effectief buiten werking worden gesteld. De enkele vaststelling dát er een fout is gemaakt, zegt immers nog niets over het verwijt dat de boeteling ter zake van die fout kan worden gemaakt.5 In de hiervoor genoemde arresten heeft de Hoge Raad het verwijt dan ook terecht nadrukkelijk afgeleid uit deomstandighedenwaaronder die fout is gemaakt.
Afgezien van de situatie waarin de boeteling heeft bekend dat hij met opzet of grove schuld heeft gehandeld, zal de inspecteur voor het bewijs van de mate van verwijtbaarheid doorgaans ten minste ten dele zijn aangewezen op vermoedens.6