Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.4.6
I.3.4.6 Bescherming van het rechtsverkeer
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624142:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Wagner 1997, p. 33; Frey 1999, p. 89 en Halding-Hoppenheit 2003, p. 132, die allen als bron voor deze ‘functie’ verwijzen naar ‘Vogels, DR 1939, S. 310’ (een aantekening bij de hierboven aangehaalde uitspraak van het Reichsgericht , die ik niet heb kunnen achterhalen). Bij legaten en lastbevoordelingen is overigens geen sprake van onzekerheid indien de bevoegdheid om de verkrijger(s) te bepalen aan een derde is gedelegeerd. Hier gaat het immers niet om een opvolging onder algemene titel.
Zimmermann 1991, p. 39-40; Wagner 1997, p. 32-33; Frey 1999, p. 91 e.v.; Halding-Hoppenheit 2003, p. 132-133.
Zie ook § 2103: ‘Hat der Erblasser angeordnet, dass der Erbe mit dem Eintritt eines bestimmten Zeitpunkts oder Ereignisses die Erbschaft einem anderen herausgeben soll, so ist anzunehmen, dass der andere als Nacherbe eingesetzt ist.’
Zimmermann 1991, p. 39-40; Wagner 1997, p. 32-33; Frey 1999, p. 91 e.v.; Halding-Hoppenheit 2003, p. 89-94 en p. 133. Frey merkt overigens op dat § 2105 BGB het onverlet laat dat erflater uitdrukkelijk bepaalde personen tot ‘Vorerben’ benoemt. Tot de gedelegeerde zijn keuze omtrent de erfgenamen heeft gemaakt, zullen deze door erflater benoemde ‘Vorerben’ het aanspreekpunt voor schuldeisers van de nalatenschap zijn. Op de ‘voorwaarden-constructie’ kom ik uitgebreider terug in paragraaf 5.2. Zie in dit kader ook Kleijn 1969, p. 296.
Het behoeft geen betoog dat het rechtsverkeer gebaat is bij zekerheid en duidelijkheid. Overlijdt een persoon, dan is het voor bijvoorbeeld schuldeisers zeer wenselijk dat zij weten bij wie zij verhaal kunnen halen. De ongerustheid heeft bestaan dat Drittbestimmung deze zekerheid en duidelijkheid tekort zou doen. Wat immers als de gedelegeerde de bevoegdheid heeft om de erfgenamen aan te wijzen, maar zijn keuze hieromtrent vanwege laksheid uitblijft? Zou dan na het openvallen van de nalatenschap een Schwebezustand ontstaan waarmee schuldeisers van de nalatenschap, schuldeisers van potentiële erfgenamen, evenals de potentiële erfgenamen zelf, zich geen raad weten? En zou deze toestand het rechtvaardigen om een Drittbestimmungsverbot in de wet te verankeren?1
Zimmermann, Wagner, Frey en Halding-Hoppenheit betogen van niet.2 Zij benadrukken dat onzekerheid en onduidelijkheid omtrent de erfgenamen in het erfrecht niet ongewoon zijn. Van onduidelijkheid is bijvoorbeeld sprake in de gevallen waarin een nalatenschap nog niet is aanvaard en van onzekerheid is sprake indien een erfstelling afhankelijk is gemaakt van een opschortende gebeurtenis (opschortende voorwaarde). Onzeker is immers of de gebeurtenis in de toekomst zal plaatsvinden. De wet voorziet volgens de Duitse auteurs evenwel zelf in een passende oplossing om deze onzekerheid de baas te zijn. § 2105 BGB bepaalt namelijk dat:
‘I. Hat der Erblasser angeordnet, dass der eingesetzte Erbe die Erbschaft erst mit dem Eintritt eines bestimmten Zeitpunkts oder Ereignisses erhalten soll, ohne zu bestimmen, wer bis dahin Erbe sein soll, so sind die gesetzlichen Erben des Erblassers die Vorerben.
II. Das Gleiche gilt, wenn die Persönlichkeit des Erben durch ein erst nach dem Erbfall eintretendes Ereignis bestimmt werden soll oder wenn die Einsetzung einer zur Zeit des Erbfalls noch nicht gezeugten Person oder einer zu dieser Zeit noch nicht entstandenen juristischen Person als Erbe nach § 2101 als Nacherbeinsetzung anzusehen ist (curs. NB).’3
Is de erfstelling afhankelijk gemaakt van een onzekere toekomstige gebeurtenis en heeft de erflater niet bepaald wie erfgenaam is totdat deze gebeurtenis heeft plaatsgevonden, dan treden als erfgenaam op: de versterferfgenamen. Zij zijn erfgenamen onder ontbindende voorwaarde.
In paragraaf 1.3.4.2 maakte ik er notitie van dat de aanvankelijke onzekerheid die wilsdelegatie mee kan brengen tussen het moment dat de nalatenschap openvalt en het moment waarop de gedelegeerde zijn keuze maakt, wordt ondervangen door hetgeen ik de ‘voorwaarden-constructie’ noemde. Deze constructie is gelijk aan de idee van § 2105 BGB. Bovengenoemde auteurs zien hierin de troef om in het geval van Drittbestimmung niet voor onzekere situaties te hoeven vrezen. Tot het moment waarop de aanwijzing door de gedelegeerde plaatsvindt (de opschortende voorwaarde), treden de versterferfgenamen voor wat de activa en passiva betreft in erflaters voetsporen. Vindt de Drittbestimmung plaats, dan wordt dit stokje overgenomen door degene(n) die de gedelegeerde als erfgenaam heeft aangewezen. Van buitengewone rechtsonzekerheid, dat een verbod op Drittbestimmung zou rechtvaardigen, is dan ook geen sprake.4