Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.4:4.4 Verhouding tot het Unierecht
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.4
4.4 Verhouding tot het Unierecht
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS499139:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ondanks het feit dat de nationale regeling woordelijk op die van de Btw-richtlijn is afgestemd, meen ik dat er nogal wat af te dingen valt op de geldigheid van bepaalde aanvullende onderdelen van art. 29 Wet OB 1968. Ten eerste heb ik moeite met de overweging van de wetgever dat toepassing van de bepaling (art. 29 lid 1 Wet OB 1968) impliceert dat de vergoeding eerst in rekening moet zijn gebracht. Ten tweede meen ik vraagtekens te mogen zetten bij houdbaarheid van de éénjaarstermijn (art. 29 lid 2 Wet OB 1968). De onzekerheid over de aanvang van deze termijn staat naar mijn mening op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel en voor het fatale karakter van de termijn lijkt geen plaats te zijn. Ten derde bestaat in mijn optiek ernstige twijfel over de houdbaarheid van de correctie bij een ‘betaling alsnog’ (art. 29 lid 5 Wet OB 1968), aangezien een duidelijke Unierechtelijke grondslag simpelweg ontbreekt. Ten vierde staat ook de indeplaatstredingsregeling (art. 29 lid 6 Wet OB 1968) op losse schroeven. Net als de correctie op de correctie ontbeert het deze regeling aan een expliciete Unierechtelijke basis. Voor het overige acht ik art. 29 Wet OB 1968 (met inachtneming van de door mij hieraan gegeven uitleg) in overeenstemming met het Unierecht.