Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.5:4.5 Verhouding tot het rechtskarakter van de btw
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.5
4.5 Verhouding tot het rechtskarakter van de btw
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS501504:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Over de kwaliteit van de regeling merk ik het volgende op. Aangezien art. 90 lid 1 Btw-richtlijn geacht moet worden via art. 29 lid 1 Wet OB 1968 te zijn geïncorporeerd in de nationale rechtsorde, sluit ik wat betreft de verhouding tot het rechtskarakter van de btw in de eerste plaats aan bij mijn bevindingen in hoofdstuk 3 (paragraaf 3.4). Een van de manco’s van de regeling die ik daar heb benoemd, is de constatering dat een lidstaat, die niet-betaling opneemt in de lijst van gevallen waarin de maatstaf van heffing wordt verlaagd, als uitgangspunt het risico zal moeten accepteren dat (achteraf bezien) mogelijk ten onrechte een teruggaaf wordt verleend. Dit doet zich voor bij een latere ‘betaling alsnog’. Mede gelet hierop heb ik gemeend te moeten concluderen dat art. 90 Btw-richtlijn het rechtskarakter van de btw ‘slechts’ in meer dan voldoende mate eerbiedigt. Toepassing van art. 29 lid 5 Wet OB 1968 leidt er echter toe dat bedoeld manco onder het nationale recht wordt weggenomen. Aangezien de overige onderdelen van art. 29 Wet OB 1968, behoudens het fatale karakter van de éénjaarstermijn, eveneens recht doen aan het rechtskarakter van de btw, kom ik alles overwegende tot het oordeel dat het nationale recht in ruime mate hieraan beantwoordt.