Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.1:4.1 Inleiding
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS499058:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 1.4. Lid 7 en 8 staan centraal in hoofdstuk 6.
Door ‘niet-betaling’ op te nemen in de lijst van gevallen waaronder de maatstaf van heffing wordt verlaagd, geeft Nederland uitvoering aan art. 90 lid 1 Btw-richtlijn. De mogelijkheid om ‘niet-betaling’ op grond van art. 90 lid 2 Btw-richtlijn in het geheel van de herzieningsregels uit te sluiten (paragraaf 3.3.6.2) laat Nederland daarmee links liggen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit hoofdstuk analyseert de btw-positie van de leverancier bij niet-betaling in het Nederlandse recht. In dit hoofdstuk staat de in paragraaf 1.3 geformuleerde deelvraag b (beoordeeld vanuit de leverancier) centraal. Deze luidt:
Welke btw-gevolgen verbindt het nationale recht aan niet-betaling en hoe verhouden deze zich tot het Unierecht en het rechtskarakter van de btw?
De gevolgen van niet-betaling worden geregeld in art. 29 Wet OB 1968. Sinds 1 januari 2017 luidt deze bepaling (voor zover hier relevant):
In geval van annulering, verbreking, ontbinding of gehele of gedeeltelijke niet-betaling, of in geval van prijsvermindering nadat de goederenlevering of dienst is verricht, wordt de maatstaf van heffing dienovereenkomstig verlaagd en ontstaat voor de ondernemer in zoverre recht op teruggaaf van de door hem voldane belasting.
Het recht op teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de annulering, verbreking, ontbinding, gehele of gedeeltelijke niet-betaling of de prijsvermindering komen vast te staan, met dien verstande dat in geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de in rekening gebrachte vergoeding het recht op teruggaaf geacht wordt te zijn ontstaan uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden.
(...)
Het bedrag van de teruggaaf wordt in mindering gebracht in de aangifte voor het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.
Voor zover de vergoeding in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, alsnog geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen nadat het recht op teruggaaf is ontstaan, wordt de ondernemer de belasting ter zake van de alsnog ontvangen vergoeding verschuldigd op het tijdstip waarop die vergoeding wordt ontvangen. Artikel 14, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Ingeval een ondernemer zijn vordering ter zake van de levering van goederen of diensten geheel of gedeeltelijk overdraagt aan een andere ondernemer, treedt deze andere ondernemer met betrekking tot die vordering of het overgedragen gedeelte daarvan voor de toepassing van het eerste, tweede, en derde lid op het tijdstip van die overdracht in de plaats van de ondernemer die de vordering overdraagt. Wanneer de andere ondernemer ter zake van de overgenomen vordering een recht op teruggaaf verkrijgt, wordt de teruggaaf in afwijking van het vierde lid op verzoek verleend. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
(...)
(...)
(...)
Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in het zesde lid, wordt, in afwijking van artikel 31, eerste en tweede lid, ter zake van elke vordering afzonderlijk ingediend bij de inspecteur. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de vorm en de inhoud van het verzoek en de wijze waarop het verzoek wordt ingediend. Artikel 31, achtste en negende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.”
Lid 3 en 7-9 vallen buiten de scope van dit hoofdstuk.1 Anders dan bij de bespreking van het Unierecht, ga ik in dit hoofdstuk alleen in op de categorie van ‘niet-betaling’.2 Het onderscheidend karakter van deze categorie ten opzichte van de andere in art. 29 Wet OB 1968 (en art. 90 Btw-richtlijn) geregelde gevallen (de ‘ongedaanmaking van de handeling’ en de ‘prijsvermindering nadat de handeling is verricht’) is in mijn optiek in voorgaand hoofdstuk reeds voldoende belicht. Ik zal laatstbedoelde categorieën daarom niet langer afzonderlijk behandelen. Zij vallen bovendien als uitgangpunt buiten de reikwijdte van dit onderzoek. Dit neemt niet weg dat ik zo nu en dan wel aan deze categorieën zal refereren, vooral wanneer ik meen dat dit de duiding van de term ‘niet-betaling’ ten goede komt.
Dit hoofdstuk is als volgt opgebouwd. In paragraaf 4.2 ga ik in op de geschiedenis van art. 29 Wet OB 1968. De inhoud van deze bepaling staat centraal in paragraaf 4.3. Ik zal in die paragraaf uitvoerig stilstaan bij de betekenis van de verschillende onderdelen van de bepaling. Paragraaf 4.4 staat vervolgens in het teken van de verhouding tussen het nationale recht en het Unierecht (zoals voornamelijk in voorgaand hoofdstuk gevonden). De verhouding van het nationale recht tot het rechtskarakter van de btw bespreek ik in paragraaf 4.5. Ik kom tot een afronding in paragraaf 4.6.