Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/7.3
7.3 Art. 37d Wet op de omzetbelasting 1968
1
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS950474:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 37d Wet op de omzetbelasting 1968: “Bij overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen, al dan niet tegen vergoeding of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, wordt geacht dat geen leveringen of diensten plaatsvinden en treedt, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald, degene op wie de goederen overgaan in de plaats van de overdrager.”
Bij de huidige polishouders hangt het uiteraard van de polisvoorwaarden af of de premie kan worden aangepast. Zie hoofdstuk 8.2 van dit onderzoek over ‘Het wijzigen van polisvoorwaarden’.
Burgers 2021/6.3.
Dit volgt uit het bepaalde in art. 2 Wet OB waarin is bepaald dat op de belasting verschuldigd ter zake van leveringen van goederen en diensten in aftrek wordt gebracht de belasting ter zake van de aan de ondernemer verrichte leveringen van goederen en verleende diensten. Als geen belasting is verschuldigd, is er ook geen aftrek. In Burgers 2021/6.9 en 6.10 wordt nader toegelicht dat in feite als algemene voorwaarde geldt dat aftrekrecht bestaat voor zover de aangeschafte goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen.
Op grond van art. 20 Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 wordt onder de naam ‘assurantiebelasting’ een belasting geheven ter zake van verzekeringen waarvan het risico in Nederland is gelegen en ter zake van daarmee samenhangende diensten. Echter, niet alle verzekeringen zijn onderworpen aan de heffing van assurantiebelasting. Art. 24 Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 bevat een limitatieve opsomming van verzekeringen die niet belast worden met assurantiebelasting, zoals levensverzekeringen en ziektekostenverzekeringen.
Hof van Justitie EG 22 oktober 2009, C-242/08, ECLI:EU:C:2009:647, V-N 2009/53.21(Swiss Re).
R.o. 33 en 34.
Cessie is de overdracht van een vorderingsrecht. Bij een ‘openbare cessie’ worden tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen rechten geleverd door een daartoe bestemde akte en mededeling daarvan aan die personen door de vervreemder of verkrijger. ‘Openbare cessie’ is geregeld in art. 3:94 lid 1 BW. Zie hierover onder meer Hijma en Olthof 2020/129. Contractsoverneming is geregeld in art. 6:159 BW. Voor contractsoverneming zijn een akte en de medewerking van de wederpartij bij de over te dragen rechtsverhouding vereist. In geval van contractsoverneming gaat de gehele rechtsverhouding over.
Zie hoofdstuk 3.4.1 van dit proefschrift.
De Engelstalige tekst luidt: “In contrast to such a reinsurance transaction, that transfer takes the form of the assumption by company S of all the rights and obligations of the transferor company under the reinsurance contracts transferred, the transferor company no longer having any legal relationship with the reinsured persons following that assumption.”
Van Kesteren, Weekblad Fiscaal Recht 2014/284 in paragraaf 4.8.
Burgers 2021/6.11.
Het betreft Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, PbEU 2006 L347. Art. 19 daarvan luidt: “De lidstaten kunnen, in geval van overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, zich op het standpunt stellen dat geen levering van goederen heeft plaatsgevonden en dat degene op wie de goederen overgaan, in de plaats treedt van de overdrager. De lidstaten kunnen de nodige maatregelen nemen om verstoringen van de mededinging te voorkomen ingeval degene op wie de goederen overgaan, niet volledig belastingplichtig is. Zij kunnen ook alle maatregelen vaststellen die nodig zijn om belastingfraude en -ontwijking met gebruikmaking van dit artikel te voorkomen.” Art. 29 verklaart dit artikel 19 vervolgens op overeenkomstige wijze van toepassing op diensten. Overigens is het zo dat waar in dit arrest wel aan de toepasselijke richtlijn wordt gerefereerd, verwezen wordt naar de zogenoemde “Zesde Btw-Richtlijn” van 1 april 1977. Per 1 januari 2007 vond een herschikking plaats van de bepalingen van die richtlijn in deze richtlijn. Zie Cornielje 2016, p. 15.
Hof van Justitie EG 27 november 2003, C-497/01, ECLI:EU:C:2003:644, V-N 2003/61.18 (Zita Modes).
Van Norden en Van Doesum, WPNR 2007/6695, p. 83; Van Norden, BtwBrief 2009/36; Van Norden, Weekblad Fiscaal Recht 2010/684, paragraaf 2.
Aldus Van Norden, BtwBrief 2009/36; Van Norden, Weekblad Fiscaal Recht 2010/684, paragraaf 4.2; Cornielje 2016, p. 186-189 en Cornielje, Tijdschrift voor Fiscaal Ondernemingsrecht 2017, p. 94-95. Deze visie wordt onderschreven in Vakstudie Omzetbelasting, art. 11 Wet OB 1968, aant. 3.1.6 en door Euser, in: Cursus Belastingrecht OB 2.3.3.I.b.Van Norden zegt hierover in BtwBrief 2009/36 bijvoorbeeld: “Dat is wellicht minder goed denkbaar bij de overdracht van één verzekeringscontract of enkele verzekeringscontracten, maar kan zeker aan de orde zijn bij de overdracht van portefeuilles waarvan een groot aantal verzekeringscontracten deel uitmaakt. De aard van het verzekeringsbedrijf brengt nu eenmaal mee dat minder zaken nodig zijn dan voor een industriële onderneming. De kern van het verzekeringsbedrijf bestaat uit de verzekeringscontracten die een autonoom bedrijfsonderdeel kunnen representeren en zeker een (gedeelte van een) onderneming vormen waarmee een economische activiteit kan worden uitgeoefend.” Idem Van Norden in Weekblad Fiscaal Recht 2010/684, paragraaf 4.2.Cornielje, Tijdschrift voor Fiscaal Ondernemingsrecht 2017, p. 94-95 vermeldt: “Met andere woorden, volstaan overgedragen polissen op zichzelf om een autonome economische activiteit uit te oefenen? Gesteld zou kunnen worden dat hiervoor eveneens een zekere inrichting nodig is die polisadministratie, claimhandling enz. mogelijk maakt. Uiteindelijk geldt naar mijn idee dat een getekende verzekeringspolis, op zichzelf voldoende is voor het doen ontstaan van de rechten en plichten die uiteindelijk de noodzakelijke kern van het verzekeringsbedrijf vormen. Op die voet is toepassing van art. 37d Wet OB 1968 naar mijn overtuiging aan de orde.”
Zie de vorige twee voetnoten.
R.o. 39 van het Zita Modes arrest.
Dit blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de Wet op het levensverzekeringbedrijf 1923, met name Kamerstukken II 1921/22, 60, nr. 3, p. 32. Idem in de uitspraak van het CBb van 14 december 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1063 (Polishouders Optas/DNB), r.o. 6.4.3, die ik heb besproken in hoofdstuk 6.6.
Inleiding
Zowel in het geval van een portefeuilleoverdracht met toepassing van de toezichtrechtelijke route van de artikelen 3:112 tot en met 3:114a Wft, als in het geval van toepassing van de civielrechtelijke route van art. 6:159 BW ten aanzien van schadeverzekeringen en herverzekeringen, rijst steeds de vraag of de overdragende verzekeraar omzetbelasting in rekening moet brengen aan de verkrijgende verzekeraar. Het normale omzetbelastingtarief bedraagt 21%.2 De verkrijgende verzekeraar heeft in beginsel geen recht op aftrek van betaalde omzetbelasting. Indien de verkrijgende verzekeraar omzetbelasting verschuldigd zou zijn, dan zullen deze kosten er mogelijk toe leiden dat hij hogere premies in rekening gaat brengen aan zijn huidige3 en/of toekomstige polishouders. Indien en voor zover dat niet kan, omdat hij in een competitieve markt werkt en polishouders dan zullen besluiten naar een andere aanbieder van deze verzekeringen te gaan, zou een heffing van omzetbelasting ertoe kunnen leiden dat de portefeuilleoverdracht door deze hoge kosten geen doorgang vindt. Omzetbelastingheffing zou dus kunnen leiden tot belemmeringen in de rationalisatie van de verzekeringsmarkt, waarbij ik aanneem dat een dergelijke rationalisatie uiteindelijk ook in het belang is van polishouders. Hierna wil ik daarom onderzoeken of bij een portefeuilleoverdracht eventueel van een in de Wet op de omzetbelasting 1968 (‘Wet OB’) opgenomen vrijstelling gebruik kan worden gemaakt.
Korte algemene inleiding over het systeem van de Wet OB en specifieke aspecten ten aanzien van verzekeraars
Een ondernemer moet (aan de belastingdienst) omzetbelasting afdragen over de in rekening gebrachte vergoeding voor goederen en diensten die hij levert.4 Hij brengt die omzetbelasting in rekening bij degene aan wie hij de prestatie levert. Maar bij het afdragen van de omzetbelasting aan de belastingdienst mag hij de omzetbelasting die hij zelf verschuldigd was in aftrek brengen. Door deze combinatie van heffing over de prijs van een goed of dienst en de aftrek van voorbelasting is de omzetbelasting voor ondernemers geen kostenpost.5 Maar verzekeraars brengen geen omzetbelasting in rekening aan hun polishouders. Dat volgt uit art. 11 lid 1 onder k Wet OB op grond waarvan handelingen ter zake van verzekering en herverzekering met inbegrip van daarmee samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringstussenpersonen, van omzetbelasting zijn vrijgesteld. De verzekeraar heeft daardoor in beginsel ook geen aftrek van omzetbelasting die hij zelf heeft betaald.6 Het normale omzetbelastingtarief bedraagt als gezegd 21%. In plaats daarvan moet de verzekeraar bij de meeste schadeverzekeringen assurantiebelasting in rekening brengen.7 De belasting wordt berekend over de premie, alsmede over de vergoeding voor met de verzekering samenhangende diensten.8 Deze belasting bedraagt inmiddels ook 21%.9 Daar staat (uiteraard) geen aftrek van omzetbelasting tegenover.
Vrijstelling van art. 11 lid 1 onder k Wet OB niet van toepassing in geval van portefeuilleoverdracht
Destijds in 2009 bracht het zogenoemde Swiss Re arrest10 van het Hof van Justitie EG enige beroering te weeg. De Duitse herverzekeraar Swiss Re Germany Holding GmbH cedeerde herverzekeringsovereenkomsten aan een in Zwitserland gevestigde vennootschap. Het Hof oordeelde onder meer dat de cessie van herverzekeringsovereenkomsten geen handeling is die valt onder het artikel in de btw-richtlijn op grond waarvan wij art. 11 lid 1 onder k hebben opgenomen in onze Wet OB. Het Hof onderbouwt dit door op te merken dat het vaste rechtspraak is dat “handeling ter zake van verzekering” hier een autonoom begrip van gemeenschapsrecht is en dat voor een dergelijke handeling kenmerkend is dat de verzekeraar zich tegen voorafgaande betaling van een premie ertoe verbindt de verzekerde bij het intreden van het verzekerde risico de uitkering te doen die bij het sluiten van de overeenkomst is overeengekomen.11 Van een dergelijke handeling is tussen een overdragende en een verkrijgende verzekeraar geen sprake. De Nederlandse versie van het arrest spreekt over “cessie onder bezwarende titel”.12 In hoofdstuk 3 van dit proefschrift heb ik beschreven dat het bij onze regeling voor portefeuilleoverdracht in de Wft gaat om contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW. Ik heb daar beschreven dat algemeen wordt aangenomen dat bij contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW de contractuele rechtsverhouding in zijn geheel overgaat. Alle nevenrechten en verweermiddelen zoals wilsrechten komen daarna toe aan de overnemende partij.13 Rechtsoverweging 39 in de Nederlandse vertaling van het Swiss Re arrest luidt: “Anders dan bij een dergelijke herverzekeringsverrichting neemt de maatschappij S bij de onderhavige cessie immers alle uit de gecedeerde verzekeringscontracten voortvloeiende rechten en verplichtingen van de cederende vennootschap over en heeft deze laatste na die overname geen rechtsbetrekking meer met de herverzekerden.”14 Ik kan op basis van deze rechtsoverweging niet anders dan concluderen dat het in deze casus niet ging om cessie maar om contractsoverneming. Van Kesteren trekt in het Weekblad Fiscaal Recht dezelfde conclusie.15 Uit dit Swiss Re arrest volgt dus dat een portefeuilleoverdracht niet gekwalificeerd kan worden als een handeling ter zake van verzekering en herverzekering in de zin van art. 11 lid 1 onder k Wet OB. De portefeuilleoverdracht is dus niet op grond van deze bepaling vrijgesteld van omzetbelasting.
Bij portefeuilleoverdracht wordt een beroep gedaan op de vrijstelling van omzetbelasting op grond van art. 37d Wet OB
Op grond van art. 37d Wet OB worden bij een overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen geacht geen leveringen of diensten plaats te vinden. Bij een overgang van een algemeenheid is er geen sprake van een voor de omzetbelasting relevante gebeurtenis, zodat deze gebeurtenis genegeerd kan worden.16 Het Swiss Re arrest gaat niet in op de bepaling in de btw-richtlijn17 waarop art. 37d Wet OB is gebaseerd, omdat over die bepaling geen vraag aan het Hof van Justitie EG was voorgelegd.
De Wet OB bevat geen definitie van “algemeenheid van goederen”. Het belangrijkste arrest met betrekking tot de bijbehorende richtlijnbepaling is het Zita Modes arrest uit 2003.18 Op basis van dit arrest van het Hof van Justitie EG zijn er volgens Van Norden19 vijf (cumulatieve) vereisten waaraan moet worden voldaan wil er sprake zijn van overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen: (i) het betreft een overdracht van een handelszaak of autonoom bedrijfsonderdeel; (ii) deze overdracht betreft lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken; (iii) die zaken vormen samen een onderneming of gedeelte van een onderneming; (iv) waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend; (v) de verkrijger heeft de bedoeling het geheel of het deel van de algemeenheid te exploiteren.
Een deel van de portefeuilleoverdrachten vindt plaats in het kader van een “grotere” activa-passiva transactie. Daarmee bedoel ik hier dat er niet alleen een overdracht plaatsvindt van de rechten en verplichtingen uit verzekeringsovereenkomsten samen met de activa (beleggingen) ter dekking van de technische voorzieningen, maar dat ook andere activa en passiva worden overgedragen. De overdragende verzekeraar draagt dan bijvoorbeeld ook het kantoorpand en alles wat zich daarin bevindt over, de handelsnamen en merknamen, de herverzekeringsovereenkomsten en andere rechtsverhoudingen, hardware en licenties op software, en ga zo maar door. Of aan de hiervoor genoemde vereisten voor een beroep op art. 37d Wet OB is voldaan, is dan meestal geen lastige vraag.
Het komt echter ook vaak voor dat de overdragende verzekeraar alleen de rechten en verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomsten overdraagt, samen met de activa ter dekking van de technische voorzieningen. Vaak draagt de overdragende verzekeraar niet alle beleggingen over die dienen ter dekking van de technische voorzieningen, of een geldsom die daaraan gelijk is, maar vindt daarop een “afslag” plaats. Het bedrag van die “afslag” kan in feite beschouwd worden als de vergoeding van de verkrijgende verzekeraar aan de overdragende verzekeraar.
Uiteraard is in het geval dat “alleen” rechten en verplichtingen uit verzekeringsovereenkomsten worden overgedragen, samen met de activa (beleggingen) ter dekking van de technische voorzieningen, eventueel verminderd met een “afslag”, de vraag of een beroep kan worden gedaan op de vrijstelling van art. 37d Wet OB veel lastiger te beantwoorden. In dat geval worden de gegevens over de polissen ingevoerd in de systemen van de verkrijgende verzekeraar en de beleggingen gaan onderdeel uitmaken van de beleggingsportefeuille. In de juridische literatuur wordt aangenomen dat het mogelijk is dat deze vrijstelling ook dan van toepassing is. Deze opvatting is te vinden bij Van Norden en Cornielje.20 Alle omstandigheden van het geval zijn relevant.21 Het zal bijvoorbeeld belangrijk zijn om hoeveel verzekeringsovereenkomsten het gaat22 en wat de aard is van de verzekeringsportefeuille die wordt overgedragen vergeleken met de verzekeringsportefeuille die achterblijft bij de overdragende verzekeraar.
Verzekeraars kunnen in overleg treden met de belastingdienst om te bespreken of in de desbetreffende specifieke omstandigheden inderdaad van deze vrijstelling gebruik kan worden gemaakt. Naar mijn mening past het bij de doelstelling van deze richtlijnbepaling om verzekeraars “ruimhartig” toe te staan zich hierop te beroepen. In het Zita Modes-arrest wordt gesteld dat de richtlijnbepaling ertoe strekt de lidstaten in staat te stellen de overdrachten van ondernemingen of delen daarvan te vergemakkelijken “door ze te vereenvoudigen en te vermijden dat de financiële toestand van de verkrijger onder een buitensporige fiscale druk komt te staan, nu hij deze belasting later hoe dan ook zou hebben gerecupereerd via een aftrek van de als voorbelasting betaalde BTW.”23 Als het in het geval van een ondernemer die wel recht heeft op vooraftrek van omzetbelasting al als ongewenste financiële druk wordt gezien dat hij omzetbelasting moet betalen die hij in een later stadium in aftrek kan brengen, dan is er in het geval van een verzekeraar die een portefeuille verwerft en dan 21% omzetbelasting moet betalen zonder dat hij naderhand ook recht heeft op aftrek van deze omzetbelasting naar mijn mening al helemaal sprake van een ongewenste financiële druk. Het verschuldigd zijn van 21% omzetbelasting zou immers tot de conclusie kunnen leiden dat de portefeuille dan niet rendabel genoeg is om te verwerven. Waar met de regeling van de overdracht van portefeuilles met levensverzekeringen in de Wft van oudsher is beoogd de overdracht of samensmelting van verzekeringsbedrijven te vergemakkelijken door in plaats van de medewerking van alle polishouders de instemming van DNB te vereisen,24 zou de heffing van omzetbelasting een dergelijke transactie dan juist kunnen ontmoedigen. Omzetbelastingheffing zou kunnen leiden tot belemmeringen in de rationalisatie van de verzekeringsmarkt. Ik veronderstel dat een dergelijke rationalisatie uiteindelijk toch ook in het belang is van polishouders. Daarnaast is het mijns inziens voor polishouders een risico dat een verzekeraar die de verzekeringspremies die worden gerekend voor de verzekeringsovereenkomsten in de portefeuille kan aanpassen, daar na de portefeuilleoverdracht in enigerlei mate toe overgaat om de betaalde omzetbelasting “terug te verdienen”. Dat kan met name het geval zijn in het geval van schadeverzekeringen waarbij de verzekeraar per prolongatiedatum van de verzekeringsovereenkomst een nieuwe verzekeringspremie vaststelt. Het is evenmin uitgesloten dat een verzekeraar besluit om deze lasten voor een deel ook af te wentelen op nieuwe polishouders. Voor wat betreft schadeverzekeringen heeft de verzekeringnemer dan ook al 21% assurantiebelasting betaald. Een “ruimhartig” beleid van de belastingdienst lijkt dus als gezegd wel op zijn plaats.
Conclusie
De verzekeraar kan bij een portefeuilleoverdracht geen beroep doen op de vrijstelling van art. 11 lid 1 onder k Wet OB. Hij kan mogelijk wel een beroep doen op art. 37d Wet OB. Alle omstandigheden van het geval zijn hierbij relevant. Een “ruimhartig” beleid van de belastingdienst is naar mijn mening in het belang van polishouders.