Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/7.2.1.3:7.2.1.3 Geen directe tegenprestatie
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/7.2.1.3
7.2.1.3 Geen directe tegenprestatie
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633792:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Arnhem-Leeuwarden 26 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5809, r.o. 4.1.
Hof Den Bosch 28 mei 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AI0897, r.o. 4.3-4.6.
Hof Den Bosch 28 mei 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AI0897, r.o. 4.4.
Hof Amsterdam 8 februari 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AV2144, r.o. 5.2.
De Vakstudie Inkomstenbelasting, aant. 2.1 bij artikel 6.35 Wet IB 2001.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 6.33, sub a Wet IB 2001 definieert aftrekbare giften als bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat. De voorwaarde ‘waar geen directe tegenprestatie tegenover staat’ houdt in dat er door de al dan niet verplichte bijdrage geen op geld waardeerbare aanspraak ontstaat.1 Naar het oordeel van Hof Arnhem is er sprake van een directe tegenprestatie bij betalingen voor maaltijden (broedermalen), symposia en retraites en daarvoor gemaakte (reis)kosten.2 Dit is ook het geval als hierbij uit vrijgevigheid een hogere dan gebruikelijke vergoeding wordt betaald of wordt afgezien van een recht op korting, aldus Hof Arnhem. Hof Den Bosch oordeelde daarentegen dat geen op geld waardeerbare aanspraken worden ontleend aan een uit de contributies aan een boeddhistisch kerkgenootschap voortvloeiend recht tot bijwonen van religieus onderricht en gebeds- en inwijdingsbijeenkomsten, zodat die contributies voor de giftenaftrek in aanmerking kwamen.3 Dit hof verwierp de stelling van de inspecteur dat onder ‘al dan niet verplichte bijdragen’ moet worden verstaan een vrijwillige, slechts moreel verplichte bijdrage.4 In die lijn oordeelde ook Hof Amsterdam dat het feit dat een moskee Koranlessen en lessen in de Arabische taal verzorgt, geen afbreuk doet aan de kwalificatie van de betaling aan die moskee als gift.5 Het hof wees erop dat evenmin aan de betaling van ‘kerkelijke belastingen’ de kwalificatie gift kan worden ontzegd, ook al worden daaruit (eveneens) activiteiten voor gemeente- en parochieleden bekostigd. In geen van deze gevallen was volgens het hof sprake van een ‘directe tegenprestatie’ die aan de betaling het karakter van een gift ontneemt. Plaatsengeld daarentegen zal niet als gift kwalificeren omdat daartegenover een op geld waardeerbare aanspraak staat, namelijk een zelfstandig recht van gebruik van een bepaalde plaats in de kerk.6