Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/7.4:7.4 Gevolgen voor de besluitvorming over de begroting
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/7.4
7.4 Gevolgen voor de besluitvorming over de begroting
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Niet alleen is het parlement beperkt betrokken bij de besluitvorming in Europees verband, het Europees economisch bestuur heeft ook gevolgen voor de betrokkenheid van het parlement bij de besluitvorming over de begroting op nationaal niveau. Uit hoofdstuk 5 volgde namelijk dat het Europees economisch bestuur ook gevolgen heeft voor het wettelijk kader en de besluitvorming over de begroting op nationaal niveau en de betrokkenheid van het parlement daarbij.
Zo introduceert het Europees economisch bestuur nieuwe momenten in de begrotingscyclus. Het Stabiliteitsprogramma en het Nationaal Hervormingsprogramma worden in het voorjaar opgesteld en aangeboden aan de Kamers. Daarnaast is het onafhankelijk begrotingstoezicht geïntroduceerd in de nationale begrotingscyclus. Dit betekent dat de Raad van State in het voorjaar een oordeel geeft over het Stabiliteitsprogramma en in het najaar over de ontwerpbegrotingen en de Miljoenennota in het licht van de Europese en nationale begrotingsregels die zijn neergelegd in de Wet HOF. De codificatie van de begrotingsregels in de Wet HOF vormt een breuk met wat reeds lange tijd de praktijk was, namelijk dat het (nationale) begrotingsbeleid en de begrotingsregels neer werden gelegd in het regeerakkoord zoals dat wordt gesloten aan het begin van de kabinetsperiode. De introductie van het begrotingstoezicht en de codificatie van de begrotingsregels in nationale wetgeving kunnen leiden tot meer transparantie van de begrotingsregels en de toepassing ervan op nationaal niveau.
De opgelegde tijdlijn betekent vervolgens echter dat de nationale begrotingsprocedures en het nationale begrotingsbeleid onder druk komen te staan omdat deze niet geheel in de pas lopen met het Europees Semester en de gezamenlijke budgettaire tijdlijn. Daarnaast wordt de besluitvorming over de begroting aanzienlijk ingekaderd door de aangescherpte begrotingsregels, het intensieve en constante toezicht, en het feit dat het toezicht steeds meer betrekking heeft op het economisch structuurbeleid. Dit heeft tot gevolg dat de politieke manoeuvreerruimte op nationaal niveau wordt gemarginaliseerd. Deze manoeuvreerruimte marginaliseert steeds verder naarmate de Commissie meer financiële problemen constateert in de lidstaat. Immers hoe meer financiële problemen er worden geconstateerd, hoe strenger het toezicht door de Europese instellingen is en hoe dwingender en gedetailleerder de aanbevelingen zijn. Bovendien, als Nederland de Europese begrotingsregels overtreedt, is er geen ruimte voor het voeren van trendmatig begrotingsbeleid, maar zal er direct dienen te worden bezuinigd om de geconstateerde tekorten te corrigeren. De doorlopende cyclus en de constante dialoog tussen de Europese instellingen en de nationale lidstaten hebben verder tot gevolg dat sprake is van een verwevenheid tussen de nationale en de Europese besluitvormingsprocedures. De regering dient zowel aan de Europese instellingen als aan het parlement verantwoording af te leggen voor de nationale begroting(splannen). Dit leidt tot een zekere diffuse verantwoordingsrelatie tussen de regering en het parlement met betrekking tot de besluitvorming over de begroting, waardoor de controle van de regering wordt bemoeilijkt. Verder geven steeds meer instanties op Europees en nationaal niveau een (technisch) oordeel over de begroting, zoals de Commissie, de ECB en de Raad van State, waardoor politieke processen minder de ruimte hebben.