Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/5.4.5.1
5.4.5.1 Inleiding
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS297112:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 3 (MvT), p. 20.
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 3 (MvT), p. 20.
Kamerstukken I 2005/06, 30 572, C (MvA), p. 44.
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 4 (Nader Rapport), p. 15.
De rechtshandelingen waarop het oude lid 2, onderdeel c, betrekking had, vallen echter nog steeds onder het bereik van het nieuwe art. 10a. Zo rekent de nieuwe wettekst kapitaalstortingen die worden gedaan door een verbonden lichaam of een verbonden natuurlijk persoon in een verbonden lichaam tot de besmette rechtshandelingen. Datzelfde geldt voor een winstuitdeling of teruggave van gestort kapitaal door een verbonden lichaam aan een ander verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon. Zie in deze zin ook O.C.R. Marres in: Aftrek van rente in de vennootschapsbelasting, in het bijzonder art. 10a: ongewijzigd handhaven, aanpassen of afschaffen, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap No. 228, Deventer: Kluwer 2006, p. 7.
Strik merkt terecht op dat dit betekent dat BV1/BV 2-structuren weer mogelijk worden. Voorwaarde daarvoor is wel dat de kapitaalstorting plaatsvindt binnen de fiscale eenheid. S.A.W.J. Strik, ‘Stroomlijning antimisbruikbepalingen renteaftrek en de groepsrentebox’, MBB augustus 2006, p. 281.
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8 (Nota), p. 101.
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8 (Nota), p. 83.
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8 (Nota), p. 45. Wattel meent dat er naast art. 10a ruimte kan zijn voor de toepassing van fraus legis, A-G Wattel in zijn op de 1997-2007 versie van art. 10a betrekking hebbende conclusie van 6 september 2007, nr. 43 376, punten 5.15 t/m 5.22. Ten aanzien van het desbetreffende geval vond hij de Hoge Raad aan zijn zijde: ‘Indien het doorslaggevende motief voor de omzetting van de geldlening in een lijfrenteverplichting was gelegen in de verijdeling van de toepassing van artikel 10a, lid 2, aanhef en onderdeel b, van de Wet – de bewijslast daarvan rust op de Inspecteur – zou, behoudens indien A over de lijfrente een compenserende heffing bedoeld in artikel 10a, lid 3, onderdeel b, van de Wet zou zijn verschuldigd, de door belanghebbende verlangde aftrek ter zake van de oprenting van de lijfrenteverplichting in strijd komen met doel en strekking van die bepaling.’ HR 11 juli 2008, 43 376, V-N 2008/34.15.
In het kader van het wetsvoorstel ‘Werken aan winst’ is bezien of art. 10a Wet VPB 1969 kon worden afgeschaft. Alleen de thincapregeling zou dan nog een drempel opwerpen tegen grondslaguitholling. Daarmee zou winstdrainage door middel van renteaftrek worden geaccepteerd totdat de thincapnorm is bereikt. Dat vond de staatssecretaris echter geen aantrekkelijke optie: ‘Zeker niet, nu ons buurland België met zijn vermogensaftrek een aantrekkelijk land wordt om vermogen laagbelast te laten renderen. Dit maakt het te meer wenselijk te voorkomen dat in Nederland werkzaam bedrijfskapitaal in een Belgische vennootschap wordt gestort en aan Nederland wordt teruggeleend, met de thincapnorm als enige begrenzing.’1
De bewindsman verwierp eveneens het alternatief om art. 10a af te schaffen en de regeling tegen onderkapitalisatie aan te scherpen, bijvoorbeeld door het verlagen van de toegestane verhouding van 3 : 1 tussen vreemd en eigen vermogen. Dat zou namelijk neerkomen op het accepteren van winstdrainage door renteaftrek en het afwentelen van de budgettaire schade daarvan op bonafide ondernemers.2
Verder is de suggestie aan de orde gekomen om het bereik van art. 10a uit te breiden tot alle rente. Rente zou dan aftrekbaar zijn, mits wordt voldaan aan de zakelijkheidstoets of de compenserende heffingstoets van het derde lid.3 Dit idee is echter niet overgenomen omdat het zou kunnen leiden tot een substantiële toename van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven.4
Ook de gedachte om de specifieke renteaftrekbeperking te vervangen door een algemeen geldende regeling waarbij verbonden rente slechts tegen het buitenlandse tarief in aftrek wordt gebracht als dat lager is dan het Nederlandse tarief, is verworpen. Hieraan kleefden volgens de staatssecretaris Europeesrechtelijke risico’s omdat de regeling niet beperkt blijft tot situaties van misbruik. Bovendien zou zij leiden tot extra uitvoeringslasten voor het bedrijfsleven en de Belastingdienst.5
Wel is voorgesteld om art. 10a Wet VPB 1969 op te schonen. Zo is de reikwijdte van het artikel beperkt tot winstdrainage in groepsverband. De bepaling is daarom niet meer van toepassing op schuldig gebleven dividend aan kleine aandeelhouders. Verder zijn de besmette rechtshandelingen samengebracht in het eerste lid. De formulering die was opgenomen in het oude lid 2, onderdeel c, komt daar niet langer in voor.6 Daar staat tegenover dat met ingang van 2007 ook externe acquisities die als groepsmaatschappij gaan fungeren, tot de besmette rechtshandelingen kunnen behoren. Dit houdt mede verband met het vervallen van art. 15ad Wet VPB 1969.7 Bovendien wordt eerder een verband aangenomen tussen een besmette transactie en een groepslening. Voorts is de term ‘geldlening’ vervangen door de term ‘schuld’. Het is namelijk niet de bedoeling om de werking van art. 10a te beperken tot geldleningen in civielrechtelijke zin.8 Ten slotte is de tegenbewijsregeling geüniformeerd en is aangegeven wanneer sprake is van een compenserende heffing.
Tijdens de parlementaire behandeling heeft de minister goedgekeurd dat beleidsbesluiten, voor zover deze betrekking hebben op ongewijzigd gebleven onderdelen van art. 10a, hun gelding blijven behouden.9 Op een vraag vanuit de Tweede Kamer of er na het opschonen van art. 10a ten aanzien van de beperking van de renteaftrek nog ruimte is voor de toepassing van fraus legis, is geantwoord dat zulks niet is uitgesloten. Het zou dan moeten gaan om een uitzonderlijke situatie, waarbij de grens van ongeoorloofde belastingbesparing duidelijk is overschreden. Aangezien dergelijke gevallen al verregaand zijn gecodificeerd, zal de toepassing van fraus legis zich volgens de minister echter ten aanzien van renteaftrek in de praktijk niet snel kunnen voordoen.10Art. 10a Wet VPB 1969, zoals deze bepaling van toepassing is met ingang van 1 januari 2007, wordt hierna op hoofdlijnen besproken.