Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/11.4
11.4 Verhouding tot de oorspronkelijke Duitse leren van adequate veroorzaking
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS592181:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
In Duitsland is, anders dan in Nederland, juist die kritiek ook op de leer van de adequate veroorzaking geuit; zie bijvoorbeeld: Lange 1957, p. 114 t/m 136 en Lange & Schiemann 2003, p. 84, 91.
Lange & Schiemann 2003, p. 96 e.v. Te denken valt aan het in § 4.2.3 gegeven voorbeeld waarin een verzekeringsmakelaar tekortschiet in de nakoming van zijn verplichting om een verzekering tegen brand voor een kantoorgebouw af te sluiten. De kans dat dit tekortschieten tot schade leidt, is zeer gering omdat de kans dat het gebouw afbrandt zeer gering is. Niettemin is duidelijk dat schade die bestaat uit het niet verkrijgen van een verzekeringsuitkering aan het tekortschieten dient te worden toegerekend, omdat met de geschonden norm juist beoogd is dergelijke schade te voorkomen.
Honoré 1983, p. 53; Lange & Schiemann 2003, p. 84. Zie nader § 4.3.2.
Von Kries 1888 p. 202, 203, 216, 217. Von Kries 1888, p. 203 schreef: “Es betrugt daher, wie man kurz sagen kann, die Unterscheidung der adäquaten und zufälligen Verursachung stets auf einer generalisierenden Betrachtung des Einzelfalles. Das hieraus häufig eine gewisse Unsicherheit und Willkürlichkeit derselben sich ergibt, wird alsbald genauer zu erörtern sein.” Zie ook: Traeger 1904, p. 124 t/m 129 en 159; en Lange & Schiemann 2003, p. 84. Zie verder § 4.3.2.
506. De grens van de verwezenlijking van een niet-vergroot risico is een interpretatie van de leren van adequate veroorzaking. De ontwikkeling van deze leren in Duitsland heb ik in § 2.3.3 beschreven. Met deze leren bleek te zijn beoogd om aansprakelijkheid uit te sluiten voor de door een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zuiver toevallig veroorzaakte gevolgen. In Nederland heeft men deze leer vervolgens vervormd tot een voorzienbaarheidsleer.
507. In de oorspronkelijke bedoeling van de leren van adequate veroorzaking ligt – anders dan in de uitwerking die daaraan in onze jurisprudentie en doctrine is gegeven – het belangrijke inzicht besloten dat personen steeds aan allerlei risico’s zijn blootgesteld, zo’n risico zich als zuiver toevallig gevolg van een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis kan verwezenlijken en het dan in beginsel niet redelijk zou zijn om de laedens ook voor die schade aansprakelijk te maken.
508. De toepassing van deze Duitse leren van adequate veroorzaking leidde in Duitsland tot diverse problemen. Enerzijds leidden zij tot een te geringe beperking van aansprakelijkheid: ook in allerlei gevallen waarin de schade niet als een zuiver toevallig gevolg van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis kon worden aangemerkt, is het wenselijk om de schadevergoedingsverplichting te begrenzen.1 Wanneer men het inzicht dat aansprakelijkheid zich niet dient uit te strekken tot zuiver toevallige gevolgen niet gebruikt om de grens aan de reikwijdte van aansprakelijkheid vorm te geven, maar slechts een van de grenzen, is het vanzelfsprekend geen bezwaar dat met dit criterium in slechts betrekkelijk weinig gevallen tot een beperking van aansprakelijkheid wordt gekomen.
Anderzijds kon de toepassing van deze leren tot een onredelijke beperking van aansprakelijkheid leiden in die gevallen waarin met de geschonden norm juist beoogd was te beschermen tegen de schade zoals geleden, en het er daarom niet toe deed dat door de schending van de norm de kans op de schade zoals geleden maar heel gering was toegenomen.2 Dit probleem kan worden opgelost door in de gevallen waarin duidelijk is dat met de geschonden norm beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, de toerekening van deze schade niet uit te sluiten op de grond dat zij een zuiver toevallig gevolg is van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis.
Tot slot deed zich het probleem voor dat oordelen over de kansvergroting naar hun aard steeds betrekking hebben op een generalisatie van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en een generalisatie van de schade zoals geleden. Men kan uit de aard der zaak niet beoordelen of de concrete aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis de kans op de concreet geleden schade heeft vergroot: men kan immers slechts beoordelen of een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis met bepaalde eigenschappen de kans op schade met bepaalde eigenschappen heeft vergroot.3 Noodzakelijk is dus om te kiezen voor een bepaalde generalisatie van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en van de schade zoals geleden, maar die keuze is van niet onbelangrijke invloed op het antwoord op de vraag of de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis de kans op de schade zoals geleden heeft vergroot.4 Naar ik meen, laat dit probleem zich grotendeels onder controle brengen door niet de vraag te stellen of de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis de kans op de geleden schade heeft verhoogd, maar door te beoordelen of een risico kan worden genoemd zodanig dat (a) de schade zoals geleden geldt als verwezenlijking van dit risico, (b) de gelaedeerde dat risico ook zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou lopen en (c) dat risico niet door de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis is vergroot. Door te verlangen dat het risico niet is vergroot, wordt een interpretatie aan de leer van de adequate veroorzaking gegeven die haar tot de essentie terugbrengt: zuiver toevallig veroorzaakte gevolgen van toerekening uitsluiten.