Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/6.1:6.1 Inleiding
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973573:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:260, NJ 2015/274 (Afvalzorg/Slotereind), r.o. 4.3.1.
HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, NJ 2014/497 (Van de Steeg/Rabobank); vgl. Asser/Sieburgh 6-I 2016/408; Tjittes & Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW nr. A6b) 2020/31.
Annotatie van Hijma onder HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:260, NJ 2015/274 (Afvalzorg/Slotereind), par. 11.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande hoofdstukken hebben het rechtskarakter en de vereisten voor toepassing van het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke regeling van de klachtplichten, ook in verhouding tot de verjaringsregeling, centraal gestaan. Tussen professionele partijen kan echter vrijelijk van het wettelijk kader van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW worden afgeweken. Dit hoofdstuk is gewijd aan dergelijke contractuele regelingen.
Daarover bestaat niet al te veel rechtspraak van de Hoge Raad. De Hoge Raad laat zich in het arrest Afvalzorg/Slotereind uit over de uitleg en toepassing van een contractuele klachttermijn die ‘zo spoedig mogelijk klagen’ vereist. Ervan uitgaande dat de sanctie van het betreffende beding rechtsverval was, overweegt de Hoge Raad dat voor de vraag of tijdig is geklaagd acht dient te worden geslagen op de gezichtspunten uit zijn rechtspraak over de klachttermijn op de voet van art. 6:89 BW en 7:23 lid 1 BW.1 Die rechtspraak slijpt de scherpe randjes van deze wettelijke regelingen af, vooral door een lange klachttermijn te accepteren als de schuldenaar door de tijdsduur niet is benadeeld.2
Hijma heeft de door de Hoge Raad voorgestane toepassing van de gezichtspunten van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW bij de uitleg en toepassing van een contractuele klachttermijn in twijfel getrokken. Hij is van mening dat de Hoge Raad daarmee de contractsvrijheid van partijen aantast: toepassing van deze gezichtspunten kan tot een lange klachttermijn leiden (bijvoorbeeld indien de schuldenaar door de tijdsduur niet concreet is benadeeld), terwijl partijen dat mogelijk niet hebben beoogd. In plaats daarvan pleit Hijma voor een strengere uitleg van de termijn met een ‘laagdrempelige’ correctiemogelijkheid over de band van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid.3 Deze gedachte vindt in rechtspraak in feitelijke instanties enige navolging. Verder is in het arrest Afvalzorg/Slotereind niet uitgemaakt of ook bij een klachtbeding met een precies geformuleerde klachttermijn, bijvoorbeeld veertien dagen na ontdekking van het betreffende gebrek, of met een andere sanctie dan rechtsverval, de gezichtspunten van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW bij de uitleg en toepassing van die termijn moeten worden betrokken. In rechtspraak in feitelijke instanties worden deze vragen verschillend beantwoord.
Gelet op deze verschillende opvattingen over de uitleg en toepassing van klachtbedingen ga ik op deze plaats nader op die twee onderwerpen in. In par. 6.2 hierna geef ik daartoe eerst aan wanneer contractueel van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW kan worden afgeweken. In par. 6.3 volgt een analyse van het arrest Afvalzorg/Slotereind. In par. 6.4 identificeer ik vijf verschillende typen klachtbedingen en geef aan hoe uitleg- en toepassingsvragen beantwoord zouden kunnen worden. Ik besluit met een conclusie in par. 6.5.