Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/6.8.1
III.6.8.1 Ouderlijke boedelverdeling met tenzij-claus
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS622316:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook paragraaf 4.3.5 ‘Objectivering door redelijkheid en billijkheid voorkomt willekeur’ evenals paragraaf 6.6 ‘Willekeur’.
HR 17 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:BI5402, BNB 1996/112 en HR 5 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:BI5838, BNB 1998/8.
HR 17 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:BI5402, BNB 1996/112.
HR 17 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:BI5402, BNB 1996/112, r.o. 3.3: ‘Uitgangspunt dient te zijn het aan het erfrecht ten grondslag liggende beginsel van de testeervrijheid. In het midden kan blijven in hoeverre dit beginsel meebrengt dat een erflater ook buiten het geval van artikel 4:1167 BW bij uiterste wil een verdeling van zijn nalatenschap aan zijn erfgenamen kan opleggen. Doch met dit beginsel als uitgangspunt en bij gebreke van duidelijke wettelijke aanknopingspunten in andere zin, valt niet in te zien waarom in de gevallen waarin hij zulks op de voet van artikel 1167 wel kan, hij niet tevens bevoegd zou zijn om – binnen de grenzen die de wet aan de testeervrijheid in het algemeen stelt en van de artikelen 1169 en 1170 – aan deze beschikking voorwaarden of voorzieningen te verbinden of haar op andere wijze te beperken of nader te regelen, zoals hij haar ook, naar artikel 1168 uitdrukkelijk toelaat, tot een deel van de nalatenschap kan beperken (curs. NB).’ Zie ook mijn opmerkingen hierover in paragraaf 6.3.3.
Zo ook B. Schols 2007a, p. 434 waarin hij voorts opmerkt dat ook bij een Teilungsanordnung op grond van § 2048 BGB het slechts gaat om de verdeling van de nalatenschap en niet om de vaststelling van de erfgenamen en de erfdelen.
Zie over de ouderlijke boedelverdeling met de ‘tenzij-clausule’ ook paragraaf 6.3.3.
Met betrekking tot de ‘tenzij-clausule’ verbonden aan een ouderlijke boedelverdeling kan ik kort zijn. Hierop ging ik namelijk al in, in paragraaf 6.3.3. Gerealiseerd dient te worden dat de ‘tenzij-clausule’ een ontbindende voorwaarde is en dat ontbindende voorwaarden in het erfrecht in beginsel zijn toegestaan (zie paragraaf 6.3 t/m 6.7). Dit is evenwel anders indien de aard van de uiterste wilsbeschikking zich hiertegen verzet (art. 3:38 lid 1 W) of de voorwaarde in strijd komt met het bepaalde in art. 4:45 BW. Bovendien dient in beginsel rekening te worden gehouden met het bepaalde in art. 4:140 lid 1 jo. 4:133 lid 3 BW (dertigjaarstermijn; hierover ook paragraaf 6.3.2). Voor wat de vraag naar toelaatbare wilsdelegatie betreft, is daarnaast van belang dat met de voorwaarde niet op ontoelaatbare wijze wordt geknutseld aan de inhoud/aard van de uiterste wilsbeschikking (schema deel II van dit onderzoek) en dat bij het inroepen van de ‘tenzij-clausule’ de redelijkheid en billijkheid niet uit het oog wordt verloren.1 Ik gaf reeds aan dat de Hoge Raad in de arresten HR 17 januari 1996, BNB 1996/112 en HR 5 november 1997, BNB 1998/82 heeft geoordeeld dat de aard van de ouderlijke boedelverdeling zich niet tegen een ‘tenzij-clausule’ verzet waarmee aan de langstlevende en de kinderen tezamen de bevoegdheid wordt gegeven om de ouderlijke boedelverdeling geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken. Bijvoorbeeld:
‘tenzij mijn echtgenote en mijn afstammelingen in onderling overleg binnen zes maanden na mijn overlijden bij notariële akte te kennen hebben gegeven een andere verdeling te wensen.’3
Deze clausule kan op grond van de testeervrijheid ook aan de langstlevende alleen worden gegeven, zo blijkt uit de algemene bewoordingen van de Hoge Raad.4 Met de ‘tenzij-clausule’ kan de langstlevende zodoende bewerkstelligen dat de ouderlijke boedelverdeling geheel of gedeeltelijk niet werkt. Zij kan de ouderlijke boedelverdeling dus voorwaardelijk maken. Een dergelijke ‘tenzij-clausule’ is niet in strijd met art. 4:45 BW. De dertigjaarstermijn (art. 4:140 lid 1 BW) is in bovengenoemde clausule niet van betekenis. Noch wordt met deze clausule inhoudelijk aan de erfstellingen geknutseld. Het gaat immers slechts om de verdeling van de nalatenschap en er wordt dus niet getornd aan de vaststelling van de erfgenamen of de erfdelen. Er wordt, anders gezegd, met een verdeling niet getornd aan de goederenrechtelijke verhoudingen.5 Van belang is wel, zoals ik daarnet al opmerkte, dat bij het inroepen van de ‘tenzij-clausule’ door de echtgenote en afstammelingen rekening wordt gehouden met de redelijkheid en billijkheid, zodat willekeur wordt voorkomen (paragraaf 6.6).6