Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/3.4.1.1
3.4.1.1 Relativiteit bij het rechterlijk bevel
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657509:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: Den Hollander 2016, pp. 71-86; Van den Berge 2017, p. 46-48; Lindenbergh 2007.
In de Angelsaksische literatuur over dit onderwerp wordt de schadevergoeding ook wel ‘the next best thing’ genoemd. Zie Stevens 2007, p. 59; Stevens 2012, p. 145.
De drie stappen zijn met name inzichtelijk gemaakt met de grafische weergave in Den Hollander 2016, p. 82.
Zie hiervoor §1.3.1 & § 2.5.
Zie voor eenzelfde constatering: Bleeker 2017.
Alleen een dreiging van schending van de rechtsplicht en voldoende belang bij naleving zijn vereist, zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/153; vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 895; Bleeker 2018b, par. 3.1.
Bleeker 2018a, p. 8-10.
HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136, m.nt. G.J. Scholten (Kelderluik).
Dat onderscheid is belangrijk omdat hiermee duidelijk wordt dat de algemene criteria aangaande dreiging slechts zien op de dreiging dat de rechtsplicht zal worden geschonden. De criteria voor het vaststellen van het vereiste verband tussen gedrag en schade, daarentegen, kunnen per norm verschillen. Dat maakt dat, bijvoorbeeld bij voorzorgverplichtingen, ruimhartiger kan worden omgegaan met dit verband als de mogelijke schade van ingrijpender aard is. Zie De Jong 2016, p. 99, 102.
Zie Van Nispen 1978, p. 172 die dit vereiste nadrukkelijk niet onder wat nu artikel 3:303 BW is wil scharen, maar het enkel ziet als een uitwerking van de relativiteit. Zie voor dat eerste punt ook Van Nispen 2018, p. 30-33.
Vgl. HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7808, NJ 2006/28, m.nt. Jac. Hijma (Duwbak Linda).
De laatste van deze drie eisen is in de conclusie van Advocaten-Generaal Langemeijer en Wissink nadrukkelijk niet opgenomen, zie Conclusie Plv. P-G F.F. Langemeijer & A-G M.H. Wissink, ECLI:NL:PHR:2019:887 bij HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006, NJ 2020/41, m.nt. J. Spier (Urgenda), para. 2.8 & 4.243.
Zie HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8178, NJ 2003/706, m.nt. G.R.J. de Groot (Pharmacia/Cosmétique I).
Zie r.o. 3.3 eindarrest hof onder HR 24 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7935, NJ 2009/485, m.nt. M.R. Mok (Pharmacia/Cosmétique II).
HR 17 januari 1958, ECLI:NL:HR:1958:AG2051, NJ 1961/568 (Beukers/Dorenbos).
Zie r.o. 22 tussenarrest hof en r.o. 3.3 eindarrest hof onder HR 24 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7935, NJ 2009/485 (Pharmacia/Cosmétique II). De Hoge Raad laat zich niet expliciet uit over de omvang van het verbod, maar gelet op het feit dat hij het oordeel van het hof over het relativiteitsvereiste in stand hield, is denkbaar dat deze benadering juist was.
Toepassing van het relativiteitsvereiste in het schadevergoedingsrecht draait in de kern om het relateren van een geschonden norm aan een geschaad belang.1 Den Hollander presenteert die exercitie als een dubbele vertaalslag: enerzijds moet het concrete gedrag aangemerkt worden als normschending (van concreet naar normatief), anderzijds moet bekeken worden of het geschade belang de concreet geleden schade dekt (van normatief naar concreet). Praktisch levert dit drie redeneerstappen op.Eerst moet bekeken worden of het concreet vertoonde gedrag aangemerkt kan worden als een normschending. Dat is een ‘normatieve’ of ‘juridische’ kwalificatie van het gedrag. Ten tweede moet worden nagegaan welke belangen door de geschonden norm worden beschermd. Alleen als de belangen van de eiser worden beschermd door de geschonden norm zal schadevergoeding toewijsbaar zijn. Dat is het zoeken naar een normatief verband. Ten derde moet bekeken worden welke concreet geleden schade daaronder valt. Er wordt een bedrag geplakt op dat geschonden belang.2 Dat is een concretisering van het geschonden belang.3
Deze drie stappen zijn een gedetailleerde uitwerking van de werking van het relativiteitsvereiste bij schadevergoeding, maar zoals hiervoor is betoogd is er goede reden de meer algemene relativiteitsgedachte uit te breiden naar de andere remedies.4 Het is alleen de vraag hoe dat zou moeten. Toepassing van deze gedachte bij bevel en verbod blijft tot nu toe onderbelicht5 en op het eerste gezicht lijkt die toepassing lastig omdat voor het afgeven van een bevel of verbod niet is vereist dat schade al is ingetreden of dreigt in te treden, terwijl schade toch een belangrijk onderdeel is van (het schadegebonden element van) het relativiteitsvereiste.6
De focus op schade miskent echter dat het relativiteitsvereiste dat we doorgaans in werking zien slechts een concretisering van de meer algemene gedachte voor één specifieke remedie is: de schadevergoeding. De vertaalslagen die daarbij gemaakt worden, kunnen simpelweg niet toegepast worden op de verbodsactie. Schade is namelijk niet altijd een element van rechtsplichten.7 Zo zijn gevallen denkbaar waarin geen concrete vermogensschade valt te vrezen, maar toch een verbod toewijsbaar is, zoals in het geval dat ik dagelijks over het land van een ander loop. In andere gevallen is dreiging van schade wel een onmisbaar element van de rechtsplicht, maar ook daar is schade geen vereiste van de remedie. Het open laten staan van een kelderluik is op zichzelf niet onrechtmatig, maar wel als daarmee een risico ontstaat dat anderen daardoor schade kunnen lijden.8 De mate van waarschijnlijkheid dat schade zal intreden, is daarmee van belang voor de vraag of een rechtsplicht aangenomen moet worden, maar niet voor toewijzing van de bevelsremedie.9
Toch heeft de relativiteit wel degelijk een rol te spelen bij het bevel. Ook hier is immers de vraag of een normatieve brug geslagen kan worden tussen gerechtigde en verplichte die een veroordeling van die laatste rechtvaardigt. Dat leidt ertoe dat, als eenmaal vastgesteld is dat een rechtsplicht bestaat die dreigt geschonden te worden, de vraag moet worden gesteld of (a) de verplichte nakoming verschuldigd was jegens deze gerechtigde en, zo ja, (b) waartoe de verplichte dan precies gehouden was. Het antwoord op deze vraag hangt ervan af of de gerechtigde een privaatrechtelijk relevant belang heeft dat bij schending in het gedrang zou komen.10 Uit Duwbak Linda is bekend dat voor toewijzing van schadevergoeding vereist is dat de norm beoogt (i) dit slachtoffer te beschermen (ii) tegen deze schade (iii) geleden op deze wijze.11 Voor het afgeven van een bevel of verbod is dan vereist dat de norm (i) deze eiser beoogt te beschermen in (ii) het in gedrang komende belang tegen (iii) de schending zoals die dreigt.12 Als aan die eisen is voldaan, ligt het enerzijds volledig in de rede om een bevel toe te wijzen (de aanspraakregel), maar dan wel alleen voor zover de plicht zich daartoe uitstrekt (de overeenstemmingseis).
Een goed voorbeeld is de zaak Pharmacia/Cosmétique II. Cosmétique bracht een haargroeimiddel (Dercos) met de werkzame stof Aminexil op de markt. Pharmacia meende – naar uiteindelijk bleek: terecht13 – dat dit product op grond van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (WGV) als geneesmiddel geregistreerd had moeten worden en vorderde naast schadevergoeding (i) een verbod op het verhandelen van Dercos en (ii) een algeheel verbod op het verhandelen van producten met Aminexil zonder voorafgaande registratie. Het hof wees het ruime verbod af omdat de bepalingen van de WGV strekken tot bescherming van de volksgezondheid en niet tot bescherming van producenten of handelaren in geneesmiddelen tegen oneerlijke concurrentie.14 Het specifieke verbod werd toegewezen omdat, geheel conform de correctie-Langemeijer,15de WGV wel bijdroeg aan een zorgplicht jegens de concurrent en de rechter die ten aanzien van het product Dercos aanwezig en geschonden achtte.16 Ook hier zorgt het relativiteitsvereiste er dus voor dat een privaatrechtelijke remedie alleen kan worden verkregen voor zover deze eiser daar recht op heeft.