Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/IV.7
IV.7 Extra ecclesiam nulla salus: buiten de Kerk geen heil?
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS382948:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
Johannes 11, 25 en 14, 6.
P. Balan, Monumenta reformationis lutheranae ex tabulariis secretioribus S. Sedis, 1521-1525, Regensburg 1884, 112.
Karel V vroeg de paus het Concilie van Bologna te annuleren en het weer naar Trente te brengen. Legaten moesten naar het Heilige Roomse Rijk gestuurd worden met bevoegdheid om de protestanten uit te nodigen; zie: CT VI, 1, 635-651; 685-727 en 767- 778.
C. Hoynck van Papendrecht, Analecta Belgica, ’s-Gravenhage 1743, II, 1, 347: Brussel, 8 februari 1551.
Joh. 19, 23.
Ruardus Tapper, deken van Sint-Pieter te Leuven en kanselier van Leuven, was ongetwijfeld een voortrekker in deze materie. In zijn werk komt hij zelf ook voor deze mening uit: Opera, Keulen 1582, II, 327 b. Voor zijn tussenkomsten op het Concilie van Trente: CT VII, 1, 248, l. 4, 250, l. 20 en 386, l. 30-387, l. 33.
ROPB, II, 5, 132-135, vooral 133, nrs. 21 en 22.
De haereticis, § Gazaros, in: D. Gothofredus, Codicis Dn. Iustiniani libri duodecim, Lugduni 1627, IV, 190. Zie nu: J. Spruit e.a., Corpus iuris civilis. Tekst en vertaling, Amsterdam 2005, VII, 214 en 634 en X.5.7.10 Vergentis.
‘Damnum iniuria datum’: D.9.2.51.2 In clivo Capitolino. Zie ook de glosse bij ‘impunitam’ in D. Gothofredus, Corpus iuris civilis Iustinianei, Lugduni 1627, I (Digestum vetus), 1050, littera p. Zie verder: R. Fraher, The theoretical Justification for the new criminal Law of the High Middle Ages: ‘Rei publicae interest, ne crimina remaneant impunita’, in: University Illinois Law Review 1984, 577-595.
X.5.39.35 Ut famae tuae.
R. Fruin en P. Molhuijsen, Philippus de Leyden, De cura reipublicae et sorte principantis, ’s-Gravenhage 1900, 410. Merk op dat ‘imitari’ moet vervangen worden door ‘comitari’, zoals bewezen wordt p. 450. Zie verder p. 375 (88).
J. de Damhouder, Praxis rerum criminalium, Aalen 19782, LXI, nr. 46-69. Volgens De Damhouder mocht de paus naar het canonieke recht alles ondersteboven keren: C.9 q.3 c.17 Cuncta en c.18 Cuncta en c.21 Per principalem. Zoals De Damhouder het neerschreef, had Bartolus verkondigd dat de paus vrij was van simonie. In werkelijkheid ging het om een citaat uit een repetitio van Baldus, geciteerd in een werk van Bartolus. Zie over beide Italiaanse juristen: DBGI, I, 149-152 (Baldus) en 177-180 (Bartolus).
J. Ratzinger, Necessità della missione della Chiesa nel mondo, in: La Fine della Chiesa come Società Perfetta, Verona 1968, 69-70. In de hier bestudeerde periode gold X.1.1.1 § 3 Una vero est fidelium universalis ecclesia, extra quam nullus omnino salvatur.
K. Setton, The Papacy and the Levant (1204-1571), Philadelphia 1976-1984, III, 198.
K. Setton, The Papacy and the Levant (1204-1571), Philadelphia 1976-1984, III, 395-401.
Nog wordt Filips II de belangrijkste verdediger van de Kerk (‘praecipuus Ecclesiae contra Turcarum [lees hierbij een zelfstandig naamwoord in de accusatief] defensor et propugnator’: G. Brom en A. Hensen, Romeinsche bronnen(RGP, GS 52, 537, nr. 658) tegen de Turken genoemd en is de Kerk slechts na de slag bij Lepanto bevrijd van de ergste aanvallen. Daarna verschijnen de obelisken in Rome (met inscripties).
F. Gaude, Bullarum … Taurinensis editio, VI, XLI, 336-337.
R. Tapper, Opera, Keulen 1582, II, 379-380.
R. Tapper, Opera, Keulen 1582, II, 372 b.
CDP, VIII, 35, 39 en 44.
Wie zich de woorden van Christus herinnert, weet dat Hij in de volgende zin sprak: ‘Wie in Mij gelooft, zal het eeuwig leven bezitten.’1 In tegenstelling daarmee had de Kerk in de Decretalen verkondigd dat niemand het eeuwig leven zou krijgen, indien hij buiten de kerk stond. Daarmee had de Kerk (sacerdotium) zich duidelijk gemeten met het Romeinse Imperium. De Codex iuris civilis begon met de woorden: ‘In de naam van onze heer Jezus Christus, herziene lezing van de Codex van onze Heer, de allerheiligste keizer Justinianus. Boek 1.1.1. De allerhoogste Drie-eenheid en het katholieke geloof en dat niemand het wage daarover in het openbaar beweringen te doen.’
De Decretalen van Gregorius IX begonnen met de woorden: ‘De allerhoogste Drie-eenheid en het katholieke geloof.’ Toen volgde de eerste titel met de decreten van het vierde Concilie van Lateranen en op de eerste plaats kwamen de geloofspunten. Boek 1.1.1 Bij de derde paragraaf kwam uitleg over de sacramenten. Deze paragraaf startte met de verklaring over de eenheid van de Kerk, waarbuiten geen enkele mens redding kon verwachten. Toen Luther de Decretalen verbrandde, keerde hij zich ook tegen deze Kerk.2
Welke rol speelde de Staat in de aanstelling van de clerus en bij de hervorming in hoofd en leden? Hoe was het mogelijk dat de Kerk geen competente priesters ter beschikking had? Vanuit het standpunt van Antoine Perrenot, bisschop van Atrecht, en van Viglius kwam naast de paus in de eerste plaats de plicht van de keizer naar voren. De keizer moest een Concilie bespoedigen. In die taak was hij trouwens geslaagd na de afronding van de eerste sessies.3 Iedereen moest veilig kunnen vergaderen en daar blijven, want de keizer was de opperste beschermer van het Concilie. Hij moest de eenheid en samenhorigheid van de christenheid bevorderen en ervoor zorgen dat de decreten daarna werden uitgevoerd.4
Sinds het begin van de regering van Karel V ontstond er een tweespalt in het christendom. Er waren echter nog andere concurrerende godsdiensten. Als vijanden van het christendom kregen zij geen kans. Kerk en Staat probeerden de eenheid van de Kerk te herstellen en de vreemde godsdiensten uit te sluiten. De grondgedachte was ongetwijfeld nog dat het indult zou helpen om deze problemen op termijn tot een oplossing te brengen. Tolerantie was in deze fase nog een duivels woord. Pluralisme op het vlak van het geloof was uit den boze: uitroeiing van de secten!
Paulus III richtte met de bul ‘Licet ab initio’ van 21 juli 1542 de eerste gespecialiseerde commisie op, die later het ‘Heilig Officie’ zou worden. Hij wees hierbij van kerkelijke zijde op de vrijwaring en verdediging van de integriteit van het katholieke geloof. Hierbij werd ook het onderzoek van dwalingen en de verwerping van valse doctrines gestimuleerd. Het zieleheil van de gelovigen stond vooraan in alle ernstige beschouwingen over de godsdienst. Aan de eenheid van de katholieke Kerk op aarde mocht niemand twijfelen. De ‘tunica inconsutilis’ van Christus was door de Reformatie verscheurd,5 maar de Faculteit van Theologie van de universiteit van Leuven keurde op 6 december 1544 tweeëndertig geloofspunten ter instructie van de bevolking goed. De vorst wilde duidelijkheid: iedereen kon en moest zich schrap zetten tegen de kwalen van de tijd.6 Ketters, volgelingen van een schisma en mensen, die geëxcommuniceerd waren, stonden buiten de Kerk. Met het kompas van de opgesomde dogma’s kon elke gelovige zich verder wijden aan de opbouw van het oude geloof. Op 14 maart 1545 werd overal in de Nederlanden gevraagd om die tweeëndertig geloofspunten te bewaren, zich ervoor in te zetten en om ze te na te komen.7
Over het beneficiestelsel werd er met geen woord gerept. Het indult kwam er niet aan bod. Kerk en Staat hadden priesters nodig, die moesten ingezet worden om de eenheid van de katholieke kerk te bewaren en om de leerstellingen zuiver te houden. Er bleek echter een structureel tekort te bestaan, zowel in de priesteropleiding als bij de inzet van priesters. De oude religie moest in nieuwe zakken verpakt worden, maar de wereldlijke overheid was daartoe niet in staat. Zij zette in op een goede ‘politie’ en op de uiterlijke pijnlijke tekenen van de discipline. Bij de tekortkomingen van het beleid kon de Staat nog andere hulpmiddelen inzetten. Misdaden tegen de vorst werden naar Romeins model vormen van majesteitsschennis ‘crimina laesae majestatis divinae et humanae’, want er was niet alleen een wereldlijke vorst, maar ook tegen de goddelijke vorst kon men zondigen.
De grootste misdaden waren die tegen de goddelijke vorst, want God stond boven elke tijdelijke heerser:8 de ketterij en de simonie of de handel in geestelijke goederen. Ketterij werd ook wel omschreven als ‘haeretica pravitas’ of slechtheid, verdorvenheid, die erin bestond vast te houden aan foutieve leerstellingen. De simonie ging daarbij door voor de oudste en verderfelijkste vorm van ketterij en ze werd gelijkgesteld met majesteitsschennis. Door Gregorius de Grote werden beide misdaden verenigd als ‘haeresis simoniaca’. Volgens het Romeinse recht en meer bepaald in de Lex Aquilia (over onrechtmatig toegebrachte schade)9 mochten misdrijven niet ongestraft blijven. Filips van Leiden ging een stap verder in de richting van de middeleeuwse glosse en van het canonieke recht.10 ‘Het juiste management van besturen en koninkrijken vereiste dat de schuldigen hun straf kregen. Het was van het allergrootste belang voor de Staat dat misdaden niet ongestraft bleven.’11 De grootste misdaad tegen de wereldlijke vorst was de majesteitsschennis. Dat sloot niet uit dat de vorst zelf fouten beging tegen de goddelijke vorst, want vanuit het strafrecht was het zeer te betreuren dat velen verstrikt waren in de simonie, omdat het wereldlijke en het geestelijke met geld te koop waren. Alleen de paus ontkwam aan simonie, wanneer hij beneficies en waardigheden verleende en geld aanvaardde.12
Behalve de genoemde vijanden van de Kerk werd er in de maatschappij afgerekend met de andere monotheïstische wereldgodsdiensten: joden en moslims. In tegenstelling tot wat wij nu weten, bestond er toen voor hen geen heil.13 Onder Adriaan VI werd in 1522 het eiland Rhodos ingenomen.14 In 1526 werd de koning van Hongarije omgebracht in de strijd tegen de Turken. In 1529 volgde het beleg voor Wenen. Daarop volgde het verbond van de Fransen met de Turken, de vijand van het katholieke geloof.15 De relatie met de Islam werd dus op scherp gezet door de opkomende Reformatie en door de blijvende vijandigheid onder de christelijke vorsten.16 De Joden, toen nog gebrandmerkt als de moordenaars van Christus, stonden bekend naar hun plaats van afkomst: de sefardische joden en de Asjkenasiem. In Spanje heetten ze nieuwe christenen. Deze Joden kwamen deels in de Nederlanden terecht, maar vonden een onderkomen in Thessaloniki en Marokko, die als vrijhavens fungeerden. Onder Paulus III werd het eerste getto georganiseerd en werd hun leefwijze bepaald, indien ze zich bekeerden.17
Volgens Ruard Tapper, kanselier van Leuven en dekaan van de Theologische Faculteit, werd de gevaarlijkste vijand van de katholieke kerk echter gevormd aan de universiteit. Hij kende Grieks, Latijn en Hebreeuws, kon uitstekende lezingen houden en hij was een kenner van de H. Schrift. Tegen hen moest strijd gevoerd worden, want zij waren de instrumenten van satan. Hoewel Erasmus al overleden was, toen Tapper dit schreef, toch had Tapper zich aangesloten bij de veroordeling van Erasmus door de Parijse Theologische Faculteit.18 Wanneer Tapper toen dacht aan de taak van een bisschop, van een priester of diaken en hij vergeleek die met dezelfde functie in vorige eeuwen, dan kon hij niets bedenken, dat moeilijker was. In zijn ijver voor het keizerlijk standpunt meende hij dat er niets zaliger was voor God dan de strijdbare houding van onze keizer aan te meten, maar over indulten nam Tapper geen standpunt in.19
Uiteindelijk stellen we vast dat ‘fides catholica extra quam nulla est salus’ op een relatief laat tijdstip onder Paulus IV ook voorkwam in de pauselijke oorkonden bij de stichtingen van nieuwe (aarts)bisdommen. Toen Goa werd afgescheiden van het aartsbisdom Lissabon en zelf een aartsbisdom werd en ook toen Cochina, voorheen een stad in het bisdom Goa, zelf een bisdom werd, kwam deze formule voor. Deze gebieden waren bevrijd van de duisternis van de satan en werden nu opgenomen in de beminnelijke schoot van de heilige moederkerk. Ongetwijfeld zal hier de invloed van het Concilie van Trente een rol gespeeld hebben. Gedurende de periode van Leo X tot en met Julius III zijn er geen lacunes in de Portugese bronnen. Aangezien de nadruk op de exclusiviteit van het katholieke geloof in de Portugese documenten slechts in de periode van het Concilie voorkwam, kan dit geen toeval zijn. Voor Europa had de verharding van dit standpunt weinig invloed op wat er in de gereformeerde landen gebeurde.20
In dit hoofdstuk zijn vele bezwaren tegen de H. Stoel, misbruiken en remedies besproken. Bij het patronaatsrecht, het beneficiewezen en de indulten vertoonde het rapport ‘Sequuntur articuli’ vrijwel alleen een vorstelijk standpunt. Een standpunt van de onderdanen in de Nederlanden ontbrak. In het buitenland was de kritiek op het patronaatsrecht en op het beneficiewezen algemeen, zij het met schakeringen. Ondertussen verkeerde de bevolking in crisis. De oorlog tegen Gelderland (1543) en Frankrijk (1544) en het Heilige Roomse Rijk (1547) had zware offers gevergd. In de bouwindustrie en de lakennijverheid groeide de werkloosheid. Na de volgende oorlogen in de jaren vijftig leed Filips II een bankroet (1557) en was de toestand van de vorstelijke domeingoederen rampzalig.
In hoofdstuk V zullen we nagaan hoe de vorst in de Nederlanden en in het Vrijgraafschap Bourgondië beneficies verleende. Naast de ongelukkige organisatie van de bisdommen zal blijken dat ook de verlening van beneficies een lastig vraagstuk was. De vorst kon wel proberen om die verlening te centraliseren, maar tussen de bedrijven door ontsnapte hem een groot aandeel in deze centralisatie.