Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/6.2.5
6.2.5 De woonplaats in het civiele recht in vergelijking met de omzetbelasting
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS396465:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Voor de lokale belastingen kan het uiteraard wel van belang zijn in welke gemeente men woont.
HvJ 19 april 2007, zaak C-73/06, VN 2007/36.23 (Planzer Luxembourg).
HvJ 17 juli 1997, zaak C-190/95, VN 1997, blz. 2933 (ARO Lease).
HvJ Somafer/Saar-Ferngas, reeds aangehaald.
HvJ 20 februari 1997, zaak C-260/95, VN 1997, blz. 1662 (DFDS).
Het bepalen van de woonplaats van een natuurlijk persoon in het civiele recht vindt plaats aan de hand van feitelijke omstandigheden. Daarbij speelt een rol: de plaats waar het gezin woont, de plaats waar iemand zijn eigendommen beheert en de plaats waar iemand zaken doet. De woonplaats van een natuurlijk persoon is de plaats waarnaar hij telkens terugkeert en die hij slechts verlaat met een bepaald doel. In tegenstelling tot in de omzetbelasting en de directe belastingen heeft de woonplaats van de natuurlijk persoon in het civiele recht tot doel om te bepalen in welk huis iemand woont. Voor de omzetbelasting en de directe belastingen is het voor de verdeling van heffingsbevoegdheden slechts relevant of iemand in Nederland of een ander land woont of is gevestigd. In welke gemeente dat precies is, is voor het bepalen of hij belasting moet betalen in Nederland minder relevant.1 Toch worden bij het bepalen van de woonplaats van een natuurlijk persoon in de directe belastingen gelijksoortige aanknopingspunten als in het civiele recht gehanteerd (zie paragraaf 6.4.2). Naast het begrip woonstede, kent art. 1:10, eerste lid, BW ook het begrip werkelijke verblijfplaats. Het begrip komt pas aan de orde wanneer is vastgesteld dat de desbetreffende natuurlijk persoon geen woonstede in Nederland of in het buitenland heeft. Een verblijf dat van geheel voorbijgaande aard is, wordt niet als werkelijke verblijfplaats beschouwd. Het is dus mogelijk dat een natuurlijk persoon geen woonplaats heeft. In de btw-richtlijn wordt het begrip gebruikelijke verblijfplaats gehanteerd. In het civiele recht kunnen aanknopingspunten worden gevonden voor de invulling van dit begrip. Net als in het civiele recht kan de vraag worden gesteld of wanneer iemand buiten de Unie zijn zetel van bedrijfsuitoefening heeft, maar binnen de Unie zijn gebruikelijke verblijfplaats deze gebruikelijke verblijfplaats het heffingsaanknopingspunt kan zijn of dat de vestigingsplaatsvorm gebruikelijke verblijfplaats pas aan de orde komt indien iemand geen zetel van bedrijfsuitoefening waar dan ook heeft. De gebruikte woorden ‘bij gebreke van’ lijken net als in het civiele recht op het laatste te duiden.
De in het civiele recht gehanteerde aanknopingspunten kunnen na het verschijnen van de zaak Planzer Luxembourg2 van het Hof van Justitie wellicht ook in de omzetbelasting van belang zijn. In de zaak Planzer Luxembourg oordeelde het Hof namelijk dat voor een rechtspersoon de zetel van bedrijfsuitoefening de plaats is waar de voornaamste beslissingen van algemene leiding van de vennootschap worden genomen en waar de centrale bestuurstaken worden vervuld. Nu niet de plaats waar de economische activiteiten van een vennootschap worden verricht, maar de plaats waar de leiding en het bestuur wordt uitgeoefend van belang is, is het voor natuurlijke personen wellicht zo dat niet de plaats van waaruit zij hun bedrijf of beroep uitoefenen, maar de plaats waar zij wonen van belang is om vast te stellen waar zij hun zetel van bedrijfsuitoefening hebben gevestigd. Als de woonplaats van een natuurlijk persoon niet van belang is om vast te stellen waar hij zijn zetel van bedrijfsuitoefening heeft gevestigd, kunnen de in het civiele recht gehanteerde relevante feiten in elk geval een aanwijzing geven voor de invulling van de vestigingsplaatsvormen woonplaats en gebruikelijke verblijfplaats.
Uit de definitie van het begrip filiaal, agentschap of andere vestiging in de zin van art. 5, vijfde lid, EEX-Vo blijkt dat het gaat om een permanente vestiging met zijn eigen directie en eigen materiële uitrusting. Deze vestiging moet naar buiten toe optreden als verlengstuk van de moeder. Ook het begrip vaste inrichting in de omzetbelasting, kent een duurzaamheidsvereiste en het vereiste dat sprake moet zijn van aanwezigheid van personeel en middelen. Daarbij rijst overigens de vraag of met een materiële uitrusting bij het begrip filiaal, agentschap of andere vestiging in de zin van art. 5, vijfde lid, EEX-Vo, slechts wordt gedoeld op de aanwezigheid van middelen en niet zo zeer op de aanwezigheid van personeel. Het vereiste dat sprake moet zijn van een eigen directie kan in verband worden gebracht met het in de zaak ARO Lease3 genoemde criterium “een structuur waarin beslissingen van dagelijks bestuur kunnen worden genomen”. Vermoedelijk is van een naar buiten toe manifesteren als verlengstuk van de moedermaatschappij ook sprake indien het gaat om een inrichting vanuit waar geen goederen of diensten worden geleverd, maar die zich bijvoorbeeld bezig houdt met onderzoek. Dit kan naar mijn mening worden afgeleid uit en houdt dan ook verband met de doelstelling van het begrip filiaal in de EEX-Vo. Zo kunnen ook geschillen betreffende het aanstellen van personeel voor de rechter worden gebracht van het land waar het filiaal is gevestigd.4 Ik kan me niet voorstellen dat een werknemer van het filiaal die een geschil heeft, het geschil moet voorleggen in het land waar zijn werkgever zijn hoofdvestiging heeft als de werkzaamheden van het filiaal bijvoorbeeld beperkt zijn tot het doen van onderzoek. Gelet op het specifieke doel van het internationale bevoegdhedenrecht moet op dit punt een vergelijking met het begrip vaste inrichting in de btw met de nodige voorzichtigheid gebeuren.
Kenmerkend voor een filiaal, agentschap of andere vestiging is dat het onderworpen is aan het toezicht van het moederbedrijf. Een onafhankelijke agent kan daarom niet als filiaal, agentschap of andere vestiging worden aangemerkt. De zaak Schotte-Rothschild doet denken aan de zaak DFDS5 uit de omzetbelasting en kan wellicht meer inzicht bieden in de vraag of en onder welke omstandigheden een afzonderlijke vennootschap een vaste inrichting van een andere vennootschap kan vormen. Tot op heden bestaat in de omzetbelasting evenmin duidelijkheid over de vraag of een niet zelfstandige agent ook een vaste inrichting kan vormen. Ook de jurisprudentie uit het civiele recht zou inzicht kunnen bieden in de beantwoording van deze kwestie.
Wanneer de uitleg van het woon- en vestigingsplaatsbegrip in het civiele recht wordt vergeleken met dat uit de omzetbelasting en ook de directe belastingen dient bedacht te worden dat het woon- en vestigingsplaatsbegrip in het civiele recht ook6 van belang is in louter private verhoudingen. In de directe belastingen en de omzetbelasting is de woon- en vestigingsplaats van belang in relatie tot de overheid. De woon- en vestigingsplaats bepalen de verplichting om belasting te betalen aan die overheid. In de omzetbelasting vormen de civiele rechtsverhoudingen, de overeenkomsten tot levering van goederen of diensten echter wel de basis van heffing. Om die reden is het ook in de omzetbelasting soms van belang om de vestigingsplaats van een ander vast te stellen om de eigen belastingplicht te kennen, bijvoorbeeld bij toepassing van art. 44 btw-richtlijn (tekst vanaf 2010). In de directe belastingen is dit niet het geval. Alleen het vaststellen van de eigen vestigingsplaats is voor de belastingplicht van de entiteit van belang.
De uit de rechtszekerheid voortvloeiende gedachte dat moet kunnen worden vertrouwd op de uiterlijke schijn biedt een interessant perspectief. In de omzetbelasting kan het zijn dat de vestigingsplaats van de afnemer door de dienstverrichter moet worden vastgesteld. Wellicht dat daarbij vanuit het perspectief van de rechtszekerheid moet worden gesteld dat uitgegaan mag worden van de uiterlijke schijn. Als bijvoorbeeld een vestiging de uiterlijke schijn heeft dat van daaruit duurzaam economische activiteiten worden uitgeoefend, mag er van uit worden gegaan dat aan het duurzaamheidscriterium voor bijvoorbeeld een vaste inrichting is voldaan ook al is de ondernemer voornemens om slechts kortstondig in een lidstaat aanwezig te zijn en heeft hij de ruimte bijvoorbeeld voor slechts enkele maanden gehuurd. Als de ondernemer voor het bepalen waar zijn eigen prestaties zijn belast moet bepalen of hij zelf een vaste inrichting in een land heeft, is de uiterlijke schijn dan uiteraard niet van belang.