Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/2.3
2.3 Beknopte typering van de splitsing in het Nederlandse civiele recht
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491820:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 24 december 1997, Stb. 1997, 776.
Richtlijn van 17 december 1982 (82/891/EEG), PbEG 31 december 1982, nr. L 378/47. Zie over deze richtlijn bijvoorbeeld Schutte-Veenstra 2013, onderdeel 7.3 en Roelofs 2014, hoofdstuk 2.
Zie ook Kamerstukken II 1995/96, 24 702, nr. 3, p. 3. De Zesde Richtlijn is in 2017 samen met enkele andere richtlijnen ondergebracht in Richtlijn (EU) van 14 juni 2017 (2017/1132), PbEU 30 juni 2017, nr. L 169/46.
Zie onderdeel 2.10.2.
De inhoudelijke bepalingen voor splitsingen zijn opgenomen in afdeling 4 (algemene bepalingen) en afdeling 5 (bijzondere bepalingen voor splitsingen waarbij een NV of BV wordt gesplitst of wordt opgericht) van titel 7.
Zie Boschma & Schutte-Veenstra, Tekst & Commentaar Ondernemingsrecht, commentaar op art. 2:308 BW, aantekening 2 (bijgewerkt 1-7-2021), die wat betreft kerkgenootschappen wijzen op Rb. Arnhem, NJ 2005/291. Zie specifiek over de SE met statutaire zetel in Nederland die participeert in een nationale splitsing, bijvoorbeeld, Roelofs 2014, onderdeel 3.7.3, p. 185 en Van Boxel 2004, onderdeel 6.2, p. 88-90.
Zie bijvoorbeeld Zaman, Van Eck & Roelofs 2009, p. 94, Roelofs 2014, onderdeel 3.6.1, p. 152 en Overes, Groene Serie Rechtspersonen, commentaar op art. 2:334a BW, aantekening 6 (bijgewerkt 12-5-2020).
Deze opmerking van de wetgever wordt in de literatuur doorgaans onderschreven. Zie, bijvoorbeeld, Kroeze 2021, hoofdstuk 10, nr. 488 en Van der Heijden & Van der Grinten 2013, hoofdstuk 13, p. 892. In andere zin Koster 2009, onderdeel 10.4, p. 318. Roelofs 2014, onderdeel 3.8.7, p. 203, gaat in op de invoering van art. 2:334ff, lid 4, BW bij Wet van 12 mei 2011, Stb. 2011, 234. Daarin is het volgende bepaald: ‘Indien de verkrijgende vennootschappen alle aandelen houden in de splitsende vennootschap, kan de splitsende vennootschap, tenzij de statuten anders bepalen, bij bestuursbesluit tot splitsing besluiten’. Op basis hiervan meent Roelofs dat de splitsing van een dochtervennootschap naar haar moedervennootschap(pen) wel mogelijk is. Ik bespreek de (on)mogelijkheid van een dochter-moederafsplitsing in onderdeel 2.8.3, onder m.
Uit de oorspronkelijk voorgestelde definitie van een zuivere splitsing in art. 2:334a, lid 2, BW, volgde dat ook in het geval van een zuivere splitsing met een stichting als splitsende rechtspersoon minimaal één verkrijgende rechtspersoon moest worden opgericht. Om die reden wordt in Kamerstukken II 1995/96, 24 702, nr. 3, p. 5, geen onderscheid gemaakt tussen een zuivere splitsing en een afsplitsing met een stichting als splitsende rechtspersoon. Art. 2:334a, lid 2, BW is echter later in het wetgevingsproces aangepast. Zie Kamerstukken II 1996/97, 24 702, nr. 6, p. 4 en nr. 7, p. 1.
Met ingang van 1 februari 1998 is het Nederlandse civiele recht verrijkt met een regeling voor splitsingen.1 Deze set regels kan niet los worden gezien van de Zesde Richtlijn uit 1982.2 Deze richtlijn had uitsluitend betrekking op binnenlandse splitsingen van NV’s en bevatte geen verplichting voor de lidstaten om in hun nationale civiele wetgeving een splitsingsregeling op te nemen. Maar als een lidstaat de keuze maakte om nationale splitsingsregels in te voeren, moest worden voldaan aan de regels uit de Zesde Richtlijn.3 Op 27 november 2019 is een nieuwe richtlijn vastgesteld waarin ook regels zijn opgenomen voor grensoverschrijdende splitsingen binnen de EU.4
De Nederlandse civiele splitsingsregels zijn samen met de voorschriften voor juridische fusies ondergebracht in titel 7 van Boek 2 van het BW.5 De bepalingen van titel 7 zijn van toepassing op de vereniging,6 de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij, de stichting, de NV en de BV (art. 2:308, lid 1, BW). Deze opsomming is niet limitatief. De regels van titel 7 zijn namelijk ook van toepassing op de SE en SCE met statutaire zetel in Nederland alsmede op kerkgenootschappen.7 De civielrechtelijke splitsingsregeling is daarentegen niet toegankelijk voor personenvennootschappen, zoals de VOF, CV en maatschap. Ook een Europees economisch samenwerkingsverband (EESV) kan geen gebruik maken van de regeling. Ik besteed hierna geen afzonderlijke aandacht aan de SE en SCE met statutaire zetel in Nederland. Als hierna de NV en de coöperatie worden genoemd, dan dient daaronder eveneens de SE respectievelijk de SCE te worden verstaan.
Art. 2:334a, lid 1, BW maakt duidelijk dat er twee grondvormen van splitsing bestaan. Dit zijn de zuivere splitsing en de afsplitsing. Een zuivere splitsing is een rechtshandeling waarbij het vermogen van een rechtspersoon die bij de splitsing ophoudt te bestaan onder algemene titel wordt verkregen door twee of meer andere rechtspersonen (art. 2:334a, lid 2, BW). De splitsende rechtspersoon houdt op te bestaan zonder dat sprake is van een formele ontbinding en vereffening van het vermogen.8 Een afsplitsing is een rechtshandeling waarbij het vermogen of een deel daarvan van een rechtspersoon die bij de splitsing niet ophoudt te bestaan onder algemene titel wordt verkregen door een of meer andere rechtspersonen (i) waarvan ten minste één lidmaatschapsrechten of aandelen toekent aan de leden of aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon, of (ii) waarvan ten minste één bij de splitsing door de splitsende rechtspersoon wordt opgericht (art. 2:334a, lid 3, BW).
Zowel een zuivere splitsing als een afsplitsing moet resulteren in een structuurwijziging. Tijdens de parlementaire behandeling is in dit kader opgemerkt dat splitsing geen eenvoudig alternatief is voor een overdracht van vermogen onder bijzondere titel. Vervolgens is de structuurwijzigingseis door de wetgever als volgt nader toegelicht:9
Splitsingen waarbij elke structuurwijziging achterwege blijft, zijn niet mogelijk.
De structuurwijziging zal doorgaans zijn dat de leden of aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon lid of aandeelhouder worden van een of meer verkrijgende rechtspersonen, maar kan er ook in bestaan dat bij de splitsing een nieuwe rechtspersoon wordt opgericht.
Bij een zuivere splitsing doet zich slechts een structuurwijziging voor indien ten minste twee verkrijgende rechtspersonen aan de splitsing deelnemen. Het is niet mogelijk slechts één verkrijger aan de zuivere splitsing te laten deelnemen omdat in zo’n geval feitelijk een vervanging (substitutie) van een rechtspersoon aan de orde is.
Bij een afsplitsing bestaat de mogelijkheid van één verkrijger mits (i) deze lidmaatschapsrechten of aandelen toekent aan de leden of aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon of (ii) bij de splitsing wordt opgericht. Hieruit volgt, aldus de wetgever, dat een afsplitsing van vermogen door een bestaande volle dochtermaatschappij naar haar moedermaatschappij onmogelijk is.10
Participeert een stichting als splitsende rechtspersoon in een afsplitsing, dan kan de structuurwijziging alleen zijn gelegen in de oprichting van een nieuwe rechtspersoon.11
Ik wijs erop dat de structuurwijzigingseis geen aanvullende buitenwettelijke eis is. Tijdens de parlementaire behandeling is door de wetgever desgevraagd namelijk uitdrukkelijk opgemerkt dat de in art. 2:334a, lid 2 (zuivere splitsing) respectievelijk lid 3 (afsplitsing), BW opgenomen definities beslissend zijn voor het antwoord op de vraag of in een specifieke feitelijke constellatie sprake is van een splitsing.12 De structuurwijzigingseis ligt dus besloten in de zojuist genoemde bepalingen. Dat beperkt de (mogelijke) splitsingsvarianten. Ik kom daar in onderdeel 2.8 nog op terug.