Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.3.11.2
11.3.11.2 De wetsgeschiedenis
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491478:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat wetsvoorstel heeft geleid tot de Wet van 17 juni 1998, Stb. 1998, 350.
Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 3, p. 3.
Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 3, p. 11.
De investeringsaftrek is opgenomen in art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.40 e.v. Wet IB 2001. Zie ook onderdeel 7.6.3.
Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 3, p. 11-12.
Zie art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.47 Wet IB 2001 voor de desinvesteringsbijtellingsregeling.
Art. 13b Wet VPB 1969 is kernachtig besproken in onderdeel 7.4.3.1 en art. 13ba Wet VPB 1969 in onderdeel 7.4.3.4.
Art. 10a Wet VPB 1969 is onder meer ter sprake gekomen in de onderdelen 7.4.4 en 8.3.2.4.
In onderdeel 8.3.2.4 zijn art. 13h en art. 33b, lid 5, Wet VPB 1969 jo. art. 13c Wet VPB 1969 (wettekst 2011) aangestipt.
In de parlementaire stukken wordt gesproken over een vervangingsreserve. Het lijdt geen twijfel dat sinds 2001 hetzelfde geldt voor herinvesteringsreserves ex art. 3.54 Wet IB 2001. Het overnemen van een herinvesteringsreserve betekent dat de verkrijger in de plaats treedt van de splitser met betrekking tot alle factoren die daarvoor van belang zijn. Zie Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 5, p. 15-16. De gedachte van de wetgever lijkt dat de herinvesteringsreserve zelf het vermogensbestanddeel is. Zie ook Simonis, MBB 2014/11.1, onderdeel 7. De vraag rijst hoe de Hoge Raad dit zou beoordelen. In HR BNB 2018/115 oordeelde hij namelijk dat een herinvesteringsreserve geen voor vervreemding en waardeverandering vatbare zaak is. Een herinvesteringsreserve is niet een bestanddeel van het vermogen van een onderneming als bedoeld art. 3.60 Wet IB 2001 (en naar moet worden aangenomen: art. 15c Wet VPB 1969). Gelet op de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever lijkt het mij echter aannemelijk dat een herinvesteringsreserve bij een fiscaal gefaciliteerde splitsing kan overgaan naar een verkrijgende rechtspersoon. Of dit daadwerkelijk gebeurt, zal afhangen van de feiten en omstandigheden, zoals de vraag of, en zo ja bij welke rechtspersoon, een herinvesteringsvoornemen bestaat.
Zie art. 14, lid 4, derde volzin, Wet VPB 1969 en art. 14a, lid 6, derde volzin, Wet VPB 1969. Zie ook onderdeel 10.4.7.
Tot 2012 gold voor als binnenlands belastingplichtige aan de Wet VPB 1969 onderworpen lichamen een belastingvrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting voor buitenlandse ondernemingswinsten. Zie art. 31 t/m 35 Bvdb 2001 (tekst 2011). Voor nog niet ingehaalde buitenlandse verliezen is een overgangsmaatregel getroffen in art. 33b Wet VPB 1969. De hoofdlijnen van het tot 2012 geldende systeem zijn geschetst in onderdeel 11.3.4.
Voor een onderbouwing verwijs ik hier kortheidshalve naar onderdeel 11.3.4.
De staatssecretaris beantwoordt deze vraag in zijn functie van wetsuitvoerder bevestigend. Zie onderdeel 11.3.11.4.
Zie Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 3, p. 4, nr. 5, p. 9 en nr. 11, p. 3. Vgl. ook Kamerstukken I 1997/98, 25 709, nr. 315b, p. 1-2.
Aan het onderscheid tussen subject- en objectgebonden besteed ik uitgebreid aandacht in onderdeel 11.3.11.5.
De passage in Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 3, p. 69-70 is op dit punt erg cryptisch.
Dit is besproken in de onderdelen 11.3.8 en 11.3.9.
Mijn analyse komt op dit punt overeen met die van de staatssecretaris als wetsuitvoerder. Zie onderdeel 11.3.11.4.
De lotgevallen van een opwaarderingsreserve van de splitsende rechtspersoon in het geval van een ruisende afsplitsing en ruisende zuivere splitsing zijn onderzocht in onderdeel 7.4.3.4 respectievelijk onderdeel 7.5.3.
Kamerstukken II 2004/05, 29 686, nr. 6, p. 8. Indien fiscale begeleiding wenselijk is, moet worden uitgeweken naar de doorschuifregeling op verzoek (art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969). Zie ook onderdeel 11.3.10.
Volgens de staatssecretaris (in zijn hoedanigheid van wetsuitvoerder) valt de opwaarderingsreserve niet onder het bereik van de fiscale indeplaatstreding. Zie onderdeel 11.3.11.4. Mijns inziens is dit standpunt onjuist (zie hierna).
Zie Kamerstukken II 2002/03, 28 608, nr. 3, p. 50.
Vgl. ook Boer, NDFR Deel VPB, commentaar op art. 15aj, onderdeel 6 (bijgewerkt 23-3-2021), Kok 2005, onderdeel 12.3, p. 398-402 en Van de Streek 2008, onderdeel 3.5.6.2, p. 90.
Bij een splitsing kan de art. 13ba-deelneming overgaan naar meerdere verkrijgers. De opwaarderingsreserve zal dan verdeeld moeten worden over deze verkrijgers. Een verdeling die evenredig is aan de fiscale boekwaarde van de art. 13ba-deelneming ligt daarbij voor de hand. Dit sluit aan bij de benadering van de staatssecretaris in het Beleidsbesluit NLF 2021/1057, bijlage 1 (standaardvoorwaarde 4 zuivere splitsing). In mijn zienswijze wordt in dit soort situaties niet toegekomen aan een standaardvoorwaarde. Het beoogde eindresultaat wordt namelijk automatisch bereikt op grond van de fiscale indeplaatstreding van art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969. Ook bij een afsplitsing kan de art. 13ba-deelneming overgaan naar meerdere verkrijgers. Daarnaast kan deze deelneming deels achterblijven bij de afsplitsende rechtspersoon. De opwaarderingsreserve kan dan naar evenredigheid worden verdeeld over de rechtspersonen die onmiddellijk na de afsplitsing een belang houden in de art. 13ba-deelneming.
Zie hierover ook Van der Burgt, WFR 2015/764, onderdeel 6.
Voorts kan een verkrijger na een fiscaal gefaciliteerde splitsing een immaterieel actief voortbrengen in verband waarmee de splitser vóór de zuivere splitsing voortbrengingskosten heeft gemaakt.
Zie onderdeel 11.3.5.
Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 3, p. 74. Zie voor deze standaardvoorwaarden de onderdelen 11.4.4.5 en 11.4.5.5.
Zie de uitgebreidere analyses in de onderdelen 7.4.3.3 en 11.3.7.
Zie ook onderdeel 11.3.7.
De kern van art. 28c Wet VPB 1969 is besproken in onderdeel 7.5.2. De bespreking in deze alinea is ontleend aan Van der Burgt, WFR 2017/162, onderdelen 3.3 en 5.4. Zie ook Van der Burgt, Cursus Belastingrecht VPB, onderdeel 2.6.0.C.c12.I (bijgewerkt 12-1-2021).
Art. 28c, lid 4, onderdeel b, Wet VPB 1969 vereist dat de belastingplichtige (splitsende rechtspersoon) ophoudt te bestaan. Deze bepaling heeft dus geen betrekking op afsplitsingen omdat de afsplitsende rechtspersoon blijft voortbestaan.
Kamerstukken II 2012/13, 33 713, nr. 3, p. 8 in verbinding met Kamerstukken II 2013/14, 33 713, nr. 9, p. 5-6. Boulogne & Brandsma 2019, onderdeel 3.4.3.15, p. 67, schrijven dat een toevoeging van de (belaste) compartimenteringsreserve aan de winst achterwege mag blijven op grond van art. 28c, lid 4, derde volzin, Wet VPB 1969. Dat is onjuist aangezien de in die bepaling opgenomen (autonome) doorschuifregeling geen betrekking heeft op situaties waarin de belastingplichtige als splitsende rechtspersoon deelneemt aan een zuivere splitsing en ophoudt te bestaan. Art. 28c, lid 4, derde volzin, Wet VPB 1969 verwijst uitsluitend naar art. 28c, lid 4, onderdeel a, Wet VPB 1969 (waarin het onder meer gaat over de splitsing van het lichaam waarin de belastingplichtige een belang heeft ter zake waarvan een compartimenteringsreserve is gevormd) en niet naar onderdeel b van dat artikellid (waarin onder meer de splitsing van de belastingplichtige met een compartimenteringsreserve is geregeld).
Een bijzondere situatie is aan de orde als de splitser een compartimenteringsreserve heeft gevormd in verband met zijn belang in de verkrijger naar wie dat belang in het kader van de zuivere splitsing overgaat. De verkrijgende rechtspersoon verkrijgt dan eigen aandelen en die worden in fiscale zin normaliter geacht te zijn ingetrokken. Het doorschuiven van de compartimenteringsreserve is dan niet aan de orde. Ik kom hierop terug in onderdeel 11.4.4.3.
De problematiek vertoont sterke gelijkenis met de wijze waarop een opwaarderingsreserve dient te worden verdeeld over meerdere verkrijgers. Zie voetnoot 145.
Een onbelaste compartimenteringsreserve maakt overigens onderdeel uit van het fiscale vermogen. Zie Kamerstukken II 2013/14, 33 713, nr. 10, p. 4.
Denk bijvoorbeeld aan opgeofferde bedragen voor verkregen deelnemingen. Zie de opsomming hiervóór.
Op dezelfde gronden als het geval is bij de zuivere splitsing (zie hiervóór). Het belang ter zake waarvan de reserve is gevormd, kan overgaan naar meerdere verkrijgers. Zoals in de hoofdtekst is opgemerkt, kan het belang ook gedeeltelijk bij de afsplitser achterblijven en dus slechts gedeeltelijk overgaan naar de verkrijger(s). Mijns inziens treedt een verkrijger in het geval van een fiscaal begeleide splitsing in die gevallen (slechts) voor een evenredig deel in de plaats van de afsplitser. Een verdeling die evenredig is aan de verdeling van de (fiscale) boekwaarde van dat belang ligt ook hier voor hand.
Zie ook Van der Burgt, Cursus Belastingrecht VPB, 2.6.0.C.c12.I (bijgewerkt 12-1-2021).
CFC staat voor Controlled Foreign Company. De regeling is uitgewerkt in art. 13ab en art. 15e, lid 10, Wet VPB 1969. Zie bijvoorbeeld Van der Burgt & Hofman, TFO 2019/161.1.
Kamerstukken II 2018/19, 35 028, nr. 3, p. 29-30.
Voor een schets van de essentie van de earningsstrippingmaatregel verwijs ik naar onderdeel 11.3.6.
Ook de staatssecretaris gaat daar in zijn hoedanigheid van wetsuitvoerder vanuit. Zie onderdeel 11.3.11.4.
Deze alinea is eerder gepubliceerd in Van der Burgt, Cursus Belastingrecht VPB, 2.6.0.C.c12.I (bijgewerkt 12-1-2021).
Het gaat over een kwantitatieve voorwaarde en een territoriale voorwaarde. Ik laat dat verder inhoudelijk onbesproken.
Art. 13d, lid 2, onderdeel b, ten eerste, Wet VPB 1969.
Kamerstukken II 2020/21, 35 568, nr. 3, p. 25 en nr. 6, p. 9.
De wetgever heeft door de jaren heen bij diverse gelegenheden expliciet of impliciet aandacht besteed aan (het toepassingsbereik van) de fiscale indeplaatstreding. In dit onderdeel breng ik deze wetsgeschiedenis in kaart.
Uitlatingen voorafgaande aan de invoering van de fiscale splitsingswetgeving
Algemene opmerkingen over de fiscale indeplaatstreding en voorbeelden
Vóór de invoering van de fiscale splitsingsregeling in 1998 heeft de wetgever aangegeven dat de fiscale indeplaatstreding inhoudt dat ‘als het ware’ de civielrechtelijke vermogensovergang onder algemene titel wordt gevolgd.1 De verkrijgende rechtspersonen krijgen de vermogensbestanddelen met al de daarbij behorende lusten en lasten.2 Dit betekent dat deze verkrijgers met betrekking tot de verkregen vermogensbestanddelen de kwalificaties, omstandigheden, latente verplichtingen dan wel termijnen overnemen.3 Dit komt erop neer dat zij de verkregen vermogensbestanddelen op de fiscale balans waarderen voor hetzelfde bedrag als waarvoor zij bij de splitsende rechtspersoon fiscaal te boek stonden (doorschuiven van fiscale boekwaarden). De verkrijgers hebben met betrekking tot die vermogensbestanddelen geen recht op investeringsaftrek.4 Eventuele sancties gaan samen met de vermogensbestanddelen over. De wetgever heeft de fiscale indeplaatstreding vervolgens nader toegelicht met voorbeelden, met name in relatie tot sancties en sanctiebepalingen. Ik vat dat hieronder samen:5
Een desinvesteringsbijtelling6 ter zake van het verkregen vermogen, wordt bij de betreffende verkrijger(s) na het splitsingstijdstip berekend op basis van de door de splitser genoten investeringsaftrek.
Behoort tot de overgegane vermogensbestanddelen een vordering op een deelneming die door de splitser is afgewaardeerd, dan behoudt deze vordering deze kwalificatie bij de verkrijger(s). Afhankelijk van de feitelijke gebeurtenissen, kan een verkrijger hierdoor na de fiscaal gefaciliteerde splitsing in aanraking komen met art. 13b of 13ba Wet VPB 1969.7
Een schuld waarop bij de splitsende rechtspersoon de renteaftrekbeperking van art. 10a Wet VPB 1969 van toepassing is, wordt als gevolg van de splitsing niet ‘ontsmet’. Zo’n schuld kwalificeert bij de verkrijger ervan dus automatisch als een art. 10a-schuld.8
Rust op een deelneming die in het kader van een fiscaal begeleide splitsing overgaat een sanctie waardoor de deelnemingsvrijstelling (gedeeltelijk) niet geldt, dan blijft die deelneming bij de verkrijgende rechtspersoon beclaimd. De na het splitsingstijdstip genoten voordelen uit hoofde van zo’n deelneming zijn bij de verkrijger belast tot het bedrag van de belastingclaim. Denk hierbij aan deelnemingen waarop bij de splitsende rechtspersoon art. 13h Wet VPB 1969 of art. 33b, lid 5 Wet VPB 1969 jo. art. 13c Wet VPB 1969 (wettekst 2011) van toepassing is.9
Als in het kader van een fiscaal gefaciliteerde splitsing een deelneming (gedeeltelijk) overgaat naar een verkrijger, schuift (in zoverre) zowel het voor die deelneming geldende opgeofferde bedrag als de fiscale boekwaarde door naar de betreffende verkrijger.
Op de vermogensbestanddelen die overgaan kunnen termijnen rusten. Een verkrijgende rechtspersoon neemt de resterende duur van deze termijnen over. Voorbeelden zijn een termijn waarbinnen een herinvesteringsreserve10 moet zijn aangewend en de driejaarstermijn als onderdeel van de antimisbruikbepaling die is verbonden aan een fiscaal gefaciliteerde bedrijfsfusie en splitsing in de vennootschapsbelasting.11
Op het splitsingstijdstip kunnen bij de splitsende rechtspersoon in verband met een buitenlandse vi nog in te halen buitenlandse verliezen aanwezig zijn.12 Als de vi in het kader van de splitsing overgaat, treedt de verkrijger daarvan in de plaats van de splitser met betrekking tot deze inhaalclaim. Dit zal ook gelden voor doorschuifaanspraken die op grond van overgangsrecht van art. 34 Bvdb 2001 nog aanwezig kunnen zijn en die samenhangen met een vi die in het kader van de splitsing overgaat.13 Zowel de inhaalregeling als de doorschuifregeling maken immers deel uit van de voorheen geldende belastingvrijstelling. De wetgever is niet ingegaan op de vraag of voortwentelingsaanspraken ex art. 37 Bvdb 2001 onder de werkingssfeer van de fiscale indeplaatstreding vallen.14
Verliesaanspraken (art. 20 Wet VPB 1969)
Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat verliesaanspraken in de zin van art. 20 Wet VPB 1969 niet op grond van de fiscale indeplaatstreding overgaan van de splitser naar de verkrijger(s).15 Dit geldt voor zuivere splitsingen en voor afsplitsingen. De reden is dat verliesaanspraken in Wet VPB 1969 subjectgebonden zijn, dat wil zeggen gebonden aan het lichaam dat deze verliezen heeft geleden.16
Latere uitlatingen in de wetsgeschiedenis
Aanspraken op verrekening (art. 23c en 23d Wet VPB 1969)
De parlementaire geschiedenis verschaft geen absolute duidelijkheid over het antwoord op de vraag of een aanspraak op toepassing van de deelnemingsverrekening ex art. 23c Wet VPB 1969 vatbaar is voor fiscale indeplaatstreding door de verkrijger(s) ingeval de niet-kwalificerende beleggingsdeelneming die deze aanspraak in het verleden heeft veroorzaakt in het kader van een fiscaal gefaciliteerde splitsing overgaat naar deze verkrijger(s).17 Ik vermoed dat dit niet het geval is. Hetzelfde geldt voor aanspraken op toepassing van de verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten in de zin van art. 23d Wet VPB 1969. Dit standpunt vindt steun in de wetssystematiek.18 De behandeling van de hier bedoelde verrekeningsaanspraken sluit dus naadloos aan bij de wijze waarop met verliesaanspraken ex art. 20 Wet VPB 1969 wordt omgegaan. Ook die zijn subjectgebonden.19
Opwaarderingsreserves (art. 13ba Wet VPB 1969)
De splitsende rechtspersoon kan vóór de splitsing een opwaarderingsreserve in de zin van art. 13ba Wet VPB 1969 hebben gevormd. In relatie tot de fiscale indeplaatstreding rijst de vraag wat daarmee gebeurt bij een fiscaal gefaciliteerde splitsing.20 In de context van zuivere splitsingen en juridische fusies, waarbij de splitsende respectievelijk verdwijnende rechtspersoon ophoudt te bestaan, is in de wetsgeschiedenis opgemerkt dat de wettelijke doorschuifregeling21 niet kan worden toegepast ingeval de zuivere splitser respectievelijk verdwijner beschikt over een opwaarderingsreserve. Volgens de wetgever is namelijk doorgaans niet vanzelfsprekend dat met betrekking tot die reserve is voldaan aan de wettelijke eis dat de latere heffing is verzekerd.22 Helaas is niet nader toegelicht waarom niet aan die eis zou zijn voldaan (zie hierna). Het geeft in elk geval geen antwoord op de vraag of een opwaarderingsreserve bij een fiscaal gefaciliteerde splitsing onder het toepassingsbereik van de fiscale indeplaatstreding valt.23
In dit verband veroorloof ik mij een kort uitstapje naar het fiscale-eenheidsregime. De wetgever heeft namelijk aandacht besteed aan de vraag wat de gevolgen zijn voor een opwaarderingsreserve ingeval een fiscale eenheid wordt beëindigd met een ontvoegingstijdstip.24 Een door de fiscale eenheid gevormde opwaarderingsreserve wordt bij ontvoeging op basis van de fiscale indeplaatstreding van art. 15aj, lid 5, Wet VPB 1969 toegerekend aan een ontvoegde dochtermaatschappij, voor zover die dochter ten tijde van de ontvoeging, al dan niet via toerekening,25 de deelneming in de ex-schuldenaar (art. 13ba-deelneming) houdt. Een opwaarderingsreserve kan dus onder het bereik van de fiscale indeplaatstreding van art. 15aj, lid 5, Wet VPB 1969 vallen. De fiscale indeplaatstreding van art. 15aj, lid 5, Wet VPB 1969 is – evenals de fiscale indeplaatstreding die is gekoppeld aan fiscaal begeleide splitsingen (en juridische fusies) – voornamelijk toegelicht aan de hand van voorbeelden.26 Gelet op de inhoud van die voorbeelden komt de materiële reikwijdte van deze fiscale indeplaatstreding bij ontvoeging mijns inziens overeen met het toepassingsbereik van de fiscale indeplaatstreding die is gekoppeld aan een fiscaal gefaciliteerde splitsing.27 Dit betekent volgens mij dat een opwaarderingsreserve van de splitsende rechtspersoon in het geval van een fiscaal gefaciliteerde splitsing op grond van de fiscale indeplaatstreding kan overgaan naar een of meer verkrijgende rechtspersonen. Dat is het geval als de art. 13ba-deelneming in het kader van de splitsing overgaat naar de verkrijger(s). Anders gezegd, de opwaarderingsreserve volgt de art. 13ba-deelneming.28 Blijft de art. 13ba-deelneming in het geval van een afsplitsing achter bij de afsplitsende rechtspersoon, dan geldt dat ook voor de bijbehorende opwaarderingsreserve.29
Bij deze wetsuitleg rijst nog wel de vraag waarom de wetgever het niet vanzelfsprekend vindt, dat de latere heffing is verzekerd ten aanzien van de opwaarderingsreserve van de zuiver splitsende rechtspersoon (zie hiervóór). Ik vermoed dat die opmerking verband houdt met het feit dat art. 13ba Wet VPB 1969 een concernregeling is. Het lichaam met de opwaarderingsreserve (lees: de zuivere splitser) hoeft niet ook de houder van de art. 13ba-deelneming te zijn. Die deelneming kan in handen zijn van een met hem verbonden lichaam. Beseft moet worden dat bij een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing geen sprake is van een (belaste) vrijval van de opwaarderingsreserve. Tegelijkertijd is het mogelijk dat de verkrijger(s) niet (allemaal) is (zijn) verbonden met de houder van de art. 13ba-deelneming. Ontbreekt die verbondenheid, dan dreigt claimverlies. De fiscale indeplaatstreding biedt geen soelaas omdat de opwaarderingsreserve en de art. 13ba-deelneming in dergelijke gevallen niet langer zijn ondergebracht bij hetzelfde concern. Dan is de latere heffing niet zonder meer verzekerd. Een voorbeeld kan dit verduidelijken.
S heeft vóór de zuivere splitsing een opwaarderingsreserve gevormd. Een met S verbonden lichaam (VL) houdt de art. 13ba-deelneming (D). Dit belang wordt voor de toepassing van art. 13ba Wet VPB 1969 toegerekend aan S. Zie art. 13ba, lid 5, Wet VPB 1969. In het kader van een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing gaat het vermogen van S over naar twee verkrijgers (V1 en V2). S houdt op te bestaan. M wordt bij de zuivere splitsing aandeelhouder van V1 en V2. Omdat het belang van M in de beide verkrijgers minder is dan 1/3e, zijn deze verkrijgers niet verbonden met de houder (VL) van de art. 13ba-deelneming (D). Een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing is in dit geval niet mogelijk op grond van de wettelijke doorschuifregeling van art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969. De latere heffing over de opwaarderingsreserve is namelijk niet verzekerd.
Ik wijs erop dat deze problematiek bij een afsplitsing niet aan de orde kan zijn. De afsplitsende rechtspersoon blijft namelijk voortbestaan. Heeft deze afsplitser een opwaarderingsreserve gevormd en wordt de art. 13ba-deelneming gehouden door een met hem verbonden lichaam, dan blijft de opwaarderingsreserve bij een fiscaal gefaciliteerde afsplitsing in stand bij de afsplitser. Er dreigt geen claimverlies. Dit zou de reden kunnen zijn dat de wetgever in de passage over de latere heffing focust op de zuivere splitsing en de juridische fusie. Dat zijn namelijk beide rechtsfiguren waarbij de splitser respectievelijk verdwijner met de opwaarderingsreserve ophoudt te bestaan.
Innovatieboxpositie (art. 12b t/m 12bg Wet VPB 1969)
Bij een fiscaal gefaciliteerde splitsing kunnen immateriële activa overgaan ten aanzien waarvan de splitser de innovatiebox toepast.30 Met ingang van 1 januari 2017 is de innovatieboxregeling gewijzigd.31 In het sequeel daarvan is voor toepassing van de wettelijke doorschuifregeling in het geval van afsplitsingen de eis toegevoegd dat – naast de verkrijger(s) – ook de afsplitser de innovatiebox niet toepast. Een vergelijkbare wetswijziging is doorgevoerd in de bedrijfsfusieregeling.32 De wetgever heeft in de toelichting op laatstgenoemde wijziging onder meer opgemerkt dat een standaardvoorwaarde zal worden uitgevaardigd waarin de samenloop met de innovatiebox (in de kern) als volgt wordt geregeld: indien in het kader van een fiscaal begeleide bedrijfsfusie een immaterieel activum wordt overgedragen in verband waarmee de overdrager de innovatiebox toepast, neemt de overnemer die toepassing ongewijzigd over.33 In de toelichting op de vergelijkbare wijziging in art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969 wordt op dit punt terugverwezen naar de toelichting op de bedrijfsfusieregeling. Uit het feit dat de wetgever een standaardvoorwaarde nodig acht om de verkrijger de ‘innovatieboxpositie’ van de splitser te laten overnemen, lijkt afgeleid te moeten worden dat hij van oordeel is dat de relevante aangelegenheden met betrekking tot de innovatiebox niet automatisch op grond van de fiscale indeplaatstreding overgaan. Anders zou een standaardvoorwaarde die dit regelt immers overbodig zijn.
Latente stakingsverliezen
In het kader van een fiscaal gefaciliteerde splitsing kan een buitenlandse onderneming (vi), waarvoor de objectvrijstelling van art. 15e Wet VPB 1969 geldt, overgaan van de splitser naar een verkrijger. In dergelijke gevallen gaat ook het saldo van de positieve en negatieve bedragen aan winst over naar die verkrijger. De wetgever lijkt ervan uit te gaan dat dit gebeurt door zelfstandige werking van art. 15i, lid 5, onderdeel a jo. art. 15j, lid 1, Wet VPB 1969.34 Mijns inziens is dat niet juist en gaat het genoemde saldo over op grond van de fiscale indeplaatstreding (lex specialis).35
Compartimenteringsreserves (art. 28c Wet VPB 1969)
Als gevolg van een fiscaal begeleide splitsing kan een belang overgaan naar de verkrijger(s) in verband waarmee de splitsende rechtspersoon een belaste of onbelaste compartimenteringsreserve in de zin van art. 28c Wet VPB 1969 heeft gevormd.36 In het geval van een ruisende zuivere splitsing valt die reserve op grond van art. 28c, lid 4, onderdeel b, Wet VPB 1969 belast respectievelijk onbelast vrij.37 Dit werpt de vraag op wat er gebeurt met een belaste of onbelaste compartimenteringsreserve in het geval van een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing.
Een belaste compartimenteringsreserve kan volgens de wetgever op grond van de wettelijke doorschuifregeling (art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969) of de doorschuifregeling op verzoek (art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969) worden doorgeschoven naar de verkrijger.38 In zo’n geval blijft fiscale afrekening bij de splitser dus achterwege.39 De belaste compartimenteringsreserve gaat daarbij dus als gevolg van de fiscale indeplaatstreding over naar de verkrijger(s) van het belang in verband waarmee de reserve is gevormd. Gaat het belang over naar meerdere verkrijgers, dan zal – naar moet worden aangenomen – iedere verkrijger voor een evenredig deel in de plaats treden van de zuivere splitser met betrekking tot de belaste compartimenteringsreserve. Een verdeling die evenredig is aan de verdeling van de fiscale boekwaarde van het belang ligt voor hand.40 Hoewel in de wetsgeschiedenis in dit verband slechts aandacht is besteed aan het doorschuiven van een belaste compartimenteringsreserve, betekent dat mijns inziens niet dat het doorschuiven van een onbelaste compartimenteringsreserve (daarom) niet aan de orde is. Integendeel, maakt de zuiver splitsende rechtspersoon gebruik van de fiscale begeleiding, dan bewerkstelligt de fiscale indeplaatstreding volgens mij automatisch dat zo’n onbelaste reserve verhuist naar de verkrijger(s). Ik acht het irrelevant dat een onbelaste compartimenteringsreserve – in tegenstelling tot een belaste compartimenteringsreserve – extracomptabel wordt geadministreerd.41 De fiscale indeplaatstreding sluit namelijk aan bij vermogen dat wordt verkregen en omvat ook extracomptabele grootheden die samenhangen met een overgegaan (aandelen)belang.42
Een afsplitsing heeft geen implicaties voor een belaste of onbelaste compartimenteringsreserve ingeval het belang in het lichaam ter zake waarvan die reserve is gevormd, achterblijft bij de afsplitsende rechtspersoon. Denkbaar is echter ook dat het belang in dat lichaam bij de afsplitsing (geheel of gedeeltelijk) overgaat naar een verkrijgende rechtspersoon. Voor die gevallen schrijft art. 28c, lid 4, eerste volzin, Wet VPB 1969 een (gehele of gedeeltelijke) vrijval van de reserve voor. Is sprake van een fiscaal gefaciliteerde afsplitsing, dan treedt de verkrijger mijns inziens in de plaats van de afsplitser met betrekking tot deze belaste of onbelaste compartimenteringsreserve.43 Dit betekent dat winstneming achterwege blijft als sprake is van een belaste compartimenteringsreserve.
Aanspraken in verband met de CFC-regeling (art. 13ab Wet VPB 1969)44
De CFC-regeling is van toepassing als de belastingplichtige (i) een belang heeft in een buitenlands gecontroleerd lichaam of (ii) een buitenlandse vi drijft, terwijl dat gecontroleerd lichaam of die vi is gevestigd respectievelijk gelegen in een staat die voorkomt op een Nederlandse lijst met laagbelastende staten of op de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties.45 Als deze regeling van toepassing is, worden positieve besmette voordelen, zoals rente, royalty’s en dividenden, die bij dat gecontroleerd lichaam of die vi (hierna: CFC) opkomen als hoofdregel tot de winst van de belastingplichtige gerekend. Ter verrekening van de op die voordelen drukkende winstbelasting wordt de verschuldigde vennootschapsbelasting van de belastingplichtige verminderd.46 Deze verrekening bij CFC-voordelen is nader uitgewerkt in art. 23e Wet VPB 1969. Toepassing van die regeling kan tot gevolg hebben dat voortwentelingsaanspraken ontstaan. Is bij een CFC in enig jaar sprake van negatieve besmette voordelen, dan worden deze niet bij de belastingplichtige in aanmerking genomen. Er geldt dan een carry-forwardregeling. De negatieve besmette voordelen verminderen het positieve saldo van de besmette voordelen van dezelfde CFC in de volgende zes volgende jaren, maar niet verder dan tot nihil.47 Een belastingplichtige kan in verband met een CFC dus beschikken over twee typen aanspraken: een voortwentelingsaanspraak ex art. 23e Wet VPB 1969 en een carry-forwardaanspraak als bedoeld in art. 13ab, lid 7, Wet VPB 1969. Deze aanspraken zijn gekoppeld aan iedere CFC afzonderlijk.48 Daarom heeft de wetgever het niet nodig gevonden om met betrekking tot deze aanspraken te voorzien in een samenloopregeling met splitsingen. Uit deze wetssystematiek volgt impliciet dat de aanspraken in het geval van een fiscaal begeleide splitsing op grond van de fiscale indeplaatstreding automatisch overgaan naar de verkrijger(s) van de CFC ten aanzien waarvan de aanspraak is ontstaan. Gaat de CFC over naar meerdere verkrijgers, dan zal iedere verkrijger gedeeltelijk in de plaats treden van de aanspraken. Deze verdeling zal hoogstwaarschijnlijk moeten plaatsvinden naar evenredigheid van de fiscale boekwaarde van het verkregen belang. Bij een afsplitsing is het mogelijk dat een CFC (deels) achterblijft bij de afsplitsende rechtspersoon. Dat geldt in zoverre dan ook voor bedoelde aanspraken.
Aanspraken in verband met de earningsstrippingmaatregel (art. 15b Wet VPB 1969)
De earningsstrippingmaatregel van art. 15b Wet VPB 1969 bevat een voortwentelingsregeling voor een saldo aan renten dat in een jaar niet in aftrek kan worden gebracht.49 Een niet in aftrek gekomen saldo aan renten kan op grond van die regeling in toekomstige jaren in aftrek worden gebracht, voor zover daarvoor in het volgende jaar (aftrek)ruimte bestaat. De belastingplichtige heeft dan een voortwentelingsaanspraak. Indien deze belastingplichtige vervolgens als splitsende rechtspersoon deelneemt aan een fiscaal begeleide splitsing, komt de vraag op of de voorwentelingsaanspraak achterblijft bij de splitser of samen met het vermogen (gedeeltelijk) overgaat naar de verkrijger(s). Hoewel in de wetsgeschiedenis niet expliciet is opgemerkt dat een voortwentelingsaanspraak achterblijft bij de splitsende rechtspersoon,50 is dat mijns inziens wel het geval. Dit kan ook worden afgeleid uit de wetssystematiek. Ik verwijs kortheidshalve naar mijn analyse hiervóór over aanspraken op toepassing van deelnemingsverrekening (art. 23c Wet VPB 1969) en aanspraken op toepassing van de verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten (art. 23d Wet VPB 1969).51
De beperking voor liquidatieverliezen van meer dan € 5 miljoen52
Voor zover een liquidatieverlies op een deelneming bij de belastingplichtige (houder van de deelneming) meer bedraagt dan € 5 miljoen, is het op grond van art. 13d, lid 2, Wet VPB 1969 niet aftrekbaar, tenzij wordt voldaan aan twee extra voorwaarden.53 De toets of de belastingplichtige daaraan voldoet, wordt primair aangelegd op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan het voltooien van de vereffening van het vermogen van het ontbonden lichaam (toetsmoment). Bovendien dient ook in de 60 maanden direct vóór het toetsmoment onafgebroken aan beide voorwaarden te worden voldaan (toetsperiode). Indien het ontbonden lichaam vanaf enig tijdstip na de aanvang van de toetsperiode voor de belastingplichtige voor het eerst als deelneming werd aangemerkt, dient evenwel slechts vanaf dat tijdstip onafgebroken aan de twee extra voorwaarden te zijn voldaan.54 De termijn wordt in die gevallen dus ingekort. Als een deelneming gedurende deze 60-maandsperiode via een fiscaal gefaciliteerde splitsing overgaat, start voor de verkrijgende rechtspersoon geen nieuwe toetsperiode. De verkrijger treedt dus in de plaats van de splitser met betrekking tot deze termijn.55