Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/4.3.1
4.3.1 Inleiding
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232254:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Waaijer is van mening dat wat als statuten wordt aangeduid als zodanig mogen gelden. Ook als in de statuten de wet is overgeschreven, B.C.M. Waaijer, Statuten en statutenwijziging (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 1993, p. 7.
Dijk/Van der Ploeg 2019/4.4.1; Asser/Rensen 2-III 2017/332. Een voorbeeld van een intern reglement is het bestuursreglement.
De aard van deze bevoegdheden kan zeer divers zijn. Zo kan gedacht worden aan het verlenen van toestemming tot het goedkeuren van besluiten als bedoeld in artikel 2:291 lid 2 BW of het instellen van een toezichthoudend orgaan waarmee artikel 2:297a BW en artikel 2:297b BW rekening houden. Ook andere bevoegdheden zijn goed denkbaar, zoals de bevoegdheid tot benoeming van een directie.
In dit verband wijs ik erop dat in de literatuur wordt aangenomen dat in een uiterste wil verwezen kan worden naar aan die uiterste wil te hechten stukken, M.J.A. van Mourik, WPNR 1999/6347 (naschrift); Asser/Perrick 4 2017/149; Melis/Waaijer 2019/6.2.6. Uit Rechtbank Midden-Nederland 11 november 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:7719, TE 2017/04, blijkt dat dit in de praktijk ook gebeurt. Zie ook HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:660, JOR 2016/189 waaruit blijkt dat een overeenkomst institutionele werking kan hebben.
Heeft de aansprakelijkheid van de notaris uit artikel 2:286 lid 5 BW, slechts een afgeleid verband met het rechtspersonenrecht, anders ligt dat voor de statuten, te behandelen in dit onderdeel. De inrichting van de statuten is onverbrekelijk verbonden met het rechtspersonenrecht.
Voor elke stichting geldt dat de statuten volledig in de oprichtingsakte dienen te worden opgenomen (artikel 2:286 lid 1 in verbinding met lid 3 BW).1 De onderwerpen die verplicht geregeld moeten worden in de statuten worden genoemd in artikel 2:286 lid 4 BW: naam, doel, wijze van benoeming en ontslag van bestuurders, zetel en bestemming van het vereffeningsoverschot. De wet maakt hier geen onderscheid tussen de bij dode of bij leven opgerichte stichting. In de praktijk volstaat het doorgaans niet alleen de verplichte onderdelen op te nemen. Vaak zal de oprichter ook andere onderwerpen willen regelen in de statuten. Hierbij kan gedacht worden aan toezicht op het bestuur en de mogelijkheid de statuten te wijzigen (te behandelen in 4.4). Als de wet niet voorschrijft dat een onderwerp in de statuten dient te worden geregeld, is het mogelijk een deel van de organisatieregels van de stichting op te nemen in een of meer reglementen.
Reglementen zijn te onderscheiden in intern en extern vastgestelde reglementen. Intern vastgestelde reglementen zijn die welke gelden voor (de leden van) een bepaald orgaan, vastgelegd door dat orgaan zelf. Extern vastgestelde reglementen geven regels voor (leden) van een bepaald orgaan die uitgaan van een ander orgaan.2 Slechts voor extern vastgestelde reglementen is een statutaire basis nodig.3 Dat de oprichter van een bij leven opgerichte stichting zijn toevlucht neemt tot reglementen valt te begrijpen, zeker als deze reglementen hem bepaalde bevoegdheden verlenen.4 Het is mogelijk dat ook de oprichter van een stichting bij dode, de erflater/oprichter dus, de behoefte voelt externe reglementen vast te stellen. Naar mijn mening is hij daartoe ook bevoegd. Of een (al dan niet door de oprichter/erflater opgesteld) extern reglement gewijzigd kan worden is afhankelijk van de statuten van de stichting. Als wijziging niet mogelijk is, is de enige oplossing wijziging van de statuten, desnoods met gebruikmaking van artikel 2:294 BW (zie 4.4.1.1.2). De door de erflater vast te stellen externe reglementen behoeven naar mijn mening niet verplicht te worden opgenomen in een uiterste wil. Opneming daarvan zou ook kunnen in een afzonderlijke (onderhandse) akte. Het volstaat dat, zodra de stichting is opgericht, uit de statuten blijkt welke reglementen van toepassing zijn.5
Het zal duidelijk zijn dat het orgaan waarop een intern reglement van toepassing is, vrij is dat reglement aan te passen.
Ik zal verder geen aandacht besteden aan reglementen. De onderwerpen uit de statuten die van dusdanig belang zijn voor de bij dode opgerichte stichting om hier behandeld te worden zijn de volgende. In 4.3.2 komt het doel aan de orde. In 4.3.3 wordt de bestemming van het vereffeningsoverschot behandeld. De wijze van benoeming van de bestuurders wordt onderzocht in 4.3.4.