Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.9.1.0:6.9.1.0 Introductie
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.9.1.0
6.9.1.0 Introductie
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS456478:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1992/93, 22647, 13, p. 130.
Kamerstukken II 1992/93, 22647, 18, p. 63. Zie par. 10.4.1.
Kamerstukken II 1992/93, 22647, 51, p. 1-2.
Handelingen II 1992/93, 18, p. 1314.
Handelingen II 1992/93, 18, p. 1314.
Handelingen II 1992/93, 18, p. 1314.
Handelingen II 1992/93, 18, p. 1315.
Handelingen II 1992/93, 22, p. 1653.
Handelingen I 1992/93, 10, p. 370, 380, 384.
Handelingen I 1992/93, 10, p. 370.
Handelingen I 1992/93, 10, p. 370.
Handelingen I 1992/93, 10, p. 397.
Handelingen I 1992/93, 10, p. 397.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het eerste punt is gericht op de start van de derde fase van de EMU. Met de goedkeuring van het Verdrag van Maastricht zou het parlement ook het tijdspad goedkeuren dat in dat verdrag is opgenomen, waardoor op uiterlijk 1 januari 1999 de derde fase zou ingaan. Dit zou leiden tot de invoering van een gemeenschappelijke munt. De Tweede Kamer weigerde echter om hier al in 1992 definitief mee in te stemmen.
Op grond van het Verdrag van Maastricht zou de regering in de aanloop naar een gemeenschappelijke munt een standpunt moeten innemen over de vraag in hoeverre de verschillende lidstaten voldoen aan de in het verdrag vastgelegde convergentiecriteria voor deelname aan die gezamenlijke munt. Pas als de convergentiecriteria in voldoende mate vervuld zouden zijn, maar uiterlijk op 1 januari 1999, zou de derde fase, met bijbehorende gemeenschappelijke munt, ingaan.
Naar aanleiding van vragen over deze bepaling uit het Verdrag van Maastricht en de rol van de Staten-Generaal hierbij, stelde de regering dat zij het parlement uitvoerig zou raadplegen bij dit besluit over de derde fase.1 Dit standpunt van de regering riep echter vele nieuwe vragen op, die met name gericht waren op het karakter van die raadpleging van het parlement. Kamerleden maakten een vergelijking met de Duitse Bondsdag, nu die met de Bondsregering overeengekomen was dat de regering het door haar in te nemen standpunt over de overgang naar de derde fase zou afstemmen met het parlement, waarover meer in hoofdstuk 10.2 Volgens de Nederlandse regering werd in die afspraken vastgelegd dat de convergentiecriteria, die volgens het verdrag de basis vormden voor dit standpunt, strikt dienden te worden toegepast en dat de Bondsdag zich zal neerleggen bij het uiteindelijke besluit dat door de Europese Raad over de aanvang van de derde fase en de deelname van de verschillende lidstaten zou worden genomen. Deze afspraken tussen de Bondsregering en de Bondsdag leidden tot de vraag of het Nederlandse parlement bij de besluitvorming over de overgang naar de derde fase in dezelfde positie verkeerde als de Bondsdag, zoals volgens sommige partijen wenselijk was.3 De regering antwoordde hierop dat haar toezeggingen over de uitvoerige raadpleging van het parlement ‘vrijwel equivalent’ waren aan de positie van de Bondsdag.4
Verschillende Kamerleden bleken met deze kwalificatie echter niet tevreden en kwamen met een amendement ter wijziging van de goedkeuringswet bij het Verdrag van Maastricht.5 Het amendement regelde dat voor het standpunt dat de regering zou innemen over de overgang naar de derde fase van de EMU de voorafgaande instemming van de Staten-Generaal nodig was.
Hierop ontstond enige discussie over de precieze betekenis van dit amendement. Hadden de indieners hiermee het besluit over de invoering van een gemeenschappelijke munt willen uitstellen? En hoe zou dit zich verhouden tot goedkeuring van het Verdrag van Maastricht? Hierin was immers een tijdspad opgenomen voor het instellen van een dergelijke munt. Het verdrag liet daarom op het eerste gezicht geen mogelijkheid bestaan voor een latere instemming met de start van de derde fase. Bovendien kende het verdrag geen opt-out mogelijkheid, die met dit amendement volgens sommigen toch gecreëerd werd.
De toelichting bij het amendement laat zien dat het niet de bedoeling was van de indieners om nog een slag om de arm te houden met betrekking tot de invoering van één munt. De betreffende Kamerleden stelden dat, nadat het Verdrag van Maastricht is goedgekeurd, alleen de daarin genoemde convergentiecriteria een rol kunnen spelen bij het bepalen van het standpunt over de vraag welke lidstaten in aanmerking komen voor deelname aan de derde fase van de EMU.6 Hierover neemt de regering een standpunt in, dat de Staten-Generaal vooraf dienen goed te keuren. Het amendement laat geen ruimte voor een politieke afweging over de vraag of een gemeenschappelijke munt wenselijk is. Deze afweging dient uitsluitend bij de goedkeuring van het Verdrag van Maastricht plaats te vinden. Het amendement beoogt dus geen extern effect te creëren, in de zin dat het tijdspad uit het Verdrag van Maastricht kan worden doorkruist. Na goedkeuring van het Verdrag van Maastricht geldt dit tijdspad onverkort. De enige toevoeging van het amendement is dat de regering instemming moet krijgen van de Staten-Generaal voor haar standpunt over de vraag in hoeverre de verschillende lidstaten voldoen aan de convergentiecriteria, die in het verdrag zijn vastgelegd.
De regering had tegen deze strekking van het amendement geen bezwaren.7 Toenmalig minister van Financiën Kok (PvdA) achtte de inhoud van het amendement een expliciete bevestiging van hetgeen op basis van de verhoudingen tussen de regering en de Staten-Generaal al te verwachten was. Zo stelde hij:
‘De Nederlandse regering zal in 1996 niet naar Brussel kunnen gaan met een standpunt over zichzelf en anderen zonder dit nadrukkelijk aan het Nederlandse parlement voor te leggen. Het is volgens mij evenzeer ondenkbaar dat de Nederlandse regering, in eerste instantie de Nederlandse minister van Financiën en later de minister-president, als het om de Europese Raad gaat, naar Brussel afreist met een standpunt dat niet gebaseerd is op een duidelijke steun, instemming van het Nederlandse parlement.’8
Tegelijkertijd benadrukte Kok dat Nederland door goedkeuring van het Verdrag van Maastricht gehouden was aan deelneming van het proces dat in het verdrag is neergelegd. Zoals Kok stelde:
‘Er kan dus geen sprake zijn van eruit stappen omdat het Nederland op een gegeven moment niet meer zou bevallen. Als wij denken dat het ons niet zal bevallen of als wij er niet aan toe zijn, moeten wij geen ‘ja’ zeggen.’9
En hij vervolgde:
‘Het [amendement] zal geen enkel probleem opleveren als wij maar duidelijk met elkaar afspreken, dat, ook bij aanvaarding van dit amendement, noch de acceptatie van het verdrag noch de volledige uitvoering van het verdrag ter discussie komt te staan in de komende tijd. Er mag op geen enkele wijze een ruis gaan ontstaan, dat Nederland voor een halve uitstapmogelijkheid heeft gekozen. Daarvan kan in geen enkel opzicht sprake zijn.’10
De Tweede Kamer accepteerde deze uitleg en stemde in met het amendement.11
Ook de Eerste Kamer stond stil bij het feit dat de goedkeuring van het Verdrag van Maastricht tegelijkertijd de aanvaarding zou betekenen van een op den duur in te voeren gemeenschappelijke munt. Verschillende partijen stelden vragen over het in de Tweede Kamer aangenomen amendement en de precieze betekenis hiervan.12 In reactie hierop benadrukte de regering nogmaals dat zij op grond van het amendement slechts de instemming van de Staten-Generaal moet krijgen voor haar standpunt over de overgang naar de derde fase, gebaseerd op de in het verdrag vastgelegde convergentiecriteria.13 Het amendement laat dus geen ruimte voor een opt-out, aldus de regering. Met de goedkeuring van het Verdrag van Maastricht verbindt Nederland zich aan het daarin vastgelegde tijdspad voor de invoering van een gemeenschappelijke munt. Op de vraag hoe de regering precies haar standpunt aan het parlement zal voorleggen, antwoordde de regering dat niet op de zaken vooruit moest worden gelopen en dat te zijner tijd met de Staten-Generaal over de te volgen procedure van gedachten gewisseld zal worden.14
Hoewel het amendement in de Eerste Kamer begrijpelijk werd genoemd, vroegen sommige Eerste Kamerleden zich af of het überhaupt nuttig en nodig was om de start van de laatste fase van de EMU al op dat moment te regelen.15 Een vergelijking werd gemaakt met het EMS, de koppeling van de valuta’s van de verschillende lidstaten die vooraf ging aan de invoering van een gemeenschappelijke munt. De Eerste Kamerleden wezen op het feit dat ten tijde van het EMS de financiële ontwikkelingen een hele andere kant op waren gegaan dan eerder werd gedacht.16 Men vroeg zich daarom af of het, gelet op het feit dat het streven naar één munt een historisch gezien unieke gebeurtenis is zonder precedent, niet verstandiger was om eerst de gang van zaken binnen de tweede fase af te wachten en pas op grond daarvan de derde fase nader in te vullen. Het verdrag had dan kunnen volstaan met het vermelden van het einddoel van een gemeenschappelijke munt en de eerste stappen op weg daarheen. Welk hoger doel gediend werd met het benadrukken van de onomkeerbaarheid, was voor sommige leden volstrekt onduidelijk.17
De regering reageerde hierop door te stellen dat die onomkeerbaarheid nodig was voor de totstandkoming van de EMU, zodat lidstaten zich niet zouden onttrekken aan de consequenties daarvan.18 De regering benadrukte dan ook dat de Staten-Generaal bij de stemming over het Verdrag van Maa- stricht een definitieve keuze maakten over de invoering van een gemeenschappelijke munt. In de woorden van toenmalig minister van Financiën Kok:
‘Ten principale hebben de Staten-Generaal hier en nu het laatste woord over de vraag, of wij het onomkeerbare proces naar de eindfase van de Economische Monetaire Unie wensen.’19